Gabriela Adameşteanu In gesprek over haar werk
Andreea Chebac praat met Gabriela Adameşteanu over de invloed die de val van Ceauşescu in 1989 op haar heeft gehad, als journaliste en als literair schrijfster, over de betekenis van vertalingen en de moeilijkheid van historische gebeurtenissen in romans.
Dit interview is op 24 februari 2011 op Bookblog.ro gepubliceerd.
Andreea Chebac: Waarom hebt u ervoor gekozen om naast het werken aan uw literaire oeuvre ook sociale journalistiek te bedrijven?
Gabriela Adameşteanu: In 1990, toen ik mijn intrede deed in de journalistiek, had ik een dubbel gevoel: aan de ene kant had ik een sterk plichtsbesef omdat er mensen voor de bevochten vrijheid waren gestorven en wij degenen waren die ervan profiteerden, en aan de andere kant werd het jaar 1990 gedomineerd door allerlei onrust, mijnwerkersrellen en andere zaken die het bewijs waren van een politieke instabiliteit die alle kanten op zou kunnen gaan. Er waren stemmen nodig. En waarschijnlijk was er nog een persoonlijke beweegreden: niemand had ervaring met echte journalistiek: de journalistiek die in vrijheid wordt bedreven.
AC: Waarom bent u gestopt met werken voor het tijdschrift 22, waarvan u jarenlang hoofdredacteur was geweest?
GA: Ik ben daar dertien jaar hoofdredacteur geweest. Op het moment dat ik vertrok, was ik erachter gekomen dat journalistieke onafhankelijkheid zo zijn beperkingen kent, dat er binnen iedere groep verschillende belangen bestaan en bovendien wilde ik me opnieuw gaan richten op de literatuur. Er speelde ook iets anders, ongetwijfeld het gevolg van een opeenhoping van dingen. Ik botste gewoon met de toenmalige uitgever van het tijdschrift. Op dat moment vertegenwoordigde ik niet langer de opvattingen van de groep [Het tijdschrift wordt uitgegeven door de Groep voor Sociale Dialoog, vert.].
AC: Heeft uw literatuur sociale implicaties?
GA: Ja. Misschien ben ik maatschappelijk betrokken doordat ik in een maatschappij heb geleefd die heel veel sociale problemen verhulde achter een feestmasker. De journalistiek was voor mij een uitbreiding van die maatschappelijke betrokkenheid. Mijn verzameling korte verhalen Zomer-Voorjaar maakt deel uit van een journalistiek project. In die tijd werden er reportages gemaakt die volkomen gefabriceerd waren, terwijl ik ‘genrescènes’ probeerde te schrijven: een soort momentopnamen, als een videoregistratie of als een kiekje, waarin zeer uiteenlopende sociale thema’s werden aangesneden. Een van die scènes gaat bijvoorbeeld over zwangerschapsonderbrekingen en heet Korte opname. Daarin wordt niet openlijk over abortus gesproken, we hebben alleen de dialogen tussen vrouwen in een ziekenzaal weergegeven. Tussen de regels door komt het menselijk drama echter naar voren. Dat is mijn journalistieke kant, waarvan ik vóór 1990 slechts had gedroomd en waar ik toen niets mee heb kunnen doen.
AC: Ik heb een interview met u gelezen waarin u hebt gezegd dat er in het buitenland niet veel belangstelling is voor de Roemeense literatuur en dat erg weinig mensen vertaalde boeken van Roemeense auteurs kopen. Als dat de situatie is, moeten Roemeense auteurs dan nog wel hun best doen om in het buitenland gepubliceerd te worden?
GA: Dat interview stamt waarschijnlijk uit de periode 2005-2006… Sindsdien heb ik een hoop geleerd en bovendien is de situatie verbeterd. Er worden veel meer boeken van Roemeense auteurs gepubliceerd, mede dankzij de programma’s van het Roemeens Cultureel Instituut, al wil dat nog niet zeggen dat de Roemeense literatuur in het buitenlandr bestsellers oplevert. De situatie is echter niet langer zoals in 2004-2005, ook al is het nog steeds zo dat Roemenen in het buitenland nauwelijks Roemeense literatuur kopen.
AC: Uw boeken zijn in een groot aantal talen vertaald. Hebt u het gevoel dat u hebt bereikt wat u wilde?
GA: Verspilde ochtend zal in tien talen worden vertaald. Dat is niet iets wat ik had verwacht. Toen ik nog niet reisde en nooit buiten Roemenië kwam, had ik nooit gedroomd dat ik vertaald zou kunnen worden, net zomin als ik er ooit over dacht dat ik naar Mars zou gaan. Dat kwam als even onwaarschijnlijk op mij over. Ik kan niet zeggen dat ik met mijn armen over elkaar heb gezeten en dat de vertaalcontracten uit de lucht zijn komen vallen, ik heb mijn boeken zelf aan uitgevers en vertalers gestuurd, ik heb contacten gelegd. Wanneer er een boek van je verschijnt in Roemenië en het goed wordt ontvangen door de lezers en de recensenten, ben je gerustgesteld, maar wanneer je wordt vertaald, zeg je ‘mijn inspanningen zijn niet voor niets geweest’. Als schrijver ben je voortdurend bezorgd dat je werk misschien niet goed gelukt is, het boek is altijd mooier in je gedachten dan in de vorm waarin je het op papier hebt gezet. Bovendien is het zo dat in zekere zin iedereen schrijft, en steeds meer mensen publiceren, maar niemand wil lezen.
AC: Waarom zitten er zulke lange pauzes tussen het verschijnen van uw romans?
