Notities van een theoreticus Shi Tiesheng China
China staat in het Westen niet bekend als een land van literatuur. Toch heeft het een van de langste, ononderbroken literaire tradities ter wereld. Een ingrijpende periode van dertig jaar maoïstische cultuurpolitiek heeft drieduizend jaar rijkdom bijna geheel aan het zicht onttrokken. Meerdere generaties westerse lezers zijn opgegroeid met een beeld van Chinese literatuur dat bestaat uit het rode boekje van Mao en rauwe getuigenissen van de Culturele Revolutie door uitgeweken dissidenten. En heel misschien een oude wijsgeer of drankzuchtig dichter.
De grootscheepse veranderingen in het China van de jaren 1980 en 1990, die het schrijvers mogelijk maakten de draad van het verleden weer op te pakken, hebben dat beeld kennelijk amper kunnen bijstellen. Een wereldster als de Japanse Murakami is in China nog niet opgestaan, en ook Gao Xingjian, die in 2000 als eerste Chinees de Nobelprijs voor literatuur won, blijft voor de meesten niet meer dan een moeilijk uitspreekbare naam. En dat terwijl in China de boekhandels uitpuilen, niet alleen van de 200.000 titels die er jaarlijks verschijnen, maar ook van de jongeren die er, staand en hurkend, de boeken letterlijk stuk lezen.
Waarom dringt daarvan zo weinig door naar buiten? Velen wijzen op de nog altijd aanwezige politieke censuur, die een werkelijk bloeiende en boeiende literatuur alleen maar in de weg kan staan. Toch spitst die censuur zich in werkelijkheid hoe langer hoe meer toe op enkele zeer specifieke terreinen, en vormen maatschappijkritische boeken juist de onbetwiste mainstream in China, waar engagement van oudsher het hoogste literaire goed is. De grootste bestsellers op de inmiddels sterk gecommercialiseerde boekenmarkt handelen over corruptie of bieden panorama’s van de woelige recente geschiedenis.
Maar daarin schuilt misschien wel het eerste grote probleem: de Chinese schrijver is erg gericht op China, stelt sociale misstanden aan de kaak die een lezer van buiten weinig zeggen of op zijn best niet zo urgent voorkomen. Bovendien: veel Chinese schrijvers lezen wel buitenlandse literatuur, die enorm veel vertaald wordt, maar spreken nauwelijks vreemde talen - ook de grootste auteurs niet - waardoor ze zich op het internationale vlak niet als publiek intellectueel of culturele persoonlijkheid doen gelden.
Mede daardoor is de Chinese literatuur lang een zaak van academische belangstelling gebleven, niet van het grote publiek. Pas de laatste jaren, met China’s onstuimige opkomst als economische wereldmacht, lijkt daarin verandering te komen. Meesurfend op de golf van China-belangstelling rondom de Olympische Spelen van Beijing, werken grote Angelsaksische uitgevers als Penguin en HarperCollins inmiddels serieus aan reeksen moderne klassiekers en gedroomde bestsellers van het moment.
Dat gaat alleen niet van een leien dakje. Penguins verwoede zoektocht naar een roman met een ‘universeel thema’ leidde voorlopig slechts tot het wereldwijd teleurstellend ontvangen Wolventotem, een romantisch epos over wolven op de Binnen-Mongoolse steppen. In China scoorde het astronomische verkoopcijfers, maar voornamelijk vanwege de vele spin-offboeken als ‘wolvenspirit voor managers’ en bewerkingen voor kinderen. Toen een vooraanstaand Chinees literair criticus gevraagd werd of hij Penguins keuze kon plaatsen en niet ook dacht dat westerlingen een boek over wolven wellicht beter zouden kunnen begrijpen, antwoordde hij ironisch: “Zouden ze een boek over mensen niet nóg beter kunnen begrijpen?”
Gek genoeg is dat nu juist het tweede grote probleem: uit de buitenlands reacties bleek dat men het exotische decor van Wolventotem nog wel kon waarderen, maar dat men zich op geen enkele manier kon inleven in de hoofdpersonen. Dat lag niet aan de thematiek, die met een pleidooi voor landelijk leven en natuurbehoud - de toenemende erosie van de steppen - zonder meer aan Westerse gevoeligheden raakte. Nee, het is simpelweg een veelgehoord bezwaar dat personages in Chinese romans altijd zo vlak blijven, dat ze te veel van buitenaf worden beschreven.
