Yusuf Idris over Yusuf Idris Egypte
Het overkwam me niet zo heel vaak, maar wanneer dat wel het geval was had ik echt het gevoel dat ik het allerongelukkigste kind op de hele wereld was.
Ik had mijn oorspronkelijke gezin verlaten - mijn vader, mijn moeder en mijn zussen, een gezin dat ik eigenlijk nauwelijks kende - en was in het huis van mijn grootmoeder gaan wonen (dat wil zeggen, de moeder van mijn moeder, die in het Arabisch ‘Sitti’ wordt genoemd) zodat ik naar school kon. Ik was destijds zes, een heel mager, bleek en ernstig jongetje - zo ernstig dat ik me uit die periode van mijn leven niet één ding kan herinneren waar ik om heb moeten lachen. Ik had ook nooit het gevoel van euforie dat samengaat met het gevoel te leven, een jong, levenslustig mens dat op deze aardbol rondloopt.
Mijn vader was in die tijd werkzaam als specialist op het gebied van landbouw op schrale grond. Die stukken land maakten oorspronkelijk deel uit van een verzameling meren in het uiterste noorden van de Nijldelta.
Elk zomer trad de rivier buiten zijn oevers en liet het Nijlwater een rijke voorraad slib achter op de aarde; vervolgens droogden de meren op en werden geïrrigeerd en nogmaals geïrrigeerd totdat de grond rijp was om bebouwd te worden.
Aangezien voor dat soort werk grote aantallen arbeiders en grote sommen geld nodig zijn, konden alleen grote buitenlandse bedrijven of de overheid zich aan dergelijke projecten wagen. De overheid zette alleen ambtenaren in, maar bedrijven riepen de hulp in van experts, zoals mijn vader. Hij was begonnen aan een studie aan de Al-Azhar Mosque University [in Caïro] maar hij was met zijn studie gestopt om een tijd stage te lopen, waarna hij zich zelfstandig had opgewerkt tot selfmade technocraat, typerend voor de Egyptische samenleving in die tijd. Nadat hij een aanzienlijke reputatie binnen zijn vakgebied had verworven werd hij ‘Ma’mour,’ een hooggeplaatste functionaris die een enorm stuk land met een flinke bevolking beheerde, inspecteerde en bestuurde.
Ik groeide op als de zoon van de Ma’mour, met andere woorden, min of meer als de kroonprins van een klein koninkrijk. Mijn leven speelde zich ver van de moderne beschaving af, in ons enorme huis dat aan alle kanten was omgeven door een grote tuin.
We hadden meer dan genoeg personeel, en de boerenmeisjes met hun grote borsten waren maar al te zeer bereid met me te ‘spelen’, en ze boden zelfs aan me hun meest intieme vrouwelijke geheimen te onthullen. Want hoewel ik nog heel erg jong was, leken ze er toch genoegen aan te beleven het bed te delen met de enige ‘echte’ prins die ze kenden.
Deze kleine prins was in de gelegenheid te heersen over een volk dat bestond uit kinderen, zowel klein als groot, over wie hij de baas kon spelen, die hij achterna kon zitten, met wie hij kon doen en laten wat hij maar wilde; niemand zou ook maar een vermanende vinger op durven steken of een wenkbrauw op durven trekken.
Integendeel, mijn daden van agressie werden gezien als een teken van genegenheid, een eerbare geste die gekoesterd diende te worden.
Maar ik ben nooit verpest door de positie die ik innam. Ik voelde juist een groot mededogen; het was alsof mensen zijn geschapen zonder gevoel voor klassenverschillen, iets wat pas later komt, als onderdeel van de ‘culturele omgeving’.
Als ik mijn leven met dat van hen vergeleek - en ik vergeleek voortdurend - dan riep hun situatie voornamelijk medeleven op. Die mensen bevonden zich op de absolute bodem van de Egyptische samenleving; boeren uit de laagste echelons van de boerenstand, geen geboortedorp dat als thuis kon dienen, geen familie, geen naam, helemaal niets; enkel de overblijfselen van uiteengevallen stammen en families, dakloze schooiers, maar evengoed gezinshoofden; allesbehalve respectabele burgers.
