<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<feed xmlns="http://www.w3.org/2005/Atom">
    <title>Schwob</title>
    <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.schwob.nl/" />
    <link rel="self" type="application/atom+xml" href="http://www.schwob.nl/atom.xml" />
    <id>tag:www.schwob.nl,2011-01-24://8</id>
    <updated>2012-02-07T15:01:25Z</updated>
    <subtitle>Onvertaalde literatuur uit alle windstreken</subtitle>
    <generator uri="http://www.sixapart.com/movabletype/">Movable Type Pro 5.12</generator>

<entry>
    <title>Damion Searls - Schwob Medewerkers</title>
    <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.schwob.nl/medewerkers/damion-searls.php" />
    <id>tag:www.schwob.nl,2012:/medewerkers//4.115</id>

    <published>2012-02-02T10:24:37Z</published>
    <updated>2012-02-07T15:01:25Z</updated>

    <summary>Damion Searls is een Amerikaanse schrijver en vertaler uit het Duits, Frans, Noors en Nederlands. Hij vertaalde een groot aantal Europese schrijvers die tot de moderne wereldliteratuur horen, waaronder Proust, Rilke, Robert Walser en Nescio. </summary>
    <author>
        <name>Damion Searls</name>
        <uri>http://www.schwob.nl/medewerkers/damion-searls.php</uri>
    </author>
    
    
    <content type="html" xml:lang="en" xml:base="http://www.schwob.nl/medewerkers/">
        <![CDATA[<p>Damion Searls is een Amerikaanse schrijver en vertaler uit het Duits, Frans, Noors en Nederlands. Zijn essays zijn onder andere verschenen in <em>Harper&#8217;s, The Believer, n+1</em> en <em>Bookforum</em>. Hij vertaalde een groot aantal Europese schrijvers die tot de moderne wereldliteratuur horen, waaronder Proust, Rilke, Robert Walser, Ingeborg Bachmann, Peter Handke, Jon Fosse, Christa Wolf en Nescio. </p>
]]>
        <![CDATA[<p>Zijn vertaling van Hans Keilson&#8217;s <em>Komödie in Moll</em> werd een van de &#8216;Notable Books of 2010&#8217; in de <em>New York Times</em> en genomineerd voor de &#8216;National Book Critics Circle Award&#8217;.  Hij woont met zijn echtgenote en zoon in Brooklyn, New York. 
<a href="http://www.damionsearls.com">www.damionsearls.com</a></p>
]]>
    </content>
</entry>

<entry>
    <title>Europese Literatuurprijs - Schwob Nieuws</title>
    <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.schwob.nl/nieuws/europese-literatuurprijs.php" />
    <id>tag:www.schwob.nl,2012:/nieuws//2.114</id>

    <published>2012-02-01T10:46:27Z</published>
    <updated>2012-02-02T09:55:26Z</updated>

    <summary>De longlist voor de Europese Literatuurprijs 2012 is vandaag bekend gemaakt. Elf zelfstandige Nederlandse en Vlaamse boekhandels selecteerden de twintig beste titels uit het aanbod van in 2011 verschenen vertaalde Europese romanliteratuur. De prijsuitreiking zal begin september, tijdens Manuscripta 2012 plaatsvinden.</summary>
    <author>
        <name>Alexandra Koch</name>
        
    </author>
    
    
    <content type="html" xml:lang="en" xml:base="http://www.schwob.nl/nieuws/">
        <![CDATA[<p>De longlist voor de Europese Literatuurprijs 2012 is vandaag bekend gemaakt. Elf zelfstandige Nederlandse en Vlaamse boekhandels selecteerden de twintig beste titels uit het aanbod van in 2011 verschenen vertaalde Europese romanliteratuur. De prijsuitreiking zal begin september, tijdens Manuscripta 2012 plaatsvinden.</p>
]]>
        <![CDATA[<p>De volgende twintig titels zijn genomineerd (in alfabetische volgorde op naam van de auteur):</p>

<ul>
<li><em>Alsof het voorbij is</em> door Julian Barnes, vertaald uit het Engels door Ronald Vlek (Atlas)</li>
<li><em>De begraafplaats van Praag</em> door Umberto Eco, vertaald uit het Italiaans door Yond Boeke &amp; Patty Krone (Prometheus)</li>
<li><em>Vertel hun over veldslagen, koningen en olifanten</em> door Mathias Enard, vertaald uit het Frans door Katrien Vandenberghe (De Arbeiderspers)</li>
<li><em>Geluk als het geluk ver te zoeken is</em> door Wilhelm Genazino, vertaald uit het Duits door Gerrit Bussink (Atlas)</li>
<li><em>Tsjik</em> door Wolfgang Herrndorf, vertaald uit het Duits door Pauline de Bok (Cossee)</li>
<li><em>De kaart en het gebied</em> door Michel Houellebecq, vertaald uit het Frans door Martin de Haan (De Arbeiderspers)</li>
<li><em>De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween</em> door Jonas Jonasson, vertaald uit het Zweeds door Corry van Bree (Signatuur)</li>
<li><em>Een noodlottig diner</em> door Ismail Kadare, vertaald uit het Albanees door Roel Schuyt (Van Gennep)</li>
<li><em>Vader</em> door Karl Ove Knausgård, vertaald uit het Noors door Marianne Molenaar (De Geus)</li>
<li><em>Zeezwijgen</em> door Nicol Ljubic, vertaald uit het Duits door Nelleke van Maaren (Babel &amp; Voss)</li>
<li><em>Asan</em> door Vladimir Makanin, vertaald uit het Russisch door Gerard Cruys (De Arbeiderspers)</li>
<li><em>Geschiedenis van een gevallen engel</em> door Henning Mankell, vertaald uit het Zweeds door Clementine Luijten (De Geus)</li>
<li><em>C</em> door Tom McCarthy, vertaald uit het Engels door Auke Leistra (De Bezige Bij)</li>
<li><em>De horizon</em> door Patrick Modiano, vertaald uit het Frans door Maarten Elzinga (Querido)</li>
<li><em>De nacht der tijden</em> door Antonio Mun͂oz Molina, vertaald uit het Spaans door Tineke Hillegers-Zijlmans &amp; Frieda Kleinjan-van Braam (De Geus)</li>
<li><em>Het Mussolinikanaal</em> door Antonio Pennacchi, vertaald uit het Italiaans door Mieke Geuzebroek &amp; Pietha de Voogd (De Bezige Bij)</li>
<li><em>Vervolging</em> door Alessandro Piperno, vertaald uit het Italiaans door Rob Gerritsen (Contact)</li>
<li><em>De waarheid omtrent Marie</em> door Jean-Philippe Toussaint, vertaald uit het Frans door Marianne Kaas (Prometheus)</li>
<li><em>Smeltend ijs</em> door Ilija Trojanow, vertaald uit het Duits door José Rijnaarts (De Geus)</li>
<li><em>Waarom gelukkig zijn als je normaal kunt zijn?</em> door Jeanette Winterson, vertaald uit het Engels door Maarten Polman (Contact)</li>
</ul>

<p>De Europese Literatuurprijs wordt in 2012 voor de tweede keer uitgereikt en bekroont de beste roman die in 2011 vanuit een Europese taal naar het Nederlands werd vertaald. De winnaar van vorig jaar was <em>Drie sterke vrouwen</em> van Marie NDiaye, vertaald door Jeanne Holierhoek. De prijs bestaat uit een geldbedrag van € 10.000 voor de schrijver van het bekroonde boek. Bijzonder is ook dat de vertaler van het bekroonde boek in de prijzen valt: hij of zij ontvangt een bedrag van € 2.500.</p>

<p>De shortlist wordt bekendgemaakt op een feestelijke avond in Spui25, en wel op donderdag 10 mei a.s. Deze avond vormt tegelijkertijd het startpunt van de <em>Vertalersgeluktournee</em>: de vertalers van de vijf voor de shortlist genomineerde titels trekken in mei en juni door het land om te vertellen over het literair vertalersvak en het vertalen van de genomineerde titel.</p>
]]>
    </content>
</entry>

<entry>
    <title>Grensplaats - Schwob Fragmenten</title>
    <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.schwob.nl/fragmenten/grensplaats.php" />
    <id>tag:www.schwob.nl,2012:/fragmenten//6.113</id>

    <published>2012-01-20T15:33:42Z</published>
    <updated>2012-01-20T16:15:31Z</updated>

    <summary>Samen gingen ze buiten op de rand van het klif in de maneschijn zitten, waar de oude schipper verder vertelde. Over hoe lief haar arme moeder was geweest. Over hoe koppig haar arme moeder kon zijn. Cuicui luisterde ademloos. Ze zat met haar armen om haar opgetrokken knieën, tegen haar grootvader aan, en vroeg hem om nog meer verhalen over die arme moeder van haar. Af en toe slaakte ze een zucht, alsof er iets zwaars op haar hart lag dat ze zo weg wilde drukken; maar met een zucht kreeg ze dat niet gedaan.</summary>
    <author>
        <name>Mark Leenhouts</name>
        <uri>http://www.schwob.nl/medewerkers/mark-leenhouts.php</uri>
    </author>
    
    <category term="china" label="China" scheme="http://www.sixapart.com/ns/types#tag" />
    
    <content type="html" xml:lang="en" xml:base="http://www.schwob.nl/fragmenten/">
        <![CDATA[<p>Bij schemerval zat Cuicui onder de witte pagode achter het huis, kijkend naar de wolkensluiers die door de ondergaande zon perzikroze werden gekleurd. De veertiende was marktdag in Zhongzhai, veel kooplui uit de stad trokken erheen om bergproducten te kopen, dus waren er ook veel overstekers; grootvader had op het pontje geen ogenblik rust. Weldra zou het donker zijn, de gevederde wereld leek al op stok, behalve de koekoek - die hield geen ogenblik stil. Rotsen, aarde, bomen en planten, alles was de hele dag door de zon geblakerd en alles gaf op dit moment een klamme warmte af. Je rook de aarde, je rook de planten, je rook zelfs de kevers. Cuicui keek naar de rossige wolken, luisterde naar het geroezemoes van de reizende kooplui op het veer, en voelde een lichte mistroostigheid over zich neerdalen.</p>
]]>
        <![CDATA[<p>De schemer was even zacht, mooi, vredig als altijd. Toch zou ieder ander in haar plaats zich even mistroostig hebben gevoeld - dit was het moment waarop de dagen pijn deden. Cuicui had het gevoel dat er iets miste. Dat de tijd te snel voorbijging en dat er iets moest gebeuren om hem tegen te houden, vast te houden, maar wat? Het leven was zo&#8217;n sleur, zo&#8217;n ondraaglijke sleur.</p>