GA: In het algemeen zit er vier à vijf jaar tussen twee boeken, maar op een gegeven moment, na ‘89, heb ik een pauze genomen van dertien jaar. Ik wist zeker dat ik wel weer zou gaan schrijven, maar waarschijnlijk roept een zo lange pauze vraagtekens op. Het vergt veel concentratie om een boek zo goed te krijgen als in mijn vermogen ligt. Daarbij is het zo dat ik, voordat ik met een boek begin, behoefte heb aan een lange tijd van meditatie. Ik haast me niet, ik weet niet waarom ik me niet haast, de klassieke carrière van een schrijver die het ene boek voltooit en al in de startblokken staat voor het volgende is gewoon niet mijn stijl. Ik wil vrij zijn!
AC: Is uw perfectionisme een verklaring voor het feit dat u de romans die u hebt gepubliceerd steeds herschrijft?
GA: Waarschijnlijk wel. De eerste keer dat ik zag dat een roman was herschreven was bij een nieuwe uitgave van De verkwisters van Marin Preda. En ik was daar helemaal niet blij mee. En toch heb ik dat op ‘schandalige’ wijze zelf gedaan bij De ontmoeting, aanvankelijk een kort verhaal dat ik in 2003 heb omgevormd tot een roman, in 2007 heb herschreven met een andere opzet, en voor de editie van 2008 nog wat heb geretoucheerd. Maar deze versie is definitief en ik blijf er verder af. De reden voor het herschrijven van deze roman was dat ik na 2000, nadat de dossiers [van de veiligheidsdienst, vert.] zijn opengegaan, over andere informatie beschikte. Het is niet zo dat de lotsbestemming van de personages is veranderd, maar ik kreeg bewijzen in handen, waaronder mondelinge bewijzen omtrent het lot van sommige personages. Aanvankelijk was het boek gecodeerd en waren er pagina’s geschrapt door censuur en zelfcensuur, dus hier zit zelfs voor mij een discutabele kant aan. Bovendien vraag ik me soms af: ‘Is deze passage niet te lang?’ Ik heb het idee dat de boekenconsument ook is veranderd. Je schrijft dan wel niet voor de lezers, maar je probeert wel met hen mee te denken.
AC: Bent u nu bezig met een nieuwe roman?
GA: Ja, de roman Voorlopigheid was eerder voltooid dan ik me had voorgenomen. Voorlopigheid heb ik in werkelijkheid geschreven tussen 2004 en 2010. In 2006 heb ik voor dat boek een hoofdstuk geschreven dat ik aan het einde wilde plaatsen. Daarna besefte ik echter dat dat hoofdstuk in feite het begin was van een roman en dat het buiten mijn wil om op papier was gekomen - dat is een van die aangename verrassingen die dit vak voor je in petto heeft…
AC: Vindt u dat Roemeense schrijvers meer betrokken zouden moeten zijn op sociaal gebied?
GA: Iedereen moet doen wat hij wil. Ze zouden vaker hun gezicht moeten laten zien, maar wij hebben geen traditie op dat gebied en we moeten ook niet teruggrijpen op de traditie uit de communistische tijd toen de schrijvers de fabriek in werden gestuurd. Wat sociale vraagstukken betreft, zou het goed zijn wanneer ze betrokkenheid toonden, als de schrijvers tenminste niet zelf gezien moeten worden als een sociale categorie, want ze hebben het zo moeilijk en hun inkomsten zijn zo gering …
AC: Als een schrijver zich in het algemeen ergens voor zou moeten inzetten, waar zou u zich dan voor inzetten?
GA: Ik heb één enkele essentiële morele waarde voor mijn boeken: de waarheid vertellen - zoals ik die zag uiteraard, want er bestaan veel waarheden. Geen leugens vertellen, dat was waar het om draaide. Je kunt je vergissen, maar als schrijver moet je erg oppassen dat je niet liegt. Als journaliste ben ik subjectief geweest. Maar als prozaschrijver heb je de buitenkans om ook de waarheid van anderen te presenteren, voor zover je daartoe in staat bent.
AC: Kunt u mij iets vertellen over de lezing die u hebt gehouden: ‘Over hoe ik Verspilde ochtend en Voorlopigheid heb geschreven’?
GA: Ik heb vooral verteld hoe ik ben uitgegaan van het idee voor een kort verhaal en hoe ik ben uitgekomen bij een dikke roman als Verspilde ochtend. Aanvankelijk draaide het alleen om het personage Vica Delcă, en omdat ik half zo oud was als mijn personage, heb ik me goed moeten documenteren en veel moeten lezen. Ik richtte me toen in de eerste plaats op een andere taal, ik heb een ander taaltje geleerd, het taaltje van Vica. Inmiddels weet ik dat de roman bijzonder moeilijk te vertalen is. Vanuit dat opzicht is Vica een ramp. In die tijd nam ik regelmatig de bus en wanneer ik ‘Vica’ dan hoorde praten, kon ik nauwelijks mijn lachen inhouden. Daarnaast heb ik veel research moeten doen voor het historische gedeelte. Wat Voorlopigheid betreft, daar is het andersom gebeurd, want ik was nu twee keer zo oud als mijn personage en hoe vreemd het ook klinkt, ik heb toen zelfs met betrekking tot de communistische periode research moeten doen. Bij beide boeken heb ik me erg veel zorgen gemaakt over de historische informatie, of die wel correct was. Ik heb mezelf beloofd dat als ik ooit nog een boek schrijf, het zich niet in verschillende tijdperken zal afspelen. Het was vreselijk moeilijk om alles in elkaar te laten passen, en bovendien: als ik het voor de derde keer doe, wordt het een maniertje.
Uit het Roemeens vertaald door Jan Willem Bos

Reacties (1)
Ey met toeval zag ik net jou artikel en ikke ben erg geboeid. Er zitten een ontzettende boel uren in de website, toch? Bedankt.