Mijn leven lang ben ik bezig geweest die paar maanden uit mijn jeugd terug te halen. Ik kan me nog steeds de tijd herinneren die ik doorbracht met mijn eigen gezin, het huis, de manier van leven, mijn vader zoals ik hem destijds als een plotseling visioen aan de verre horizon zag opdoemen, begeleid door het balken van ‘Robouka’. Zo werd de grote ezel genoemd waar mijn vader meestal op reed; het is een soort die alleen wordt gebruikt om op te rijden omdat geen enkel ander dier dit aankan; zelfs paarden zijn totaal ongeschikt voor het terrein vol greppels, kleine slootjes en smalle bruggetjes.
Mijn vader keerde huiswaarts, badend in het zweet door de genadeloze zomerzon. Dat hij Europese kleren droeg maakte het er natuurlijk niet beter op; daardoor zag hij er alleen maar uit als een buitenlander, zij het een gebronsde buitenlander. Ik stoof op hem af en probeerde mijn armpjes om zijn middel te slaan en zo diep mogelijk de geur op te snuiven van zijn bezwete lijf, vermengd met de lucht van zijn kleren en de eau de cologne die hij zijn hele leven per se wilde gebruiken.
Ik keek hem aan met een ontzag dat dicht in de buurt kwam van dat van de arme boeren en arbeiders. Ik hield zoveel van hem dat ik in tranen uitbarstte zodra ik aan hem terugdacht. Hoewel het een grote, gebronsde man was en zijn gerimpelde gezicht altijd een ernstige uitdrukking had, was hij de aardigste en meest liefhebbende man die ik ooit heb gekend.
Mijn moeder was juist veel jonger. Zij was veel mooier dan hij; sterker nog, toen ze trouwden was zij zonder meer het mooiste meisje van ons dorp. Haar familie was veel armer dan die van hem, en dat kan verklaren waarom hij met haar is getrouwd ondanks het verschil in leeftijd en ondanks het feit dat hij al twee keer eerder was getrouwd. Jong, mooi en gezond - ze was, en ís misschien wel, een van de meest stoutmoedige mensen die ik ken.
Als een echte man uit het Midden-Oosten wilde mijn vader dolgraag een zoon. De twee eerdere vrouwen hadden hem daar niet aan kunnen helpen, dus koos hij een viriel [sic] meisje, in de hoop dat zij hem de zoon zou kunnen schenken naar wie hij zo wanhopig verlangde.
Dat was het geval. Een maand na de bruiloft was ze zwanger en later zette ze een zoon op de wereld. Wat een mooie dag voor haar arme familie en ook voor de familie van mijn vader, die zich van meet af aan had verzet tegen de keuze van zo’n ongeschikte partner, al helemaal omdat de twee eerdere vrouwen van mijn vader familie van hen waren geweest.
De vreugde hield echter niet langer dan twee maanden stand. Het kind overleed aan ‘zomerdiarree,’ een ziekte die uitdroging tot gevolg heeft en die verantwoordelijk is voor bijna negentig procent van de kindersterfte in Egypte. Er volgde een geweldige ruzie over wie verantwoordelijk was voor dit ongelukkige einde van het gelukkige sprookje. Die ruzie eindigde in een scheiding.
Dat was iets wat mijn vader zichzelf de vier jaren die volgden zou blijven verwijten. In het geval van mijn moeder was het zelfs nog erger; ze hield hem verantwoordelijk tot aan het allerlaatste moment van hun leven samen.
Het probleem was dat mijn vader, naar het zich laat aanzien, te laat tot de ontdekking kwam dat hij was gescheiden van een vrouw van wie hij zielsveel was gaan houden, misschien voor het eerst van zijn leven. Vier jaar lang deed hij grote moeite haar over te halen te hertrouwen, en gedurende dat proces ging mijn vader ertoe over zijn gehele landgoed op naam van zijn vrouw te zetten.