<p>&#8216;Ik vaar gewoon naar Taoyuan, helemaal over het Dongtingmeer, en laat opa overal naar me zoeken. Ik laat hem met een fakkel de stad afgaan en op een gong slaan om me te roepen.&#8217;</p>

<p>Ze ging op in haar verbeelding, alsof ze een diepe wrok tegen haar grootvader koesterde, stelde zich zelfs voor hoe hij na lang dolen en speuren uiteindelijk radeloos in zijn boot zou neervallen.</p>

<p>Iemand zou roepen: &#8216;Ik moet over, meneer, wat is er aan de hand? Zo kunt u toch niet blijven liggen?&#8217;
<br>&#8216;Wat er is? Cuicui is weg, naar Taoyuan!&#8217;
<br>&#8216;En wat nu?&#8217;
<br>&#8216;Wat nu? Ik pak een mes, verstop hem in mijn bundeltje&#8230; en dan neem ik de boot en ga haar vermoorden!&#8217;</p>

<p>Ze schrok, alsof ze het gesprek echt had gehoord, en schel roepend om haar opa rende ze de helling af naar de rivier. Daar zag ze hem, midden op het water, op het pontje vol gedempt keuvelende mensen. Haar hart ging nog steeds als een bezetene te keer.</p>

<p>&#8216;Opa, opa, breng de boot aan de kant!&#8217;</p>

<p>De oude veerman begreep niet wat ze bedoelde, dacht dat ze het van hem over wilde nemen. &#8216;Wacht maar meisje,&#8217; zei hij, &#8216;ik kom zo.&#8217;</p>

<p>&#8216;Snel nou!&#8217;
<br>&#8216;Ik kom, ik kom!&#8217;</p>

<p>Ze ging op de oever zitten en keek over de in avondkleuren gehulde rivier. Onder de mensen op het pontje zag ze een roker met een vuursteenaansteker zijn pijp aanmaken, waarna hij met de lange pijpensteel tegen de rand van de boot tikte om de as eraf te slaan. Opeens moest ze huilen.</p>

<p>Toen grootvader even later aanmeerde, zag hij haar verdwaasd aan de waterkant zitten. Hij vroeg wat er was maar ze gaf geen sjoege. Ga het vuur voor het eten maar vast aansteken, zei hij. Cuicui dacht even na, vond het idioot dat ze had zitten huilen, en ging in haar eentje terug naar huis, waar ze in het pikdonker voor de oven hurkte. Toen het vuur brandde liep ze weer naar buiten tot aan de rand van het klif en riep haar grootvader dat hij thuis moest komen. Maar de oude schipper, die zijn werk heel serieus nam, wist dat iedereen voor het eten terug in de stad wilde zijn en zette liever één persoon over dan dat hij iemand moest laten wachten; voorlopig kwam hij dus nog niet aan wal. Vanaf de steven riep hij naar Cuicui dat hij nog even doorging en kwam eten zodra er geen mensen meer waren.</p>

<p>Cuicui drong aan, maar hij negeerde haar. Bedroefd zakte ze neer op het klif.</p>

<p>Het werd donker. In een flits schoot het blauwe lichtje van een grote vuurvlieg langs haar heen. &#8216;Kijk jou eens vliegen!&#8217; dacht ze, en met haar ogen volgde ze zijn glimmende staartje. De koekoek riep weer.</p>

<p>&#8216;Opa, waar blijf je nou? Kom!&#8217;</p>

<p>Grootvader, op de boot, hoorde haar aanhankelijke, nu zelfs klaaglijke stem en antwoordde bars: &#8216;Ik kom al, Cuicui, ik kom!&#8217; Terwijl hij intussen bij zichzelf dacht: &#8216;Meisje meisje, wat moet er toch van je worden als ik er straks niet meer ben?&#8217;</p>

<p>Toen de oude schipper thuiskwam was het pikdonker binnen, op de vlammen in de oven na. Hij zag Cuicui op het lage krukje voor de oven zitten, met haar handen voor haar ogen.
Pas toen hij dichterbij kwam begreep hij dat ze zo al een tijdje had zitten huilen. De hele middag had hij voorovergebogen de boot heen en weer geboomd, en nu hij klaar was deed alles hem zeer, zijn handen, zijn rug. Normaal gesproken rook hij bij thuiskomst de geur van gesmoorde groente in de pan, en kon hij Cuicui&#8217;s schim onder het lamplicht heen en weer zien schieten, druk bezig met het avondmaal. Vandaag was het anders.</p>

<p>&#8216;Ik ben wat later en je huilt al, dat kan toch niet, meisje? Wat als ik ooit dood ga?&#8217;</p>

<p>Cuicui zweeg.</p>

<p>&#8216;Niet huilen,&#8217; zei hij, &#8216;je bent groot nu, je mag niet huilen, wat er ook gebeurt. Je moet sterk zijn, flink zijn, anders hoor je hier niet op aarde thuis!&#8217;
Ze haalde haar handen van haar ogen en drukte zich tegen hem aan. &#8216;Ik huil al niet meer.&#8217;</p>

<p>Bij het eten, onder de olielamp, vertelde grootvader haar voor de afleiding wat verhalen, verhalen waarin ook haar overleden moeder voorkwam. Hij was al moe, maar dronk toch nog een half kommetje sterk, waardoor hij na het eten in een opgewekte stemming raakte. Samen gingen ze buiten op de rand van het klif in de maneschijn zitten, waar de oude schipper verder vertelde. Over hoe lief haar arme moeder was geweest. Over hoe koppig haar arme moeder kon zijn. Cuicui luisterde ademloos.</p>

<p>Ze zat met haar armen om haar opgetrokken knieën, tegen haar grootvader aan, en vroeg hem om nog meer verhalen over die arme moeder van haar. Af en toe slaakte ze een zucht, alsof er iets zwaars op haar hart lag dat ze zo weg wilde drukken; maar met een zucht kreeg ze dat niet gedaan.</p>

<p>Het maanlicht leek van zilver en zette alles in zijn gloed; het bamboe op de bergen stak er zwart bij af. In het gras en de struiken rondom hen klonk het getjirp van insecten, aanhoudend als dichte regen. Af en toe liet een grasvogel een roller horen, moeilijk te zeggen waarvandaan. Maar algauw leek het beestje te beseffen dat het zich op dit uur koest moest houden, waarna het zijn oogjes toekneep en kalmpjes insliep.</p>

<p>Grootvader, nog altijd in opperbeste stemming sinds de nacht was gevallen, ging verder met zijn verhalen. Hij vertelde Cuicui over het volkszingen in de stad, over hoe die traditie twintig jaar geleden vermaard was tot over de grenzen van Sichuan en Guizhou. Dat Cuicui&#8217;s vader de beste zanger van allemaal was en met talloze beelden kon laten zien hoe liefde en haat met elkaar verweven waren, ook dat vertelde hij haar. Dat Cuicui&#8217;s moeder zo van zingen hield en nog voor ze Cuicui&#8217;s vader kende al vraag- en antwoordliederen met hem zong - hij terwijl hij bamboe kapte op de berg, zij terwijl ze het pontje de rivier over boomde. Ook dat vertelde hij haar.</p>

<p>&#8216;En toen?&#8217; vroeg Cuicui. &#8216;En toen?&#8217;</p>

<p>&#8216;En toen?&#8217; zei grootvader. &#8216;Dat is een lang verhaal. Het voornaamste is dat jij door die liederen ter wereld bent gekomen.&#8217;</p>
]]>
    </content>
</entry>

<entry>
    <title>Yaşar Kemal - Schwob Nieuws</title>
    <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.schwob.nl/nieuws/yasar-kemal.php" />
    <id>tag:www.schwob.nl,2012:/nieuws//2.112</id>

    <published>2012-01-20T14:31:35Z</published>
    <updated>2012-01-24T11:17:20Z</updated>

    <summary>Vlak vóór het nieuwe jaar werd de schrijver Yaşar Kemal (1926) in het Franse consulaat in Istanbul geridderd tot Grand Officier dans l&apos;Ordre National de la Légion d&apos;Honneur. Het betekende een promotie voor Kemal, het pseudoniem van Kemal Sadık Göğçeli, die in 1983 al was benoemd tot de rang van commandeur.</summary>
    <author>
        <name>Hanneke van der Heijden</name>
        <uri>http://www.schwob.nl/medewerkers/hanneke-van-der-heijden.php</uri>
    </author>
    
    <category term="turkije" label="Turkije" scheme="http://www.sixapart.com/ns/types#tag" />
    
    <content type="html" xml:lang="en" xml:base="http://www.schwob.nl/nieuws/">
        <![CDATA[<p>Vlak vóór het nieuwe jaar werd de schrijver Yaşar Kemal (1926) in het Franse consulaat in Istanbul geridderd tot <em>Grand Officier dans l&#8217;Ordre National de la Légion d&#8217;Honneur</em>. Het betekende een promotie voor Kemal, het pseudoniem van Kemal Sadık Göğçeli, die in 1983 al was benoemd tot de rang van <em>commandeur</em>. Generaal Georgelin, die Kemal de orde opspeldde, vermeldde in zijn toespraak dat de auteur de op een na hoogste onderscheiding werd toegekend vanwege zijn &#8216;uitzonderlijke literaire werk en zijn grootmoedige verdediging van de rechten van minderheden, de culturele verscheidenheid en de interculturele dialoog&#8217;. Dat was een kwalificatie met een actuele dimensie, nu minderheden in Turkije steeds vaker van zich laten horen, en recentelijk de verhouding tussen de Turkse staat en het Koerdische zuidoosten weer op scherp is komen te staan.</p>
]]>
        <![CDATA[<p>De jurybeoordeling moet Kemal goed hebben gedaan, want in zijn lange carrière heeft de auteur steeds geprobeerd literatuur en sociaal engagement te combineren. &#8216;Het gaat erom welke kant je kiest,&#8217; zei hij in een interview in 2006. &#8216;Als een schrijver aan de kant van de kapitalisten staat, dan heeft hij voor mij afgedaan als mens, al schrijft hij desnoods beter dan Shakespeare.&#8217; Dat Kemal zelf altijd de kant van de zwakkeren heeft gekozen, is al duidelijk in zijn beroemde debuutroman, <em>Memed, mijn havik</em>. Hierin bindt een jongen de strijd aan met een grootgrondbezitter, hem uiteindelijk doodt en het land onder de dorpelingen verdeelt. Sociale ongelijkheid bleef een van de belangrijkste thema&#8217;s in de vele romans en korte verhalen die op zijn romandebuut volgden.</p>