De wortels daarvan liggen diep in de Chinese beschaving. Het heeft te maken met de typisch Chinese kijk op de wereld, die het maatschappelijke al eeuwenlang boven het individuele heeft gesteld. Traditionele romans presenteerden niet voor niets vaak een hele stoet aan personages, om eerder de sociale verhoudingen dan het innerlijke leven te schetsen. Maar ook in hedendaagse romans zit je als lezer zelden een boeklang opgesloten in het hoofd van één enkel personage, wiens eigen, problematische verhouding tot de werkelijkheid centraal staat - iets wat we in het westerse modernisme sinds jaar en dag gewoon zijn.
Een en ander maakt dat zelfs de romans van de huidige ‘grote drie’ van China - Mo Yan, Su Tong en Yu Hua - buiten de grenzen vooral als informatieve boeken over China worden gelezen. Hun vaak caleidoscopische maatschappijromans geven daar ook aanleiding toe: Mo Yan bestrijkt in zijn laatste opus, De afmattende cyclus van leven en dood (2006), de plattelandshervormingen van de jaren 1950 tot 2000, en Yu Hua zet in Broers (2006) de gekte van de Culturele Revolutie af tegen de waanzin van de huidige consumptiemaatschappij.
Aan die minimale nieuwsgierigheid naar het land beantwoordt hun werk dus wel, het wordt immers regelmatig genoeg vertaald, maar literaire nieuwsgierigheid wekt het nauwelijks. De losse, episodische structuur botst zelfs geregeld met de westerse nadruk op de eenheid van het kunstwerk. Kennelijk zijn westerse opvattingen over compositie en individualiteit zo dominant dat uitheemse vormen van schrijven in Europa en Amerika weinig kans maken.
Al lijkt soms ook het omgekeerde waar. De westerse behoefte aan documentaire-literatuur is zo groot - zie alleen al de boekenstroom die Jung Changs Wilde zwanen uit 1991 op gang heeft gebracht - dat Chinese auteurs die anders schrijven over het hoofd worden gezien. Neem nu de op oudejaarsdag 2010 op negenenvijftigjarige leeftijd overleden Shi Tiesheng, die in China unaniem tot de beste moderne schrijvers van China wordt gerekend, terwijl er in het Frans en Engels alleen een verhalenbundel van hem zijn verschenen, en in het Nederlands wat losse bijdragen in Het trage vuur, tijdschrift voor Chinese literatuur.
Het eerste wat mensen van Shi Tiesheng weten is dat hij zijn hele volwassen leven in een rolstoel heeft doorgebracht, een handicap waarover hij ook vaak schreef - niet dat hij uit was op begrip of sentiment, hij maakte zijn gebrek echt tot inzet van zijn literaire werk. Misschien kwam dat doordat ziekte hem in zijn leven wel erg zwaar had getroffen: op zijn eenentwintigste raakte hij verlamd aan beide benen en enige jaren later, in 1981, liep hij ook nog eens een ernstige nieraandoening op, waarvoor hij sinds 1998 veelvuldig in dialyse moest, naar verloop van tijd zelfs drie dagen per week. ‘Ziek zijn is mijn dagelijks werk, schrijven doe ik ernaast’, heeft hij weleens gezegd.
Of nu het komt doordat hij door zijn rolstoelbestaan aan zijn huis was gekluisterd zul je nooit met zekerheid kunnen beweren, maar het is een feit dat hij in zijn werk een meer introspectieve blik heeft dan een maatschappelijke. Ook zijn filosofische inslag en zijn belangstelling voor het christendom zouden hem dichter bij de westerse traditie moeten brengen, ware het niet dat zijn bekendste roman, zijn magnum opus Notities van een theoreticus uit 1996, door velen als moeilijk en experimenteel wordt ervaren.
Shi (de familienaam staat in China voorop) zei ooit over zichzelf: ‘Ik ben geen schrijver die zegt: luister, ik vertel je een verhaal, maar probeer eerder een intiem gesprek met de lezer aan te gaan.’ En dat is precies wat hij doet in deze roman, die zoals de titel al aangeeft een vrij los geheel van korte notities is; 237 stuks om precies te zijn, verdeeld over tweeëntwintig hoofdstukken. Het begrip ‘notities’ verwijst naar een traditioneel Chinees genre waarin de schrijver op een vrije manier zijn losse gedachten kwijt kon. Maar Shi gaat een stapje verder, hij noemt zich in de titel niet voor niets spottend een ‘theoreticus’, iemand die meer denkt dan doet.