Nadat ze waren hertrouwd, was mijn moeder opnieuw binnen een maand zwanger. Dit keer was ik het. Alle huishoudelijke artikelen, kleren, parfums en juwelen die ze wilde hebben, uit Caïro of Parijs, werden haar verschaft door een man die haar zonder meer aanbad en die zichzelf op deze manier feitelijk vernederde.
Uiteindelijk werd ik geboren. Werkelijk iedereen, al haar familieleden, zijn familieleden, het hele dorp, zelfs het hele gebied dat mijn vader bestuurde, iedereen was begaan met het lot van deze pasgeborene, een kind dat groene ogen bleek te hebben en de lichte huid van kinderen van ‘khagawat’, zoals buitenlanders in Egypte werden genoemd.
Twee maanden na mijn geboorte kwam er een kentering in de situatie. Ik weigerde te drinken. Mijn moeder had een abces in haar borst waardoor ze niet in staat was me te zogen. Van flesvoeding had vrijwel niemand nog gehoord, dus werden er zoogsters ingeschakeld. Ik kreeg ernstige aanvallen van zomerdiarree en kolieken.
Mij is verteld dat ik drie maanden lang, terwijl mijn moeder ziek was van haar abces, dag en nacht heb liggen huilen van de pijn. Vrijwel alle vrouwelijke familieleden hebben me in hun armen genomen, terwijl ik aan een stuk door huilde en krijste. Al die tijd hing de dood dreigend boven mijn bed. De sterren van de nacht waren getuige van een merkwaardige aanblik wanneer mijn vrouwelijke familieleden de hoofdbedekking afdeden die ze naar islamitisch gebruik droegen, en met ontbloot hoofd God smeekten mijn leven te sparen.
Zomerdiarree is helaas een virusinfectie van de kinderbuik, en zelfs nu is er nog geen echte remedie tegen. Mijn familie zocht zijn toevlucht in allerhande middeltjes om de kwaal te bestrijden, waaronder traditioneel Arabische geneeswijzen als het middelpunt van mijn schedel schroeien met een gloeiendhete ijzeren staaf. Het grote littekenen zit er nog altijd, als een soort keppeltje.
Tot aan de dag van vandaag is het iedereen een raadsel waarom ik niet ben gestorven, zoals ook niemand begrijpt hoe het kan dat ik nog steeds in leven ben.
Hoe dan ook, ik ben niet gestorven. Ik heb het overleefd, en mijn vader kon zijn geluk niet op. Mijn moeder was ook blij. Niet alleen had ze mij, maar ze bracht ook nog vijf andere broers en twee zussen ter wereld, die allemaal in leven zijn gebleven. En met al dat nageslacht verdwenen de bedenkingen die mijn vader over mijn moeder had gehad als sneeuw voor de zon. Hij ging onvoorwaardelijk mee in haar grillen en gaf haar niet alleen liefde, zorg en aandacht, maar alles wat ze wilde, geld, sieraden, zelfs contanten.
Toen ik de schoolgaande leeftijd bereikte, ontstond er een probleem. Er was geen enkele school of plaats in de buurt van mijn vaders huis en werkplek, zodat ik bij de familie van mijn moeder moest gaan wonen, in het dorp waar we vandaan kwamen.
Er was een lagere school in het nabijgelegen plaatsje Fakous, in de provincie Sharqiyya, tussen het Suezkanaal en de oostelijke vertakking van de Nijl in de Nijldelta. Ik kan me nog altijd de tocht herinneren van het huis van ons gezin naar het dorp. Het was niet meer dan veertig kilometer, maar het duurde evengoed een hele dag, van zes uur ‘s ochtends tot aan het nachtelijk uur.
De enige manier om je te verplaatsen was per ezel; er waren geen bussen, treinen of wat dan ook. Voor mij was het niet alleen een lange reis; het was ook een enkele reis.