<p>Maar Kemal beperkte zich niet tot romans en korte verhalen. Van 1951 tot 1963 schreef hij naast fictie ook reportages voor het dagblad <em>Cumhuriyet</em>, die de lezers raakten door hun levendigheid en grote sociale betrokkenheid. Het politieke bewind nam hem zijn aandacht voor die heikele onderwerpen niet in dank af. &#8216;Bij ons was de politiek er jarenlang op uit de waarheid toe te dekken, in plaats van die te onthullen,&#8217; zegt Kemal. Het verklaart, in combinatie met het gebrek aan onafhankelijke kranten, waarom de reportage het als genre in Turkije zo moeilijk heeft gehad.</p>

<p>Vorig jaar bracht <a href="http://www.ykykultur.com.tr/kitap/?id=2427">Kemals uitgever</a> een nieuwe selectie uit zijn reportages op de markt, voorzien van foto&#8217;s van fotojournalist Ara Güler. De bundel bestrijkt een groot scala onderwerpen: mensen die van pure armoede in grotten leven, dorpelingen die opzettelijk bosbranden veroorzaken om aan landbouwgrond te komen, of het leven van smokkelaars bij de grens met Syrië. Voor veel van zijn spraakmakende artikelen bracht Kemal lange tijd door met de mensen waarover hij schreef. Hij overnachtte in grotten, liep wekenlang door de bossen bij de Zwarte Zee, smokkelde zelf te paard zijden stoffen uit Syrië. Om door te kunnen dringen tot de kern van het verhaal, van de werkelijkheid, moet je met de mensen leven, echt leven, en vergeten dat je slechts als schrijver deel uitmaakt van hun leven, zegt hij in het voorwoord. Daarin verschilt, in zijn opvatting, een reportage van een nieuwsbericht, en daarin komt het overeen met literatuur. Kemal zelf is in de verhalen uitdrukkelijk aanwezig, maar als iemand die voortdurend in gesprek is met zijn omgeving. Kemals reportages staan dan ook vol dialogen - ook in dat opzicht betekenden ze een vernieuwing.</p>

<p>Kemals romans zijn in meer dan veertig talen verschenen - waarmee hij een van de meest vertaalde Turkse auteurs is - maar zijn reportages hebben in het buitenland nauwelijks aandacht gekregen. Hun actualiteit hebben ze nog niet verloren. Eind december verloren vijfendertig, merendeels jonge, mannen in Uludere, in Zuidoost- Turkije, het leven, toen het Turkse leger hen aanzag voor aanhangers van de PKK en een bombardement uitvoerde. Achteraf bleek dat het om een konvooi dorpsbewoners ging die brandstof smokkelden uit Irak. Een &#8216;familietraditie&#8217; zoals een van de oudere mannen uit het dorp later in de krant zei. Andere middelen van bestaan zijn er niet. De verslaggever beschreef een hachelijke tocht met muildieren dwars door mijnenvelden. Het was een kleine alinea in het geheel. Wie wil weten wat zo&#8217;n tocht, zo&#8217;n leven betekent, moet Kemals reportage lezen.</p>
]]>
    </content>
</entry>

<entry>
    <title>Westers gefilterd - Schwob Nieuws</title>
    <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.schwob.nl/nieuws/filter-met-kleine-gaatjes.php" />
    <id>tag:www.schwob.nl,2011:/nieuws//2.110</id>

    <published>2011-12-22T12:53:26Z</published>
    <updated>2012-01-24T12:39:14Z</updated>

    <summary>De manier waarop de Arabische titels veelal door Turkse uitgevers zijn geselecteerd onthult meteen dat de westerse invloed op de Turkse boekenmarkt niet beperkt blijft tot het grote aantal titels uit westerse landen. Turkse uitgevers hebben namelijk lange tijd de Arabische boekenmarkt niet rechtstreeks gevolgd, maar via de fondsen van Engelse, Amerikaanse en Franse uitgevers. Het handjevol Arabische titels dat in het Engels of Frans wordt vertaald, bepaalt daarmee in grote mate welke Arabische titels überhaupt een kans maken in Turkije te verschijnen.</summary>
    <author>
        <name>Hanneke van der Heijden</name>
        <uri>http://www.schwob.nl/medewerkers/hanneke-van-der-heijden.php</uri>
    </author>
    
    <category term="turkije" label="Turkije" scheme="http://www.sixapart.com/ns/types#tag" />
    
    <content type="html" xml:lang="en" xml:base="http://www.schwob.nl/nieuws/">
        <![CDATA[<p>Er wordt in Turkije heel wat af vertaald. Maar wie een Istanbulse boekhandel binnenloopt op zoek naar een roman of dichtbundel uit Syrië, Irak, Iran, Armenië, Georgië, Bulgarije of Griekenland, komt meestal van een koude kermis thuis. De buurlanden staan nauwelijks in de Turkse schappen. Eigenlijk zijn het vooral de <em>usual suspects</em> die de kasten vertaalde literatuur vullen - romans uit Engeland en Amerika, Frankrijk, Duitsland, de Russische negentiende-eeuwse klassiekers, een beetje Spaans en Italiaans. Hetzelfde dus zo ongeveer als wat er in een Nederlandse boekhandel aan vertaalde literatuur staat.</p>
]]>
        <![CDATA[<p>Om ook onbekende literatuur onder de aandacht te brengen kiest de Istanbulse boekenbeurs sinds kort jaarlijks een gastland. Deze keer was dat Egypte, het centrum van de Arabische boekenwereld. Het Arabische taalgebied mag aan Turkije grenzen, een enorm gebied bestrijken en eeuwenlang samen met het huidige Turkije deel hebben uitgemaakt van hetzelfde rijk, Arabische literatuur is nauwelijks bekend. Volgens een inventarisatie van onderzoeker Hakan Özkan zijn er de laatste twee decennia zo&#8217;n tien Arabische literaire titels per jaar in het Turks verschenen. Dat is weliswaar een toename vergeleken met de periode vóór 1988, toen Naguib Mahfouz de Nobelprijs kreeg. Maar als je bedenkt dat er in Turkije jaarlijks vele, vele honderden nieuwe literaire titels worden gepubliceerd, en dat minstens een derde daarvan vertaald is, is het toch een schamel beetje. </p>

<p>De manier waarop de Arabische titels veelal door Turkse uitgevers zijn geselecteerd onthult meteen dat de westerse invloed op de Turkse boekenmarkt niet beperkt blijft tot het grote aantal titels uit westerse landen. Turkse uitgevers hebben namelijk lange tijd de Arabische boekenmarkt niet rechtstreeks gevolgd, maar via de fondsen van Engelse, Amerikaanse en Franse uitgevers. Het handjevol Arabische titels dat in het Engels of Frans wordt vertaald, bepaalt daarmee in grote mate welke Arabische titels überhaupt een kans maken in Turkije te verschijnen. De uitgekozen boeken worden bovendien vaak uit die Europese talen in het Turks vertaald, in plaats van rechtstreeks uit het Arabisch. Wat dat betreft is er veel veranderd sinds de tweede helft van de negentiende eeuw, toen <em>Robinson Crusoe</em> - een van de eerste westerse romans die in Turkije uitkwam - niet rechtstreeks uit het Engels in het Turks werd vertaald, en evenmin via de Franse vertaling, maar uit het Arabisch.</p>

<p>Nu zijn de Franse, Engelse en Amerikaanse uitgeverijen een filterend doorgeefluik voor Arabische literatuur, een filter met heel kleine gaatjes. Turkse lezers vonden dat trouwens niet altijd een nadeel. De seculiere elite van de nieuwe Turkse republiek, die ook het culturele leven lang bepaalde, associeerde Arabische literatuur vaak met de islam en het Osmaanse verleden, en dat gold niet als aanprijzing. Dat een Arabische auteur zich al in het Westen had bewezen, was een geruststelling, een &#8216;stempel van goedkeuring uit een <em>Leitkultur</em>&#8217;, zoals Özkan het noemt. </p>

<p>Maar de Turkse boekenmarkt wordt heterogener, zoals het land zich ook politiek minder op het Westen alleen concentreert. Er is steeds minder sprake van één culturele elite - of misschien was dat al langer zo, maar wordt het geleidelijk aan ook onderkend. Turkije heeft tenslotte heel andere historische, politieke en culturele banden met de Arabische wereld dan het Westen. Met een selectie van wat er in het Westen verschijnt, kunnen uitgevers onmogelijk aan de behoeftes en interesses van het hele Turkse lezerspubliek beantwoorden.</p>
]]>
    </content>
</entry>

<entry>
    <title>Dunhuang - Schwob Fragmenten</title>
    <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.schwob.nl/fragmenten/dunhuang.php" />
    <id>tag:www.schwob.nl,2011:/fragmenten//6.109</id>

    <published>2011-12-20T12:49:12Z</published>
    <updated>2012-02-07T15:14:26Z</updated>

    <summary>Opeens werd Xingde wakker. Toen hij om zich heen keek, zag hij overal de figuren van slapende soldaten, nog steeds leunend tegen hun paarden en kamelen. Al die soldaten en paarden kwamen hem voor als een uit steen gehouwen beeldengroep die honderden, zo niet duizenden jaren geleden in deze uithoek van de woestijn was neergezet. Geen mens, geen paard, geen kameel bewoog. Ze leken volledig levenloos. Overweldigd door vermoeidheid en slaapgebrek was het ook Xingde te veel moeite om een vinger te verroeren.</summary>
    <author>
        <name>Jacques Westerhoven</name>
        <uri>http://www.schwob.nl/medewerker/jacques-westerhoven.php</uri>
    </author>
    
    <category term="japan" label="Japan" scheme="http://www.sixapart.com/ns/types#tag" />
    
    <content type="html" xml:lang="en" xml:base="http://www.schwob.nl/fragmenten/">
        <![CDATA[<h4>Voorwoord van de auteur (1978)</h4>

<p><em>Dunhuang</em> werd oorspronkelijk in 1959 gepubliceerd als een vijfdelig feuilleton in het literair maandblad <em>Gunzō</em>. Hoewel er sinds die tijd bijna twintig jaar zijn verstreken, heb ik Gansu, de Chinese provincie waarin de roman zich afspeelt, nooit met eigen ogen kunnen zien. Sterker nog, geen enkele moderne Japanse geleerde heeft ooit een bezoek gebracht aan Dunhuang, hoewel in Japan de academische belangstelling voor die stad sinds de Meiji-periode (1868-1912) zo groot is dat in universitaire kringen de term &#8216;Dunhuang-kunde&#8217; in algemeen gebruik is geraakt.</p>
]]>
        <![CDATA[<p>Vorig jaar, in 1977, maakte ik een reis die mij dicht in de buurt van Dunhuang bracht: ik had namelijk de gelegenheid om Xinjiang te bezoeken, het autonome Oeigoerengebied dat aan Gansu grenst en dat in oude tijden Xiyu, &#8216;het Westen,&#8217; werd genoemd. Ik kon toen niet naar Dunhuang, maar ik hoop dat de autoriteiten van de Chinese Volksrepubliek mij die gelegenheid snel zullen geven.</p>