Vanaf de eerste bladzijde is Shi zelf aanwezig, de stille denker die zich in zijn ‘schrijversnachten’ afvraagt wie hij is, of hij zichzelf wel kan kennen. Wat maakt mij ‘ik’? Zijn het mijn herinneringen? En hoe betrouwbaar zijn die dan? Uiteindelijk besluit Shi zijn eerste hoofdstuk met een paradox, die pas gaandeweg de roman duidelijker zal worden. Analoog aan het logische grapje: ‘de onderstaande zin is waar,/ de voorgaande zin is onwaar’, schrijft hij: ‘Mijn herinneringen zijn maar een deel van mij,/ en toch ben ik de som van al mijn herinneringen.’
Wat volgt zijn die herinneringen, of eigenlijk ‘indrukken’, zoals hij het noemt, omdat hij weet dat ze onvermijdelijk gekleurd zijn. Opvallend genoeg zijn het herinneringen aan anderen: een handjevol mensen dat ‘zijn leven heeft gekruist’ en aan wie hij zich spiegelt, alsof hij zichzelf zo beter zal kunnen begrijpen. Wat langzaam aan ontstaat is een symfonie van gefnuikte levens. De grote gemene deler van al die mensen is namelijk dat zij allemaal op een bepaalde manier door het noodlot getroffen zijn.
Centraal staat gehandicapte C, die tot Shi’s verrassing op zijn veertigste uiteindelijk trouwt met de vrouw die hem twintig jaar eerder verliet. Destijds werd de sociale druk hen beiden te veel: men vermoedde dat zij hem enkel wilde trouwen uit medelijden, en men vond het egoïstisch van C om haar tot een leven met een invalide te dwingen. C voelde dat hij moest kiezen tussen het huwelijk of ‘een goed mens zijn’, aarzelde, werd bang, waarna de vrouw de knoop voor hem doorhakte, vertrok en hem twintig jaar alleen liet met zijn verlangen.
C’s lot doet Shi Tiesheng vervolgens denken aan dat van lerares O, die aan het begin van het boek zelfmoord heeft gepleegd: uit teleurstelling in de liefde, vraagt de schrijver zich af, of juist uit een te groot verlangen naar de ideale liefde? Maar de spiegelingen gaan verder: dokter F, die gehandicapte C behandelt en ook de doodsoorzaak van lerares O moet vaststellen, kampt met een vergelijkbaar probleem: hij gaf - uit angst? - zijn grote jeugdliefde actrice N op voor een veilig huwelijk, dat hem al twintig jaar vervult van spijt - en ongeuit verlangen.
Het zijn deze associaties die de roman voortstuwen, veeleer dan een sterke plot die alle personages zou moeten verbinden of de lezer bij de les zou moeten houden. Zo worden bij weer andere personages verlangens doorkruist door de politiek, in het bijzonder de Culturele Revolutie. Schilder Z en ene WR, gewezen geliefden van O, haalden op school de beste resultaten, maar vanwege hun ‘verkeerde klassenachtergrond’ - ze stamden niet af van een proletarisch maar een bourgeois geslacht - werd hen een goede universiteit en carrière onthouden. Politiek en liefde komen vrij direct samen in dichter L: bestraft om een verklikt liefdesbriefje op school, tijdens de puriteinse communistische periode, raakte hij voorgoed gedesillusioneerd in de liefde, hetgeen zich bij hem juist weer uit in een losbandig seksleven.
Hier wordt direct duidelijk dat Shi het leven niet eenzijdig reduceert tot politiek, zoals dat in die zo veel gelezen getuigenisliteratuur van naar het Westen uitgeweken Chinezen het geval is. Shi wil juist laten zien dat het noodlot allerlei vormen kan aannemen, van ‘een zwellinkje in een ruggenwervel’ tot een politieke campagne, dat levens gebroken kunnen worden door al wat menselijk is. ‘Iedereen zou C kunnen zijn’, zegt hij in de roman, en in een open brief over de roman, geschreven aan een bevriend schrijfster, licht hij dat nog eens toe. Het gebrek van de gehandicapte is uiteindelijk ieders gebrek, schrijft hij daar, spelend met het letterlijke Chinese woord ‘gebrekkige’ voor invalide. De mens staat vanaf zijn geboorte eenzaam in de wereld, een vaak oneerlijke wereld, en de daaruit voortkomende begeerte (naar liefde) en angst (voor de ander) zijn ieders deel.
Dat Shi Tiesheng die centrale gedachte in zijn roman aanschouwelijk maakt door verschillende mensenlevens naast elkaar te leggen, zelfs over elkaar heen te schuiven, en de lezer uit te nodigen tot het leggen van verbanden, is in feite een klassiek Chinees procedé. Van een traditionele, achttiende-eeuwse roman als De droom in de rode kamer tot de moderne romans van Mo Yan of Su Tong, overal speelt dat spel van overlapping, vergelijking en contrastering een zwaardere rol dan plot of psychologie.