Een reis die me voorgoed wegvoerde van mijn gezin en me in een totaal andere omgeving en sfeer achterliet. Vanaf dat moment moest ik leven als een vreemdeling te midden van vreemdelingen, een wees van wie de ouders nog wel in leven waren, maar totaal onbereikbaar. En vanaf dat moment zal ik het grootste deel van mijn verdere leven kampen met een intense weemoed, een hunkering naar het gezin waaruit ik afkomstig ben, een vader, een moeder, een broer of een zus.
Het huis van mijn grootmoeder, mijn ‘Sitti’, was een breed boerenhuis van adobe, waar niet minder dan 25 volwassenen woonden, aten, sliepen en leefden.
Mijn grootmoeder, grootvader, hun zonen en dochters, verre en minder verre familieleden, mannen en vrouwen die werkten voor deze grote familie die in zijn levensonderhoud voorzag door land te pachten van kleine landeigenaren teneinde er gewassen te verbouwen waarvan ze jaarlijks een derde mochten houden - dat was de samenstelling van het huishouden waarin ik opgroeide. Ik was bij een van allerarmste families van het dorp beland.
Als ik vanaf mijn vroegste jeugd in een dergelijke omgeving zou zijn opgegroeid, zou ik geen erg hebben gehad in het vreselijke verschil tussen dit leven in armoede en het luxeleventje dat ik bij mijn vader thuis had geleid. Nu had ik echter het gevoel dat ik een heel stuk was gezakt op de maatschappelijke ladder, van de gelederen en het aanzien van een kroonprins naar het niveau van de eenvoudige boeren en arbeiders over wie ik in mijn vorige huis de baas had kunnen spelen.
Deze enorme verandering was echt in alles voelbaar, en daar kwam nog eens bij dat ik eenzaam was, ik was zelfs het enige kind onder de tien en ik woonde met een groep volwassenen van wie de jongste toch zeker vijfentwintig was. Nu ik het zonder de aanwezigheid en de bescherming van mijn vader en moeder moest stellen, zat er niets anders op dan de bittere realiteit van de armoede onder ogen te zien.
We sliepen met zijn dertigen bij elkaar in een grote ruimte, die ‘de oven’ werd genoemd, aangezien er een oven stond die werd gebruikt om brood te bakken. De warme bovenkant was de enige plek om te slapen in de winter, maar net zo goed in de zomerhitte. De eerste paar weken deed ik geen oog dicht. De kamer was vergeven van vliegen, kakkerlakken en allerlei insecten en reptielen. Het was een kakofonie van gekreun en gesnurk, soms huilende mensen, of pogingen tot gemeenschap.
Alles wat maar weerzinwekkend en onmenselijk was leek zich te hebben verzameld in deze kleine, volkomen duistere ruimte, met als enige ventilatie een gaatje ergens in het plafond. De bovenkant van de oven was zo hoog dat ik, wanneer ik er op lag, met mijn hand de doormidden gescheurde palmbladeren kon aanraken die naast elkaar waren gelegd om het dak te vormen, als de ribben van een lijk van binnenuit gezien.
Ongeacht of ik nog sliep, om vijf uur moest ik opstaan en me klaarmaken voor de afschuwelijke tocht naar school. Het water was meestal ijzig koud. Rillend kleedde ik me aan en werkte wat mais en brood naar binnen, en wat feta die in het huis werd gemaakt (maar zonder ook maar iets van room erdoor), en vervolgens begon ik, nog altijd rillend, aan de tocht naar school.
Het was tussen de anderhalf en de twee uur lopen. Ik zag er niet uit als ik op school aankwam, waar ik door de meesters aan een ‘inspectie’ werd onderworpen en mij te verstaan werd gegeven dat ik vieze schoenen of haren of nagels had. Daar werd ik dan door de boze meester voor gestraft met tien tot dertig stokslagen op de rug van mijn hand; ik had altijd wel íéts verkeerd gedaan.
Ik moest het stellen zonder echte ouders die misschien hadden kunnen begrijpen wat school inhield, en van mijn grote, nieuwe familie was niemand ooit naar school gegaan. Ik kreeg nooit geld dus kon ik ook geen boeken, schriften en andere schoolspullen kopen.