<p>Deze roman is in elk geval geschreven zonder dat ik ooit in Dunhuang ben geweest of de Duizend Boeddha-grotten heb bezocht. Het zou zelfs kunnen dat hij is geschreven juist omdat ik er nooit ben geweest. Dit lijkt een logische paradox. Je zou denken dat je de plek waarover je een roman schrijft ook gezien moet hebben, maar inspiratie werkt op een heel andere manier.</p>

<p>Al sinds mijn studententijd lees ik graag boeken over Centraal-Azië, en in de loop der jaren heb ik door mijn verbeelding gevormde voorstellingen van de vestingsteden ten westen van de Gele Rivier, die gezamenlijk dienst deden als de toegangspoort tot dat onmetelijke woestijngebied, in mijn hoofd opgeslagen. Ook nu nog hebben deze beelden van de stadsmuren en de woestijn een merkwaardig tastbare realiteit voor me, hoewel ze uitsluitend het product waren van wat ik in die boeken had gelezen. Ik geloof dat de enige manier waarop ik fantasie van realiteit kan scheiden is daadwerkelijk een reis naar die streek te maken. Maar zelfs als ik dat ooit doe, denk ik niet dat ik mezelf genoodzaakt zal zien om die beelden grondig te herzien: na mijn reis naar Xinjiang vorig jaar hoefde ik maar weinig veranderingen aan te brengen in het visioen dat ik lange tijd van de Taklamakan-woestijn had gehad.</p>

<p>Dat visioen werd geïnspireerd door regels in oude kronieken, zoals deze:</p>

<blockquote>
  <p>Niet één vogel in de lucht,
Niet één dier zwerft over het land.
(Faxian, ca. 337- ca. 422)</p>
</blockquote>

<p>Of deze:</p>

<blockquote>
  <p>Botten van mensen en dieren
Dienen slechts als wegwijzers op de reis.
(Faxian)</p>
</blockquote>

<p>Of van deze regels van Xuanzang (602-664), die het beeld oproepen van half in het zand begraven ruïnes:</p>

<blockquote>
  <p>De ommuurde stad staat onaangedaan,
Geen wolkje rook van huis of haard.</p>
</blockquote>

<p>Uit de boeken die ik als student las, was ik al bekend met de enorme hoeveelheid onschatbaar waardevolle geschriften ontdekt in een van de Duizend Boeddha-grotten bij Dunhuang door Sir Aurel Stein, Paul Pelliot, en de Japanse expeditie geleid door Kōzui Ōtani, &#8212; geschriften die van geweldig belang zijn voor de cultuurgeschiedenis van onze wereld. De vragen die me toentertijd bezighielden waren de volgende: wanneer zijn die geschriften in de grot verborgen, waarom zo veel, en wat maakte het noodzakelijk om ze te verbergen? Er waren geen historische bronnen die mijn vragen beantwoordden, en geen enkele geschiedkundige meldde zich om zijn mening erover te geven.</p>

<p>Enige tijd nadat ik schrijver was geworden, kwamen de vragen waarover ik als student had nagedacht en die ik terzijde had geschoven en in mijn onderbewustzijn had opgeslagen onverwacht weer klaarhelder bij me terug als veelbelovend materiaal voor een roman. Ik begon de voorbereidingen voor dit boek in 1953, en gedurende de volgende vijf jaar snuffelde ik door allerlei geschiedkundige en literaire werken. Een tijd waar ik met veel genoegen op terugkijk.</p>

<p>Wanneer zijn die oude geschriften in de grot verborgen? Ik ontdekte dat de meest recente dateerden uit de regering van keizer Renzong (1022-1063) van de Song-dynastie. Hiervan uitgaande, kon ik alleen maar veronderstellen dat er rond die tijd een politieke of maatschappelijke omwenteling moet hebben plaatsgevonden. (In die veronderstelling was ik niet alleen; die werd door een aantal historici gedeeld.) Maar wat voor soort omwenteling? En waarom had zij plaatsgevonden? Het enige redelijke antwoord was: een invasie. Maar welke buitenlandse mogendheid speelde gedurende deze periode de hoofdrol in die streek? Xixia, ofwel de Westelijke Xia-dynastie, soms ook het Tangoet-keizerrijk genoemd. Het leek me daarom logisch dat het verbergen van de geschriften in verband stond met de verovering van de Chinese exclaves Shazhou en Guazhou<sup><a href="#voetnoot01" id="voetnoot-01-verwijzing">1</a></sup> door Xixia en de omverwerping van de Cao-familie, de machtige bestuurders van de westelijke grensgebieden. En mijn laatste overweging was dat de inhoud van de geschriften sterk suggereert dat de persoon die ze heeft verborgen een regeringsambtenaar was, of lid van een religieuze orde.</p>

<p>Ik heb grote moeilijkheden ondervonden, niet alleen om de identiteit op het spoor te komen van de politiek invloedrijke regent van Guazhou, maar ook in de algemene reconstructie van de geschiedenis van deze streek. Voor veel relevante feiten had ik weinig keus en heb ik de Geschiedenis van de Song (Tuotuo/Toktoghan, 1314-1355, et al.) moeten raadplegen, maar voor de kritieke tien jaren na 1026 heb ik geen enkele informatie kunnen vinden. Uiteindelijk besloot ik daarom de lacune die de historici hadden opengelaten in te vullen met een roman. Dunhuang past precies in de periode waarover de geschiedkundigen zwijgen. Het gegeven in de roman waarin de hoofdfiguur zakt voor een examen en dan wordt geronseld om dienst te nemen in Xixia is echter niet zomaar uit mijn duim gezogen om het verhaal op gang te brengen. Er bestaan kronieken die benadrukken dat Xixia wel degelijk scherp uitkeek naar intelligente jonge mannen die zakten voor het ambtenarenexamen en hen in dienst nam als regeringsadviseurs.</p>

<p>Yasushi Inoue</p>

<h4>Hoofdstuk VIII</h4>

<p><em>Korte inhoud van het voorafgaande: De hoofdpersoon van de roman, Zhao Xingde, wil examen doen voor de Chinese civiele dienst, maar verslaapt zich en moet drie jaar wachten voor hij weer de kans krijgt. Omdat hij gefascineerd is door de opkomst van Xixia en vreest dat dit land een bedreiging voor China zal vormen, besluit hij een reis daarheen te maken om het beter te leren kennen. Hij wordt gedwongen dienst te nemen in het leger van Xixia. Vele jaren en vele avonturen later besluit zijn commandant, de Chinees Zhu Wangli, te rebelleren tegen de keizer van Xixia. Een bataljon Chinese huurlingen onder leiding van Wangli trekt in westerse richting de woestijn in, achtervolgd door het leger van Xixia, dat de nominaal Chinese stad Guazhou inneemt. De regent van Guazhou, de vrome boeddhist Cao Yanhui, verlaat de stad en voegt zich bij het bataljon van Zhu Wangli, dat steeds verder naar het westen trekt, in de richting van het laatste Chinese bolwerk, de stad Shazhou (het tegenwoordige Dunhuang), die geregeerd wordt door Yanhui&#8217;s broer, Cao Xianshun.</em></p>

<p>Op de ochtend van de vijfde dag bereikte het bataljon de top van een lage heuvel. Van daaruit strekte de woestijn zich als een zee naar alle vier windstreken uit. Alleen in het uiterste noordwesten was vaag iets zichtbaar wat op een bosje bomen leek, en Xingde hoorde van Yanhui dat daar de stadsmuren van Shazhou stonden. De afstand was niet groter dan veertig ri, of twintig kilometer, dus de reis zou geen dag meer duren.</p>

<p>Voor het eerst sinds het bataljon uit Guazhou was vertrokken, werd er echt een lange rustpauze ingelast. De soldaten kropen allemaal dicht tegen de kamelen en paarden aan om warm te blijven en vielen zo in slaap. En niet alleen de soldaten. Wangli, Yanhui en Xingde volgden hun voorbeeld en sliepen als ossen.</p>

<p>Opeens werd Xingde wakker. Toen hij om zich heen keek, zag hij overal de figuren van slapende soldaten, nog steeds leunend tegen hun paarden en kamelen. Al die soldaten en paarden kwamen hem voor als een uit steen gehouwen beeldengroep die honderden, zo niet duizenden jaren geleden in deze uithoek van de woestijn was neergezet. Geen mens, geen paard, geen kameel bewoog. Ze leken volledig levenloos. Overweldigd door vermoeidheid en slaapgebrek was het ook Xingde te veel moeite om een vinger te verroeren. Alleen de ogen in zijn hoofd, dat roerloos tegen de nek van zijn paard lag gedrukt, waren wagenwijd open. Maar na een tijdje draaide hij zijn hoofd een heel klein stukje: een lange keten van bijna honderd kamelen was vanuit de woestijn zijn gezichtsveld binnengewandeld en leek zijn kant op te komen. Zonder zich te bewegen, bleef hij die kleine, verre figuurtjes met zijn ogen volgen. Van hiervandaan kon hij al zien dat het een handelskaravaan was.</p>

<p>Hij keek het een poosje aan, niet anders denkend dan dat het zomaar een karavaan was die deze kant uit trok. Hoewel de kamelen langzaam dichterbij kwamen, werd de afstand niet merkbaar kleiner. Hoeveel tijd zou er zijn verstreken? De karavaan verdween een tijdlang uit het zicht achter een heuvel, maar plotseling kwam ze weer tevoorschijn, en nu was het hoofd van de stoet opeens verbazend dichtbij.</p>

<p>Xingde was echter nog een beetje suf en bleef de eerste kamelen slaapdronken bekijken. Toen zag hij opeens op de rug van een kameel een banier waar hij helemaal wakker van werd. Die banier kende hij! Een banier met een grote letter &#8216;vai&#8217; &#8212; voor Vaiśravana.<sup><a href="#voetnoot02" id="voetnoot-02-verwijzing">2</a></sup></p>

<p>Geen twijfel aan! Dit was de karavaan van Yuchi Guang.</p>

<p>[&#8230;]</p>

<p>Op verzoek van Wangli voegde Xingde zich bij de voorhoede van het bataljon. Dat daalde nu de heuvel af en zette koers dwars door de woestijn, in de richting van de oase, zo ver en toch zo dichtbij aan de horizon. Xingde zag dat Guangs kamelen ongeveer tweehonderd meter voor hen uit liepen. Dat uitzicht leek Wangli allerminst te bevallen, want hij spoorde zijn bataljon aan om sneller te gaan en de karavaan in te halen. Maar hoeveel haast ze ook maakten, de afstand tussen hen en Guangs karavaan leek maar niet te willen slinken. Guangs banier, van verre gezien een effen geel, ging hen voor zonder dat de afstand zichtbaar minder werd, zandheuvel op, zandheuvel af.</p>