Maar Shi is er wel wat extremer in. Vederlicht springt hij heen en weer tussen de personages, soms zo snel dat ze door elkaar beginnen te vloeien. Schilder Z en WR hebben bijvoorbeeld allebei een beslissend moment meegemaakt in hun jeugd: toen ze negen of tien jaar oud waren maakten ze voor het eerst kennis met schoonheid en verlangen, via de ontmoeting met ‘dat angstaanjagende meisje’ in ‘dat mooie huis’. ‘Z en WR in hun jonge jaren, ik haal ze altijd door elkaar’, schrijft Shi, maar het gaat hem dan ook eigenlijk alleen om hun ervaringen, die uiteindelijk uitwisselbaar worden; misschien is dat ook wel de reden waarom hij al zijn personages slechts met een letter, een initiaal, aanduidt. Shi schuift de jeugdherinneringen van Z en WR letterlijk over elkaar en probeert zo het algemeen menselijke, het menselijk gebrek, eruit te destilleren.
Het lijkt misschien een ambitieus experiment, en het doet weleens geforceerd aan, maar binnen dat enigszins abstracte kader komen de plotseling ontroerende passages, die Shi wel degelijk toelaat, des te harder aan. Shi kan namelijk met weinig middelen iets oproepen. Soms door een stille wenk: de afscheidsscène tussen gehandicapte C en zijn geliefde X, waarbij C smekend zijn ‘gebrek’ verwoordt, speelt zich niet voor niets af voor het altaar van het (inmiddels seculiere) Maantempelpark in Peking - het verlangen als gebed. Elders door een treffende typering: de emotioneel verlamde dokter F, hersenchirurg, vraagt zich telkens als hij in hoofden van mensen kijkt onwillekeurig af hoe er in die witte kwabben en vertakkende zenuwen gevoelens van verdriet en geluk worden opgewekt.
En anders wel door zijn beeldend vermogen: dokter F en actrice N komen nooit werkelijk tot elkaar, maar ‘communiceren’ voortdurend op een indirecte manier: via een spiegel aan de muur, via een boek dat hen verbindt, of ze vangen een glimp van elkaar op achter een treinraampje - al kan dat laatste ook een herinnering van dichter L zijn geweest; maar dat maakt Shi immers niet zoveel uit… Zelfs wanneer je in de war raakt van al die gedaanteverwisselingen, kun je je dus nog altijd met genot door Shi’s onvermoeibare paardensprongen laten meevoeren van het ene naar de andere stukje poëzie. En dat is misschien eigenlijk wel waar Shi Tiesheng je hebben wil.
Want die gedaanteverwisselingen zijn voor hem niet zomaar een spelletje. Zoals hij in het begin al aangaf: hij wilde uit zijn personages enkel halen wat hem ‘ik’ maakt. ‘Ik maak hen niet, zij maken mij’, zegt hij in het boek. En in zijn open brief: ‘Je mag mijn roman gerust een autobiografie noemen, maar dan wel een autobiografie van mijn ziel, van mijn innerlijke, niet mijn uiterlijke leven.’ Daar is dat schimmentheater dus voor nodig: ergens tussen al die anderen zit wel degelijk Shi Tiesheng verscholen. Maar waar? Dat vraagt hij zich in zijn laatste notitie zelf ook af, nog steeds: ‘En, waar sta ik nu?’ Misschien zou je bij wijze van antwoord kunnen variëren op zijn eigen paradox: zijn personages zijn maar een deel hem, en toch is hij de som van al zijn personages. Een oud adagium, dat is waar, maar Shi heeft er wel een nieuwe betekenis aan gegeven.
Net als in veel westerse literatuur moet hij toegeven dat je je eigen ik eigenlijk niet kunt kennen. Daar is hij alleen niet achter gekomen door in zijn eigen zielenroerselen te graven, op de manier van de westerse roman, maar door te zoeken naar gemene delers met zijn menselijke lotgenoten, zoals het in de traditionele Chinese roman met zijn vele personages al ging. Ook in de westerse traditie omcirkelt men de vraag naar het ‘ik’ al eeuwenlang op velerlei wijzen; Shi Tiesheng doet in feite niets anders: hij stelt de vraag weer op een andere manier, maakt hem weer in andere vormen aanschouwelijk. En is dat niet de waarde van elke vertaling uit een andere literatuur? Of domweg van alle literatuur?


Reageer