Om al die redenen zou ik keer op keer straf krijgen. Ik kreeg zelfs straf vanwege mijn kleren. Mijn moeder was uitzonderlijk krenterig. Ze draaide elke penny of millieme om en om, totdat ze een pond bij elkaar had gespaard, en vervolgens honderd pond. Dan kon ze weer een morgen land kopen in haar dorp en het haar verpauperde familie, die geen land bezat, allemaal nog eens extra inpeperen.
Mijn vader moest dat natuurlijk allemaal regelen, maar altijd in haar naam. Het gevolg was dat wanneer er boeken of kleren voor school gekocht moesten worden, ze altijd de goedkoopste spullen van de markt uitkoos: zomerkleren voor de winter, en winterkleren voor de zomer.
De goedgeklede meesters op school werden heel boos als ze me zagen lopen in een wit pak met witte Clarke-zomerschoenen, alles besmeurd met winterse modder. Ze sleurden me uit de rij van het ochtendappel om iedereen te laten zien wat een viespeuk ik was en hoe dom mijn ouders waren. Ze beledigden mij en mijn ouders ten overstaan van de hele school. Dat was een nog grotere vernedering dan geslagen worden. Ik nam dezelfde weg naar huis, huilde in stilte bittere tranen en bleef alleen even staan om naar boven te kijken en tegen God te schreeuwen: ‘Waar bent U?’
Om eerlijk te zijn waren mijn kreten in eerste instantie gericht tegen het gebronsde, gerimpelde gezicht van mijn vader, met zijn vriendelijke ogen.
Als je in armoede bent geboren en getogen, voel je nooit echt hoe het is om arm te zijn. Maar als je plotseling tot armoede vervalt, vanuit de sociale positie waarin ik was opgegroeid - en in mijn geval zonder enige steun of waarschuwing - dan zit je plotseling niet langer aan een mooie tafel met je naaste familieleden, vader, moeder, zussen en broers, een gezellig samenzijn waarbij ieder voor zich eet maar je wel met zijn allen rond een heerlijke, rijke en warme maaltijd zit die door een moeder is bereid.
In plaats daarvan zit je ineens in een ruimte met alleen een groot, rond stuk hout (lacherig een ‘tafel’ genoemd) waar zo’n dertig, en soms nog wel meer, mensen met groezelige vingers vechten om het eten. En wat voor ‘eten’. Soep getrokken van grassen uit het veld, met rijst. Vlees, en dan nog heel kleine stukjes, werd alleen geserveerd tijdens hoogtijdagen als de ramadan of het offerfeest, en op andere religieuze feestdagen. Gewoonlijk trok ik aan het kortste eind bij de strijd om een handjevol rijst, vooral omdat ik me verloor in dagdromen over de tafel bij ons thuis en met name de dingen die we daar aten, soms speciaal voor mij gemaakt door een zorgzame moeder.
Het klinkt misschien vreemd, maar zo is het echt gegaan. Mij is gevraagd een beeld te schetsen van mezelf als schrijver. Ik heb het een heel jaar zonder duidelijke reden voor me uit geschoven. Dit jaar heb ik besloten het toch te doen, hoewel ik nadat ik had besloten aan het werk te gaan, nog steeds van alles uitstelde.
Ik begon en merkte dat ik steeds terugkeerde naar dat deel van mijn leven dat ik altijd uit mijn herinnering heb proberen te bannen, mijn vroegste jeugd. Ik schreef een paar bladzijden en hield dan weer op. Ik deed een nieuwe poging, maar moest weer stoppen.
Dit keer was de reden een heftige migraine die een paar keer per dag kwam opzetten. De artsen die me onderzochten konden geen duidelijke oorzaak vinden. Ik probeerde er geen aandacht aan te besteden zodat ik mijn belofte op tijd zou kunnen inlossen, maar de migraineaanvallen werden steeds heftiger. Weer moest ik stoppen en een poos in bed gaan liggen. Het zag ernaar uit dat ik lichamelijk ziek was.