<p>Vergeleken bij de vorige dag was de kou een heel stuk afgenomen. Kort voor de middag had het bataljon de woestijn verlaten en trok het een troosteloos steppegebied binnen, waar de leegte alleen werd afgewisseld door hier en daar een bosje onvolgroeide wilgen. Vanaf dit punt werd het lopen eindelijk wat makkelijker en begon het bataljon sneller vooruit te komen. Al gauw leidde hun weg hen naar de akkers die de stad Shazhou als een brede gordel omgaven.</p>

<p>Guang reed nog steeds aan de spits. Van verre gezien moest het hebben geleken alsof hij onder de trotse banier van de Yuchi-dynastie tweeduizend van zijn eigen manschappen aanvoerde.</p>

<p>De akkers werden doorkruist door tientallen irrigatiekanalen, die niet alleen allemaal evenwijdig waren gegraven, maar bovendien het bataljon dwars in de weg lagen. Het was een stukje lopen, en dan opeens een haakse bocht, een stukje lopen, en dan wéér een haakse bocht &#8212; net of ze zich over de lijnen van een dambord voortbewogen.</p>

<p>Zo bereikten ze de oevers van de Dang, die beplant waren met wilgen. De rivier was bevroren. Hier staken ze over, en nu zag Xingde voor het eerst de muren van Shazhou. Die waren groter, sterker en sierlijker dan de muren van alle steden die hij tot dan toe had gezien en deden hem denken aan de vestingsteden van zijn geboorteland, het China van de Song-dynastie.</p>

<p>Eindelijk marcheerden ze de straten binnen van het kwartier buiten de Zuiderpoort. Lange rijen winkels verkochten alle mogelijke waren, en Chinese mannen en vrouwen, jong zowel als oud, verdrongen elkaar op de ruwe kasseien. Hoewel het noodlot had beschikt dat deze stad ten prooi zou vallen aan verschrikkelijke verwarring voor er een etmaal voorbij was gegaan, konden haar bewoners zich niet voorstellen dat zoiets mogelijk was en heerste er een gezellige drukte in haar straten. De mensen openden een weg voor het bataljon en keken nieuwsgierig toe hoe deze vreemde, vermoeide soldaten met gezichten net als de hunne de vesting binnengingen. Xingde had het idee dat hij in China terug was. Alles wat hij zag herinnerde hem aan thuis.</p>

<p>[&#8230;]</p>

<p>Xingde ging naar de tempelwijk. De tempels die hier stonden waren stuk voor stuk veel groter dan die in het oostelijke gedeelte van de stad, waar Wangli&#8217;s soldaten waren ingekwartierd. Elke tempel bezat een ruim terrein, waarop meerdere in gelijke stijl opgetrokken kloosters naast elkaar stonden. Zoals je in een tempelwijk zou verwachten, was het in dit deel van de stad opmerkelijk rustig. Waarschijnlijk heerste er binnen in de kloosters de grootste opwinding en maakte iedereen zich op om te evacueren, maar op straat merkte je daar niets van.</p>

<p>Xingde kende de naam van geen van de tempels en liep een aantal voorbij, maar bij die met de grootste kloosters die hij tot dan toe had gezien, stapte hij naar binnen. Een eindje voorbij de poort, aan de rechterkant, stond een hoge pagode. De rode maan hing boven haar schouder en wierp zware schaduwen op de zandige grond van het tempelterrein &#8212; schaduwen van de pagode zelf, en ook van de kloosters. Over die zwarte schaduwen liep Xingde verder het terrein op, tot hij bij een gebouw kwam waar licht naar buiten viel. Omdat het overal om hem heen zo doodstil was, was hij net tot de conclusie gekomen dat de bewoners van deze tempel de stad uit waren gevlucht, dus hij was bijzonder verrast dat hij licht zag branden.</p>

<p>Xingde liep op het licht af. Terwijl hij een lage trap opging, stelde hij vast dat het gebouw waarschijnlijk een repositorium voor gewijde schriften was. De voordeur stond op een kier. Binnen leken er meerdere lampen te branden, want het schijnsel was onverwacht helder.</p>

<p>Het eerste wat hij zag toen hij een blik in het vertrek wierp, was een vloer bezaaid met een enorme hoeveelheid uitgerolde soetra&#8217;s en vellen papier, met in het midden drie monniken die op het eerste gezicht niet veel ouder leken dan een jaar of twintig. Twee van de drie stonden, de ander zat op zijn hurken. Geen van de drie had in de gaten dat Xingde naar hen keek, zo verdiept waren ze in hun werk.</p>

<p>Xingde begreep eerst niet wat ze aan het doen waren, maar al gauw had hij door dat de drie monniken bezig waren een keuze uit de soetra&#8217;s te maken. Sommige soetra&#8217;s bestudeerden ze lange tijd, andere legden ze meteen opzij om onmiddellijk weer nieuwe op te pakken.</p>

<p>Na dit schouwspel een tijdlang gefascineerd te hebben aangekeken, sprak Xingde hen aan.</p>

<p>&#8216;Wat zijn jullie toch aan het doen?&#8217;</p>

<p>Geschrokken keken de drie jonge monniken met een ruk om.</p>

<p>&#8216;Wie is daar?&#8217; riep een van hen.
<br>&#8216;Je hoeft niet bang te zijn. Ik heb geen kwaad in de zin. Maar waar zijn jullie in vredesnaam mee bezig?&#8217;</p>

<p>Xingde kam een stapje verder naar binnen.</p>

<p>&#8216;We maken een keuze uit de gewijde schriften,&#8217; antwoordde dezelfde monnik.</p>

<p>&#8216;En als je een keuze hebt gemaakt, wat doe je er dan mee?&#8217;
<br>&#8216;We bereiden ons op het ergste voor. Mocht de tempel afbranden, dan vluchten we met de geschriften die we hebben uitgekozen.&#8217;
<br>&#8216;Maar zijn jullie van plan om hier te blijven tot de tempel in brand vliegt?&#8217;
<br>&#8216;Dat spreekt vanzelf!&#8217;
<br>&#8216;Vluchten jullie nu dan niet? Jullie hebben vast orders gekregen om te evacueren.&#8217;
<br>&#8216;Ze kunnen zoveel bevelen. Hoe kunnen we vluchten met zo veel soetra&#8217;s hier? Wat anderen doen is hun zaak; wij blijven hier, ook als de aanval komt.&#8217;
<br>&#8216;Waar zijn de andere monniken?&#8217;
<br>&#8216;Die hebben de benen genomen. Maar dat gaat ons niet aan. Wij doen dit uit onze eigen vrije wil.&#8217;
<br>&#8216;En de abt?&#8217;
<br>&#8216;Die is gisteravond naar het paleis gegaan om de regent te vragen wat hij met de tempels gaat doen.&#8217;
<br>&#8216;Maar waarom kunnen jullie niet gewoon vluchten en de soetra&#8217;s hier laten?&#8217;</p>

<p>Op deze vraag keken de jonge monniken elkaar aan met gezichten waar de minachting vanaf droop. De jongste monnik, die tot nu toe zijn mond had gehouden, nam nu het woord.
&#8216;Het aantal gewijde geschriften dat we hebben gelezen is beschamend laag. Er is nog zo veel dat we niet hebben gelezen. Het aantal rollen dat we niet eens hebben geopend is groter dan we kunnen tellen. &#8212; Wij willen ze lezen!&#8217;</p>

<p>Xingde stond als door de bliksem getroffen. Even leek het of zijn hele lichaam was verlamd. Jaren geleden, ging het door hem heen, had hij precies dezelfde woorden gezegd! Hoe vaak wel niet?</p>

<p>Hij verliet het repositorium onmiddellijk. Hij moest zo snel mogelijk Yanhui zien te vinden. Die was waarschijnlijk in het paleis van zijn broer Xianshun, de regent van Shazhou. Het was een lange weg terug van de tempel naar het paleis, en Xingde moest hem helemaal lopen. De straten verkeerden in dezelfde wanorde als eerder op de avond. Voor hij zijn bestemming bereikte, kwam hij tientallen groepen vluchtelingen tegen, en telkens moest hij opzij stappen om ze te laten passeren.</p>

<p>Bij het paleis aangekomen diende hij bij een schildwacht een verzoek in om een onderhoud met Yanhui, en na enige tijd te hebben moeten wachten werd hij voorgegaan door een wirwar van vertrekken en gangen naar een kamer diep in het uitgestrekte gebouw, dat hij slechts één keer eerder had bezocht.</p>

<p>Midden in deze kamer zat Yanhui diep in een stoel gezonken, net zoals destijds in zijn eigen paleis in Guazhou, toen hij daar nog regent was. Maar die kamer zou nu wel verbrand zijn, en ze viel in pracht en praal in het niet bij deze. Het meubilair en huisraad, de tapijten op de vloer &#8212; alles was even weelderig. Zelfs de kandelaars die voor de verlichting zorgden, blonken dat het een lust was voor het oog.</p>

<p>&#8216;Wat is er aan de hand?&#8217;</p>

<p>Yanhui sprak de woorden niet uit, maar in de doffe ogen waarmee hij Xingde aankeek stond deze vraag duidelijk af te lezen. Xingde vroeg wat Xianshun, de heerser van de stad, nu aan het doen was.</p>

<p>&#8216;Niks bijzonders,&#8217; zei Yanhui. &#8216;Die gaat helemaal op in zijn voorbereidingen voor de veldslag en kan aan niets anders denken. Aan hem heb ik niets.&#8217;</p>

<p>Hij sprak op een toon alsof hij alle hoop had laten varen.</p>

<p><br>&#8216;Dus wat gaat er met de tempels gebeuren?&#8217; vroeg Xingde.
<br>&#8216;Die verbranden allemaal.&#8217;
<br>&#8216;En de monniken?&#8217;
<br>&#8216;Ze zeggen dat de meesten al weg zijn.&#8217;
<br>&#8216;Maar wat doen we met de soetra&#8217;s?&#8217;
<br>&#8216;Die verteren tot as.&#8217;
<br>&#8216;En dat mag allemaal?&#8217;
<br>&#8216;Wat kunnen we anders? Xianshun heeft niet de minste of geringste belangstelling voor dat soort dingen.&#8217;
<br>&#8216;Waarom vaardig je zelf dan geen orders uit?&#8217;
<br>&#8216;Dacht je dat dat iets zou uitmaken? De abten van zeventien tempels zitten op dit ogenblik ergens in een binnenkamer van dit paleis te vergaderen. Dat doen ze al sinds gisteravond. Ze redeneren aan één stuk door, maar beslissen? Niks hoor!&#8217;</p>

<p>Yanhui kwam eindelijk overeind uit zijn stoel en begon langzaam door de kamer te ijsberen. Even was hij stil; toen begon hij zachtjes te spreken, in een stortvloed van woorden, alsof hij het tegen zichzelf had.</p>

<p>&#8216;Maar het is ergens ook wel logisch dat ze geen beslissing kunnen nemen. Zeventien tempels met repositoria tjokvol soetra&#8217;s &#8212; dat is een enorme hoeveelheid! Je hebt dagen werk alleen al om die allemaal van de plank te halen. En dan moeten ze allemaal nog eens worden ingepakt en op kamelen geladen &#8212; dat kost ook weer zo veel dagen. En waar moeten die honderden &#8212; nee, duizenden! &#8212; kamelen naartoe? Naar het oosten? Het westen? Het zuiden? Het noorden? Waar kun je ze heenvoeren dat die soetra&#8217;s veilig zijn?&#8217;</p>

<p>Toen hij dit allemaal had uitgebracht, keerde Yanhui terug naar zijn stoel.</p>

<p>&#8216;Guazhou ligt in as. Shazhou zal op dezelfde manier verbranden. De vesting, de tempels, alles&#8230; De soetra&#8217;s zullen in de vlammen opgaan.&#8217;</p>

<p>Xingde stond stokstijf in een hoek van de kamer. Yanhui had gelijk: het aantal gewijde geschriften in de zeventien tempels van Shazhou was ongelofelijk groot. Wat voor schamele pogingen konden ze in dit kritieke uur nog in het werk stellen om ze te redden? Het was hopeloos.</p>

<p>Nu was het zijn beurt om door de kamer te ijsberen. Voor zijn ogen zag hij het aandoenlijke beeld van de drie jonge monniken, die op ditzelfde ogenblik nog steeds in hun repositorium met al die ontelbare soetra&#8217;s in de weer waren.</p>

<p class="eindnoot" id="voetnoot01"><a href="#voetnoot-01-verwijzing">1 Shazhou (&#8216;Zandstad&#8217;) was destijds de naam van de stad die nu bekend staat als Dunhuang. Guazhou betekent &#8216;Meloenenstad.&#8217;</a></p>

<p class="eindnoot" id="voetnoot02"><a href="#voetnoot-02-verwijzing">2 Vaiśravana was oorspronkelijk een Hindoegod en de &#8216;patroonheilige&#8217; van de Yuchi-dynastie, die in de achtste eeuw over het koninkrijk Khotan (in het hedendaagse Xinjiang) regeerde. De handelaar Yuchi Guang is een afstammeling van deze familie en voert deze letter in zijn banier om zijn omgeving ontzag in te boezemen.</a></p>
]]>
    </content>
</entry>

<entry>
    <title>Yasushi Inoue - Schwob Artikelen</title>
    <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.schwob.nl/artikelen/boek/yasushi-inoue.php" />
    <id>tag:www.schwob.nl,2011:/artikelen//1.108</id>

    <published>2011-12-20T12:49:12Z</published>
    <updated>2012-02-09T09:07:29Z</updated>

    <summary>Ik durf met zekerheid te zeggen dat geen enkele Japanse schrijver tussen Natsume Soseki en Haruki Murakami, inclusief twee uitstekende Japanse Nobelprijswinnaars, zo&apos;n intens en consistent literair plezier verschaft.</summary>
    <author>
        <name>Damion Searls</name>
        <uri>http://www.schwob.nl/medewerkers/damion-searls.php</uri>
    </author>
    
        <category term="Boek" scheme="http://www.sixapart.com/ns/types#category" />
    
    <category term="japan" label="Japan" scheme="http://www.sixapart.com/ns/types#tag" />
    
    <content type="html" xml:lang="nl" xml:base="http://www.schwob.nl/artikelen/">
        <![CDATA[<p>Yasushi Inoue was een van de populairste en door de kritiek meest bejubelde Japanse schrijvers van de twintigste eeuw, winnaar van alle grote Japanse prijzen en eeuwige Nobelprijskandidaat. Zijn boeken zijn meer dan een halve eeuw verfilmd en veelvuldig vertaald. Ik durf met zekerheid te zeggen dat geen enkele Japanse schrijver tussen Natsume Soseki en Haruki Murakami, inclusief twee uitstekende Japanse Nobelprijswinnaars, zo&#8217;n intens en consistent literair plezier verschaft. Maar in het Engels heeft hij zelfs nooit de status van om de twee decennia &#8216;herontdekte&#8217; schrijver weten te bereiken.</p>

<p>Een universiteitsuitgeverij publiceerde <em>The Blue Wolf</em>, een hervertaling van Inoues roman over Genghis Khan die de basis vormde voor de kaskrakende film <em>Genghis</em> uit 2007, en daarvoor was er <em>The Samurai Banner of Furin Kazan</em> (de basis voor een film uit 1969 met Toshiro Mifune in de hoofdrol), een vrijwel onleesbare vertaling uit 2005 - en dat was het wel zo&#8217;n beetje voor de afgelopen jaren.</p>
]]>
        <![CDATA[<p>Ook zijn internetaanwezigheid in het Engels is minimaal, al blijkt daar wel uit hoeveel meer van zijn werk in andere Europese talen is vertaald. Je struint blijmoedig af wat er is en flanst aaneen wat je kunt. De Engelse vertaling van Inoues autobiografische roman <em>Shirobamba</em> is maar de eerste helft van het origineel, maar de tweede helft bestaat in het Frans, als <em>Kôsaku</em>; de novelle die zijn carrière op gang bracht is in het Frans verschenen als <em>La lutte de taureau</em> en in Duits als <em>Der Stierkampf</em>, maar niet in het Engels vertaald. Een van de vertalers zegt in zijn inleiding dat Inoue in 1964 naar de Verenigde Staten ging om onderzoek te doen voor &#8216;wat volgens hemzelf zijn magnum opus zal worden, een veeldelige verhandeling over de eerste, tweede en derde generatie Japanners in het buitenland, met name in de Verenigde Staten&#8217;, waarna een voorwoord vermeldt dat hij in 1964 naar San Francisco reisde om onderzoek te doen voor een roman getiteld <em>Wadatsumi</em> (&#8216;De oceaan&#8217;); volgens een inleiding uit 1975 &#8216;werkt Inoue momenteel aan <em>Wadatsumi</em>, een historische roman van epische proporties&#8217;; en in een bloemlezing uit 1985 wordt ten slotte opnieuw melding gemaakt van &#8216;<em>Wadatsumi</em> (&#8220;God van de zee&#8221;) uit 1977, een gedetailleerde studie over de Japanse emigratie naar de Verenigde Staten&#8217; - dus hij heeft het voltooid, en daar loopt het spoor voorlopig dood.<sup><a href="#voetnoot01" id="voetnoot-01-verwijzing">1</a></sup></p>

<p>Ik noem dit struinen van een amateur - in de zin van liefhebber - omdat de verrukkingen ervan Inoue-achtige verrukkingen zijn, aanwezig in de boeken zelf. De hoofdpersoon van &#8216;Een stem in de nacht&#8217; is een amateurexpert op het gebied van de gedichten in de achttiende-eeuwse bloemlezing <em>Manyoshu</em>; in het gedicht &#8216;Dood, liefde en de golven&#8217; neemt de hoofdpersoon <em>Journey of William of Rubruck to the Eastern Parts of the World</em> mee, de uit 1900 daterende Engelse vertaling van Willem van Ruysbroecks dertiende-eeuwse <em>Itinerarium</em>, om uit te lezen voordat hij zelfmoord pleegt. In <em>The Roof Tile of Tempyō</em> staan, net als in <em>Dunhuang</em>, hoewel het een paar eeuwen eerder speelt, prachtige beschrijvingen van monniken die boeddhistische geschriften kopiëren. In &#8216;Zwart tij&#8217; heeft een gepensioneerde leraar zijn leven gewijd aan het schrijven van een culturele geschiedenis van de kleur in Japan en de oude materialen en methodes herontdekt en herschapen om de kleuren van het verleden weer tot leven te brengen:</p>

<blockquote>
  <p>Om te begrijpen wat de spirituele en psychologische relatie van het oude Japanse volk met kleur was - in de breedste zin, om het innerlijke leven van de mannen en vrouwen van het verleden en de sociale mentaliteit van die tijd te begrijpen - was het absoluut van essentieel belang om een concreet beeld van de oude kleuren te krijgen, en er was uiteraard maar één manier om dat te realiseren: door opnieuw de oude kleurschakeringen te vervaardigen met gebruikmaking van de verftechnieken van het verleden.</p>
</blockquote>

<p>Na een jaar of veertig werken heeft de leraar zijn studie afgerond en genoeg zijde geverfd om monsters van alle kleuren - inclusief het legendarische, verboden hajizome, &#8216;als de stralen van de zon terwijl hij de meridiaan passeert&#8217; - op te nemen in vijfhonderd exemplaren van zijn driedelige werk, als hij die gedrukt kan krijgen in de moeilijke naoorlogse jaren<sup><a href="#voetnoot02" id="voetnoot-02-verwijzing">2</a></sup>.  Inoue zelf staat als historisch romancier bekend om zijn grondige onderzoek - het verhaal gaat dat hij tot viermaal toe de Hodaka heeft beklommen om materiaal te verzamelen voor zijn roman &#8216;De ijswand&#8217;. In zijn voorwoord bij <em>Dunhuang</em> beschrijft hij de vijf jaar onderzoek die hij voor de roman heeft gedaan als &#8216;een zeer bevredigende tijd&#8217;.</p>