Nu, een maand later en kennelijk genezen, kan ik geen andere reden voor deze migraineaanvallen bedenken dan mijn plotselinge besluit de confrontatie aan te gaan met mijn jeugd, die zich schuilhield in mijn onbewuste herinneringen en als ‘taboe’ was aangemerkt, haast alsof er een bordje op hing met het opschrift: “Zeer pijnlijke herinneringen; verboden toegang’.
Nu ik erover heb geschreven bleek het niet zo ondraaglijk verschrikkelijk als ik had gedacht. Erover schrijven is iets heel anders dan het echt te moeten doormaken. Schrijven is in dit geval louter het proces waarbij je de littekens in herinnering brengt die in je geheugen zijn achtergebleven nadat daar een grote brand heeft gewoed.
Littekens kunnen pijnlijk blijven, al zijn het slechts de overblijfselen van een wond, maar dat is op geen enkele manier te vergelijken met ‘in het hier en nu’ verse brandwonden of andere kwetsuren oplopen, en dat geldt al helemaal wanneer dat ‘hier en nu’ in feite je kindertijd is.
Als kind zie je de dingen niet zoals ze werkelijk zijn; alles wordt verfraaid, gebagatelliseerd of opgeblazen tot afschuwwekkende proporties. De kindertijd is de periode van overtrokken reacties op het bestaan, op het feit dat je leeft, op gevoelens, op dromen zelfs.
Dat is precies de reactie die ik had toen ik die periode van mijn leven terug wilde haalde. In grote lijnen lijkt het de ruwe schets van een nachtmerrie, aangezien ik me de verschillende aspecten van de verhaallijn en de bijbehorende voorvallen op een heel andere manier herinnerde dan ik de gruwelen destijds had beleefd, waarbij ik echt het gevoel had dat ik stikte, en vruchteloze pogingen deed om me aan de greep ervan te ontworstelen.
Ik kan me nog altijd de dag herinneren waarop ik echt wist te ‘ontsnappen’ aan die barbaarse omgeving. Mijn grootmoeder, net zo min een echte moeder voor me als haar dochter, bleef trouw aan haar onbuigzaamheid en haar allesbehalve vrouwelijke aard, terwijl mijn grootvader een zwakke stem bleef houden en astmatisch bleef.
Zij en hun familieleden zouden me altijd vreemder zijn dan de eerste de beste vreemdeling die ik tegenkwam tijdens mijn dagelijkse wandeling van en naar school (al had mijn grootmoeder me op het hart gedrukt dat ik met niemand mocht praten, wat er ook gebeurde). Zelfs die goede raad was vernederend; ik had het gevoel dat ze zich op een bepaalde manier zorgen maakten om mijn maagdelijkheid, alsof ik een meisje was. Hoe pijnlijk bleken dergelijke woorden, als spijkers die in je waardigheid worden geslagen!
En als woorden toen al een dergelijk effect konden sorteren, wat dan te denken van daden, de vernederingen die je dag in dag uit moest ondergaan in de klas, op school, in de straten van het kleine plaatsje, en zelfs in de straten van ons dorp, waar de boerenjongens de ‘vreemdeling’ met de witte huid en de groene ogen behandelden alsof hij op de een of andere manier minder mannelijk was dan zij!
Ik ben letterlijk weggelopen. Op een dag besloot ik te vertrekken, gewoon door te lopen, dag en nacht, totdat ik mijn echte vader en moeder zou hebben gevonden. Ik werd echter gesnapt door nieuwsgierige mensen in het naburige dorp, en ik werd weer naar huis gestuurd. Daar kreeg ik het allerergste pak slaag dat ik ooit heb gekregen van mijn grootmoeder of van haar dochter, mijn eigen moeder.
In deze onmetelijke zee van venijn en pure ellende waren er twee dingen die voorkwamen dat ik ten prooi viel aan ziekten en waarschijnlijk zou zijn gestorven.