<p>Yasushi Inoue, de oudste zoon van een medisch officier van het Japanse leger, werd in 1907 geboren in het noorden van Japan maar bracht zijn jeugd door op het zuidelijke schiereiland Izu, het idyllische decor voor veel van zijn verhalen. Hij werd grootgebracht door zijn &#8216;grootmoeder&#8217; Kano, in een ander huis dan dat van zijn ouders - eigenlijk was Kano de maîtresse van de grootvader van zijn moeder, en de oude man had geregeld dat Kano zijn oudste kleindochter, Inoues moeder, adopteerde zodat Inoues moeder voor de voormalige maîtresse zou moeten zorgen als die bejaard was. Inoue groeide op in een formidabele kluwen van rancune en loyaliteitsconflicten doordat hij met een trotse maar liefhebbende oude vrouw op maar een paar zijstraten afstand woonde van het huis van zijn bloedverwanten: vader en moeder, als zijn vader niet elders was gestationeerd; &#8216;echte&#8217; grootouders van moederskant, die de indringster van lichte zeden verachtten; en ooms en tantes, de veel jongere broers en zussen van Inoues moeder, soms even jong als Inoue zelf. Of het nu kwam doordat zijn ouders veel reisden, doordat Kano hem nodig had voor haar eigen machtsstrijd of doordat Inoues moeder na de geboorte van Inoues zusje geen twee kleine kinderen tegelijk kon grootbrengen zonder hulp, hij werd &#8216;tijdelijk&#8217; ondergebracht bij Kano, die desondanks zijn belangrijkste emotionele steunpilaar was, veel meer dan de ouders die haar verfoeiden en hem schijnbaar aan zijn lot hadden overgelaten. Zijn gevoelens van verlangen en afwijzing, zijn vermogen om gemengde emotionele motieven te begrijpen en zijn neiging zich voor troost tot de natuur te wenden dateren allemaal uit die jaren en zijn aangrijpend gedramatiseerd in Shirobamba en zijn andere verhalen over zijn kindertijd. In één verhaal, &#8216;Riet,&#8217; haalt Inoue een herinnering op aan hoe hij op vijf- of zesjarige leeftijd met Kano in een vissersdorp op het schiereiland Izu was. Ze zitten op een strand en kijken naar een feestboot terwijl ze wachten tot er iemand komt. Inoue weet niet meer waarom Kano hem daar mee naartoe heeft genomen of op wie ze wachten, maar daar zitten ze: &#8216;Als ik die scène tot op de dag van vandaag niet vergeten ben, dan moet het zijn omdat dit beeld, waarin ik zelf een rol speel, iets stralends en vredigs heeft, maar ook iets merkwaardig leegs.&#8217;<sup><a href="#voetnoot03" id="voetnoot-03-verwijzing">3</a></sup></p>

<p>Inoue blonk uit in judo en schreef poëzie, rondde in 1936 zijn studie esthetica af aan de Universiteit van Kyoto met een dissertatie over Valéry en werkte, afgezien van een blauwe maandag in het leger in 1937-38 (&#8216;voornamelijk met pakpaarden over de vlakten van Noord-China marcheren&#8217;<sup><a href="#voetnoot04" id="voetnoot-04-verwijzing">4</a></sup>) , tot 1951 als verslaggever voor het dagblad <em>Mainichi Shimbun</em> in Osaka. Zijn carrière als fictieschrijver begon in 1949, toen hij al begin veertig was, als een komeet: in dat jaar werd &#8216;Het stierengevecht&#8217; bekroond met de Akutagawaprijs, de meest prestigieuze schrijversprijs in Japan, en verscheen bijna gelijktijdig zijn meesterwerk <em>The Hunting Gun</em>. Hij nam ontslag bij de krant om zich voltijds aan het schrijven te wijden en toen hij in 1991 overleed, had hij een vijftigtal romans en novelles en bijna tweehonderd verhalen gepubliceerd.</p>

<p>Hoewel hij vaak een historisch romancier wordt genoemd, valt zijn werk onder drie of vier hoofdcategorieën. Tot de in het Engels vertaalde historische fictie behoren <em>Tun-huang</em> (&#8216;Dunhuang&#8217;), <em>The Roof Tile of Tempyō</em>, <em>The Blue Wolf</em>, <em>Wind and Waves</em>, een roman over de invasie in Korea van Kublai Khan, <em>Confucius</em>, <em>Flood</em> en <em>Loulan</em>, een verhalenbundel. Zijn tweede type fictie bestaat uit eigentijdse liefdesverhalen, met name <em>The Hunting Gun</em>, een schitterend boek dat een van Inoues ijzersterke kanten in de kijker plaatst: zijn opmerkelijk sympathieke, complexe en waarachtige vrouwelijke personages. <em>The Hunting Gun</em> is alles wat Akutagawa&#8217;s uiteindelijk teleurstellende verhaal &#8216;In a Grove&#8217; (de basis voor <em>Rashomon</em>) zou moeten zijn: een liefdesgeschiedenis met talrijke vertellers waarin elk verhaal ons begrip van de rest dramatisch verandert. Inoues derde type verhaal richt zich op de sociale en politieke aspecten van de naoorlogse Japanse samenleving, waarbij de hoofdpersoon vaak een verslaggever is zoals Inoue zelf voordat hij ontslag nam: deze boeken - &#8216;Zwart tij&#8217;, &#8216;Het stierengevecht&#8217;, &#8216;De ijswand&#8217; en latere bespiegelingen over naoorlogse sociale veranderingen, &#8216;Een stem in de nacht&#8217; en &#8216;De zondagen van Meneer Ushioda&#8217;, zijn niet in het Engels vertaald. Ten slotte zijn er Inoues persoonlijke geschriften: een roman over zijn kinderjaren, <em>Shirobamba</em> (en <em>Kôsaku</em>), een boek met kinderverhalen, &#8216;De roodgeverfde wolken&#8217;, en een ontroerend non-fictieverhaal over het afglijden van zijn moeder in ouderdom en dementie, <em>Chronicle of My Mother</em>. Er zijn dwarsverbanden tussen deze categorieën: &#8216;De ijswand&#8217; is bijvoorbeeld gebaseerd op een waargebeurd ongeluk tijdens het bergbeklimmen en het daaruit voortvloeiende schandaal waarin een controversieel nieuw product van een belangrijk bedrijf een rol speelde, nylonkoord, maar het gaat ook over een intense dubbele driehoeksverhouding - en deze dwarsverbanden hebben in mijn eigen gedachten zonder twijfel een verandering ondergaan bij elk nieuw boek dat ik tegenkom. &#8216;Een stem in de nacht&#8217; trekt van leer tegen het moderne leven, wat Inoues historische boeken een escapistischer tintje geeft; het derde en zwakste verhaal in <em>The Counterfeiter and Other Stories</em>, over moderne Japanse zakenlieden, openbaart zijn plaats in Inoues oeuvre pas na &#8216;Zwart tij&#8217; en &#8216;De ijswand&#8217;; als ik ooit &#8216;De oceaan&#8217; of &#8216;God van de zee&#8217; te lezen krijg, zal mijn beleving van zijn werk ongetwijfeld weer een andere vorm aannemen.</p>

<p>Toch kunnen we waarschijnlijk met een gerust hart zeggen dat zijn historische werken de kern van Inoues kunst zijn. Hun plaats in de historische fictie is beslist uniek. Inoue heeft een schitterend oog voor het historische detail als treffend beeld: &#8216;De vijftig mannen (&#8230;) sloten zich met getrokken zwaard aaneen en gingen de stad binnen; daar was een vijver vol helder water met aan de rand twee paarden, maar er was geen mens te bekennen&#8217;; &#8216;het was de tijd van het jaar waarin het witte gras dat als kamelenvoer werd gebruikt overvloedig groeide&#8217;; het sneeuwde vier dagen in januari, zes dagen in februari en drie dagen in maart&#8217; (al deze voorbeelden komen uit <em>Dunhuang</em>). Wanneer de hoofdpersoon van <em>Dunhuang</em> het Hsi-Hsia-Chinese woordenboek bekijkt dat hij heeft samengesteld, &#8216;sprongen hem verscheidene woorden (&#8230;) in het oog: donder, zonlicht, zoete dauw, wervelwind.&#8217; Belangrijker nog is dat Inoues boeken het gevoel geven dat ze van binnenuit zijn beleefd, en niet van buitenaf beschreven, ondanks het scrupuleuze onderzoek. Niemand minder dan Peter Handke, die voor de meeste historische fictie geen geduld heeft, schreef in een open brief aan Inoue:</p>

<blockquote>
  <p>Het unieke aan uw werk is voor mij - en de boeken van u die mij het meest raken zijn <em>The Roof Tile of Tempyō</em> en <em>Dunhuang</em> - dat elk verhaal een visie toont, en dat anders dan bij de visies in boeken van andere auteurs ik de uwe altijd kan volgen terwijl ik ze lees, ze altijd geloof; u heeft deze beelden beleefd en gevoeld en heeft er de eenvoudigste en luchtigste taal voor die ik ooit heb gezien. Ik hóéf uw illustraties niet eerst te geloven, ze zijn gewoon dáár in het boek, als feiten.<sup><a href="#voetnoot05" id="voetnoot-05-verwijzing">5</a></sup></p>
</blockquote>

<p>Eén kort verhaal met een uitzonderlijk virtuoos voorbeeld van Inoues illusionistische vermogen is &#8216;In de schaduw van de Bandaiberg&#8217;<sup><a href="#voetnoot06" id="voetnoot-06-verwijzing">6</a></sup>, over een vulkaanuitbarsting die in 1888 de omliggende dorpen verwoestte en in plaats daarvan een merengebied creëerde. Het is bij mijn weten de enige keer dat Inoue een historisch fictieverhaal laat vertellen door een ik-figuur, een belastingontvanger die de dorpen op de berg bezoekt en inspecteert en op een gegeven moment het volgende beschrijft:</p>

<blockquote>
  <p>Rond tien uur bereikten wij het dorp Hosono. Ik noem het een dorp hoewel het uit niet meer dan zeven huishoudens bestond. De huizen zelf waren aardig en robuust en scholen samen op een smal stuk land dat in het oosten en westen werd ingesloten door de toppen van de Hachimori en de Tsurugigamine. De oprukkende heuvels leken aan weerszijden het dorp binnen te drommen. Dit was waarlijk een berggehucht. Het voornaamste werk van de mannen uit het dorp was houthakken en tegen elk van de huizen was een kleine schuur gebouwd die wel iets weg had van een kippenhok. Hier had de familie een tweetal houtdraaibanken staan. Het boerenwerk werd aan de vrouwen overgelaten en toen wij in het dorp arriveerden, was er geen spoor van hen te bekennen omdat ze allemaal in de velden waren.</p>
</blockquote>

<p>Het is de basaalste beschrijving die je je kunt voorstellen van dingen die gewoon zijn gezien, maar bij nadere beschouwing indrukwekkend vanwege de ingekapselde sociale geschiedenis en persoonlijke accenten (de &#8216;aardige&#8217; huizen, de omringende heuvels die &#8216;het dorp leken binnen te drommen&#8217;). Aan het eind van het verhaal zegt de verteller: &#8216;Hoewel ik dit verhaal enigszins gedetailleerd heb verteld, ben ik nooit teruggegaan om de streek te bezoeken&#8217; (na de uitbarsting) &#8216;en is het onwaarschijnlijk dat ik dat ooit nog zal doen.&#8217; Maar natuurlijk was Inoue in 1888 nog niet geboren en is het altijd onmogelijk voor hem geweest om te zien wat het verhaal beschrijft, omdat dat sinds 1888 op de bodem van een meer ligt. En toch is wat tekenend was voor het dorp Hosono &#8216;gewoon dáár in het boek, als feiten&#8217;. De aanwezigheid van een ik-figuur die het verhaal vertelt maakt het een soort onzichtbaar manifest voor Inoues eigen vermogen om het verleden tot leven te brengen: het verleden dat altijd onder water en vulkaanas ligt, altijd ergens waarheen we nooit zullen terugkeren.</p>