Het eerste was dat ik voortdurend dagdroomde. Of ik nou in de klas zat of moederziel alleen de lange weg van en naar school aflegde, of dat ik probeerde mijn huiswerk te maken bij het licht van een primitieve olielamp, met een oude stoel als bureau, ik droomde dat ik dingen ontdekte of uitvond, dat ik heel rijk werd, dat ik machtig was als een koning of als de graaf van Monte-Cristo, dat ik een goochelaar of een muzikant was.
Ik droomde er nooit van schrijver te worden, niet alleen omdat ik op die leeftijd geen flauw benul had van het belang van schrijvers, maar ook omdat zoiets, zelfs als ik me daar wel van bewust was geweest, nooit deel zou hebben uitgemaakt van mijn dagdromen omdat schrijvers zo weinig invloed hadden in een maatschappij als de onze. Ze kunnen nooit zo machtig worden als een koning, of rijk als een koopman of zelfs een dief. In plaats daarvan blijven ze even machteloos als ik destijds was, ze zijn niet in staat een fatsoenlijk inkomen te vergaren en wijden zich geheel aan een baantje als boekenwurm en aan betekenisloze woorden.
Het tweede waren de verhalen die mijn overgrootmoeder me vertelde. Het was een heel oud, rimpelig iemand, en hoewel me werd verteld dat ze negentig was, stond ze dichter bij mij en mijn kinderwereld dan elk van de overige bewoners van het huis.
Ze was dol op suiker, maar dat mocht ze niet hebben, zelfs niet in haar koffie. Dus smokkelde ik suiker voor haar naar binnen, en soms sigaretten. In ruil daarvoor mocht ik op haar smalle schoot zitten en vertelde ze me uitvoerig hoe het leven er zeventig jaar geleden uit had gezien, of hoe het er over 120 jaar uit zou zien.
Ze vertelde dat onze familie ‘heel rijk’ was geweest, dat zij getrouwd was geweest, dat ze de koningin van onze stam was geweest omdat families destijds heel groot waren en iedereen bij elkaar woonde, naast elkaar, soms zelfs een hele straat vol familie. Ze maalden graan voor iedereen, kookten voor de hele familie en deden alle was in een keer.
Ze vertelde me niet alleen tot in de kleinste details over het dagelijks leven en alle verschillende persoonlijkheden binnen de familie, zowel slechte als goede mensen, maar ze zong ook oude Egyptische volksliedjes voor me. Daar zaten liedjes bij voor de doden en voor huwelijksceremonieën, van zowel bedoeïenen als kopten, liedjes voor werk op het land en zelfs liedjes voor de besnijdenisrituelen van de jongetjes binnen de familie; eigenlijk liedjes voor elke denkbare gelegenheid. Dat alles had een grote invloed op mijn verbeelding. Als schrijver kan ik slechts hopen dat ik op een dag kan gaan zitten en een beeld kan schetsen van die kleurrijke, prachtige en wonderlijke periode in het Egyptische en Arabische leven met al zijn gebruiken.
Zoals gezegd zou ik waarschijnlijk zijn gestorven zonder deze twee ontsnappingsmogelijkheden. In feite waren het geen echte ontsnappingsmogelijkheden, maar het verleden of de toekomst. Waar het om gaat is dat ze voor mij het enige echte heden vormden, de enige momenten waarop ik echt leefde. Het waren de momenten waarop ik echt het gevoel had te bestaan en voelde wat een gelukkig kind voelt.
De rest, het leven zoals het werkelijk was, was niet meer dan een onophoudelijke ontsnapping aan het bestaan, aan de ellende van de realiteit.
Dit alles kan wellicht verklaren waarom het me niet echt verbaasde dat alleen al het idee terug te denken aan mijn jeugd me letterlijk ziek maakte. Mijn jeugd kan worden gezien als de meest wezenlijke kernoven van mijn bestaan.
Ik heb alleen gebruik kunnen maken van de energie die een dergelijke jeugd me heeft gegeven door mezelf die te ontzeggen. Ik wend die energie alleen aan om tegen dergelijke herinneringen te vechten en niet om ze naar boven te halen.
Ik maak er gebruik van omdat het me stimuleert om te schrijven, te creëren en ervoor te vechten dat niet nog meer mensen, en met name kinderen, de dingen moeten ondergaan die ik me nog kan herinneren. Ik zie er het nut niet van in om me echt in het vuur van de oven te wagen en alles weer op te rakelen. Ik zal nooit over mijn jeugd schrijven; het is onmenselijk pijnlijk om dat te doen.
Anderzijds kan ik niet ontkennen dat ik zonder die jeugd nooit schrijver zou zijn geworden. En dus ben ik er dankbaar voor, maar ik zal hem eeuwig blijven vervloeken! Men mag mij mijn carrière en mijn aanzien afnemen, al was ik de beste schrijver die de mensheid ooit heeft gekend, in ruil voor een moment, één moment, van mijn verloren jeugd. Ik zou er zonder de geringste aarzeling mee akkoord gaan.
Een gelukkige jeugd is iets dat nooit heroverd of herbeleefd kan worden, ongeacht de positie die je later weet te bereiken of het geluk dat je anderen kunt schenken door paradijzen te creëren, al dan niet echt. Wat is het nut van de hel, zelfs als hij de rol vervult paradijzen te creëren? Hij blijft evengoed branden, en de hitte die hij afgeeft veroorzaakt nog altijd intense pijn.
Dit is dus in grote lijnen mijn leven als kind. Het is eenzelfde soort patroon dat opgetekend zou kunnen worden wanneer je de achtergrond van een misdadiger of een genie zou natrekken. Ik was zo fortuinlijk dat ik schrijver ben geworden. Maar dat is domweg een kwestie van geluk. Het was een zegen dat die jeugd van me een ongelooflijk verlangen in me wakker maakte om iets te bereiken, om de wereld waarin ik als kind had geleefd te veranderen, al zou dat het enige zijn wat ik deed.
De langste reis van mijn leven was de periode tussen mijn 16e en mijn 21e. Daarna heb ik voortdurend een stuk van de weg afgesneden. Als een van de meest hardwerkende leerlingen werd ik toegelaten tot de studie medicijnen. Op de universiteit kon ik mijn oprechte verlangen bevredigen me in medicijnen en wetenschap te verdiepen.
Ondertussen was ik ook politiek betrokken geraakt en maakte ik me sterk voor een zelfstandig Egypte. Nadat ik tot de ontdekking was gekomen dat ik niet de enige was die had geleden, was ik vastbesloten de toekomst van Egypte te veranderen en te zorgen dat het land een andere koers zou inslaan.
Later, toen ik tot de ontdekking kwam dat andere landen in de Arabische wereld, en zelfs ook in andere delen van de wereld, met dezelfde problemen kampten, zette ik me in voor de nationalistische beweging tegen de Britse overheersing van Egypte, waarmee ik me aansloot bij de eis van liberalen over de gehele wereld om verlost te worden van armoede, tirannie en lijden.
Terwijl ik krantjes en revolutionaire pamfletten schreef kwam ik al vrij vroeg tijdens mijn carrière als medicijnenstudent tot de ontdekking dat ik eigenlijk voor schrijver in de wieg was gelegd, en dan met name schrijver van korte verhalen en toneelstukken. Dus nam ik afscheid van mijn toekomst als arts en legde me volledig toe op het schrijven. Na dertig jaar schrijverschap en de publicatie van drieëndertig boeken, zie ik geen grote verschillen tussen de wereld waartegen ik heb gestreden en de wereld zoals die nu is. Er is echter wel een enorm verschil tussen de wereld waar ik van droomde en de wereld waarin ik me blijk te bevinden.
Dat zou de reden kunnen zijn dat ik nog altijd schrijf. Of, als ik naar mijn allerdiepste emoties luister, de reden dat ik het gevoel heb dat ik nog moet beginnen met schrijven.”
Yusuf Idris 15 november 1983
Vertaald uit het Engels door Nicolette Hoekmeijer

Reageer