<p><em>Dunhuang</em> (1959) is misschien wel Inoues beste roman in zijn beste genre. De <em>New York Review of Books</em>-editie is een herdruk van de uitstekende, uit 1978 daterende vertaling van Jean Oda Moy (ook de vertaalster van Inoues meest persoonlijke boeken in het Engels, <em>Shirobamba</em> en <em>Chronicle of My Mother</em>) die de tand des tijds goed heeft doorstaan op de netelige kwestie van de Chinese eigennamen na: zij gebruikte, uiteraard, de oude transcriptieregels, zodat lezers die al bekend zijn met bijvoorbeeld de naam &#8216;Dunhuang&#8217; misschien in de war zullen raken door het door haar gebruikte &#8216;Tun-huang&#8217;.</p>

<p>Dunhuang is al duizenden jaren een belangrijke stad aan de Chinese kant van de zijderoute en de nabijgelegen Mogaogrotten of Duizend Boeddhagrotten, gevuld met beelden, schilderijen, fresco&#8217;s en inscripties die van de vierde tot de veertiende eeuw dateren, zijn een van de grootste kunstattracties ter wereld. De grot die nu prozaïsch Grot 17 wordt genoemd heeft zijn geheimen bijna negen eeuwen bewaard - van rond 1036, toen er een onvergelijkbare collectie boeken en documenten in werd opgeborgen om redenen die nooit bekend zijn geworden, tot 1907, toen de Hongaars-Britse archeoloog Marc Aurel Stein van het bestaan van de bibliotheek op de hoogte werd gebracht door een Chinese taoïstische priester die een paar jaar eerder op de grot was gestuit. De bibliotheek was van onschatbaar historisch, religieus en cultureel belang - hij bevatte, om maar één voorbeeld te noemen, het oudste bekende gedrukte boek ter wereld, een rol met de Diamant Sutra van vijf meter lang waarop in het colofon de exacte drukdatum staat vermeld: 11 mei 868 - en bijna twintig jaar lang heeft een reeks Europese, Japanse en Amerikaanse geleerden-avonturiers met de priester onderhandeld (of de priester bedonderd) om vele duizenden kostbaarheden terug te vinden (of te stelen). Het beste verhaal over deze ongelooflijke geschiedenis is nog altijd Peter Hopkirks meeslepende <em>Foreign Devils on the Silk Road</em> uit 1980; de beste reconstructie van de elfde-eeuwse gebeurtenissen is de roman van Inoue.</p>

<p>Er is geen verdere historische achtergrond nodig om van <em>Dunhuang</em> te genieten, aangezien het boek zelf en het voorwoord van Inoue alle benodigde informatie verschaffen en de geschiedenis die zij vertellen volgens hedendaagse wetenschappelijke maatstaven alleszins accuraat is. Natuurlijk zullen andere bronnen dan de officiële Chinese geschiedschrijving minder snel geneigd zijn alle niet-Chinese volkeren als &#8216;stammen&#8217; te betitelen of Yüan-hao&#8217;s verovering van enkele grote prefecturen in het tegenwoordige noordwesten van China als &#8216;de verovering van Centraal-Azië&#8217;; ook is het misschien vermeldenswaardig dat de in het boek genoemde Oeigoeren niet dezelfde waren als het tegenwoordige Oeigoerse volk, al zijn sommigen van hen misschien wel de voorouders van de tegenwoordige Oeigoeren geweest. De islamisering van Centraal-Azië had zich ten westen van het Pamirgebergte voltrokken, en ten oosten daarvan alleen in de grote oasesteden Kashgar en Khotan aan de westkant van het Tarimbekken, dus Inoue vergist zich wanneer hij schrijft dat &#8216;de moslims&#8217; het gebied rond Dunhuang binnentrokken vanuit het westen - Khotan ontwikkelde zich tot een belangrijke macht, maar haar politieke ambities in die periode lagen in het westen, niet in het oosten richting China. Dergelijke haarkloverijen daargelaten is Inoues historische verhaal volkomen betrouwbaar.<sup><a href="#voetnoot07" id="voetnoot-07-verwijzing">7</a></sup></p>

<p>Het is ook betoverende fictie en ik moedig iedereen die de roman nog niet gelezen heeft aan de rest van dit essay over te slaan en zich erdoor te laten bekoren. Het boek begint volgens een klassiek patroon - jonge held uit de provincie verschijnt in de hoofdstad om zijn naam te vestigen&#8230; als hij plotseling in slaap valt in de zon. Zijn droom is een handige manier van Inoue om het nodige te verklaren, en als de held wakker wordt is het een ander boek - de droomwereld van een roman. Hsing-te is niet langer sterk en supercompetent, zoals hij voor zijn examens heet te zijn, maar lichamelijk zwak en psychisch op drift. De scènes op het slagveld illustreren zijn nieuwe leven: hij slingert de stenen die hij heeft, valt dan flauw, op zijn paard gebonden, en laat de rest aan het noodlot over. Net als Stendhal gebruikt Inoue de oorlog niet als doek voor het schilderen van de vastberaden, heroïsche vrije wil van de held, maar om te laten zien hoe grotere krachten onze nietige aanspraken op individuele keuze en betekenis geheel en al overweldigen. Maar anders dan Stendhal lijkt Inoue geen conflict te zien tussen grotere krachten en menselijk handelen: Hsing-te voelt zich aangespoord door het lot, en op verscheidene sleutelmomenten in het boek verandert hij zonder reden van gedachte, op een manier die hem volstrekt levensecht maakt. Tegen het eind, toen hij zich afvroeg waarom zijn leven was geworden wat het was, &#8216;kon hij zich niet herinneren dat er overmatige druk op hem was uitgeoefend, of dat hij enige andere sterke invloed had ondergaan dan die van zijn eigen vrije wil. Zoals water van hogere naar lagere niveaus vloeit, zo had ook hij alleen maar de natuurlijke loop der dingen gevolgd (&#8230;) Als hij zijn leven kon overdoen, zou hij onder dezelfde omstandigheden waarschijnlijk dezelfde weg afleggen.&#8217; De schoolboekmetafoor van het determinisme is hier een beeld van volkomen vrij ronddolen, dat niet in strijd is met de persoonlijke keuze.</p>

<p>De heldere, zachtaardige toon van deze passages is essentieel voor de kunst van Inoue. Leon Picon zegt in zijn inleiding bij <em>The Counterfeiter and Other Stories</em> uit 1965 dat &#8216;menselijk pathos en lijden, eenzaamheid en afzondering, oosters fatalisme en boeddhistische ideeën over voorbeschikking toonaangevende draden zijn in het weefsel van vrijwel alle verhalen van Yasushi Inoue&#8217; en hoewel ik het daar niet helemaal mee oneens kan zijn, ben ik bepaald niet gecharmeerd van de gedateerde clichés en sta ik argwanend tegenover het gemakkelijke gebruik van oosterse karaktertrekken dat hier wordt tentoongesteld. De toelichting in <em>The Showa Anthology</em> komt ongetwijfeld dichter bij de waarheid door het werk van Inoue te karakteriseren als &#8216;het onderzoek naar de flauwste rimpelingen van culturele uitwisseling tussen Japan en de buitenwereld, rimpelingen die vaak worden veroorzaakt door eenzame individuen die in wezen naamloos en gezichtsloos blijven in de annalen van de officiële geschiedschrijving&#8217;. Zelf zou ik zeggen - me ervan bewust dat mijn eigen bespiegelingen over enkele decennia ongetwijfeld tijdgebonden en niet te zake zullen lijken, om nog maar te zwijgen van de eeuwen die Inoues gebruikelijke tijdschaal zijn - dat Inoues grote thema, dat zijn historische, contemporaine en autobiografische werk omspant, het gegeven is dat het leven dat je leidt niet je echte leven is. Wat wij als onze persoonlijke strijd beschouwen - onze beslissingen, verlangens, overwegingen, de keuzes die we maken en de dingen die we doen - zijn minder echt, minder betrouwbaar en uiteindelijk misschien minder belangrijk dan de omvangrijker krachten van historische bestemming of het culturele verleden of de gevoelens die we als kind begonnen te ontwikkelen, of gewoonweg het feit dat andere mensen niet zijn wie we denken dat ze zijn, en wijzelf al evenmin.</p>

<p>De uitdaging van alle historische fictie - vooral van een boek zoals dit waarvan de structuur naar een belangrijke historische gebeurtenis toewerkt waarmee de lezers al bekend zijn voordat ze eraan beginnen - is hoe het verhaal desondanks levensecht kan worden gemaakt. (Als er iets essentieel is voor de ervaring van het leiden van je eigen leven, dan is het dat je niet weet wat je te wachten staat.) Tegen het eind van het boek, wanneer de rollenbibliotheek naar de grot wordt getransporteerd, kijkt Hsing-te naar &#8216;de aanblik van zestig grote [kamelen], elk beladen met rollen en documenten, voorttrekkend door de in maanlicht badende woestijn&#8217;, en heeft die aanblik voor hem &#8216;iets ontroerends&#8217;, al kon hij &#8216;niet onder woorden brengen waarom dat zo was. Hij vroeg zich af of hij misschien alleen voor deze nacht jarenlang door de grensgebieden had gezworven.&#8217; In een bepaalde, letterlijke zin heeft hij gelijk: Inoue heeft inderdaad alleen een heel boek rond de omzwervingen van Hsing-te geconstrueerd om hem die nacht te laten beleven. Toch hebben Hsing-te en de geschiedenis zelf gedurende deze hele opmerkelijke roman op de een of andere manier hun vrijheid behouden, het gevoel dat ze zelf kunnen kiezen en hun aandriften kunnen volgen en kunnen leven.</p>

<p class="eindnoot" id="voetnoot01"><a href="#voetnoot-01-verwijzing">1 <em>The Counterfeiter and Other Stories</em> (Tuttle, 1965,), p. 9; <em>Tun-huang</em> (NYRB, 2010), p. xxii; <em>The Roof Tile of Tempyō</em> (University of Tokyo Press, 1975), p. xvi; <em>The Showa Anthology: Modern Japanese Short Stories</em> (Kodansha International, 1985), p. 247.</a></p>

<p class="eindnoot" id="voetnoot02"><a href="#voetnoot-02-verwijzing">2 <em>Schwarze Flut</em>, vertaald door Otto Putz (Suhrkamp, 2000), citaten van pp. 21 en 176, door mijzelf vertaald uit het Duits.</a></p>

<p class="eindnoot" id="voetnoot03"><a href="#voetnoot-03-verwijzing">3 &#8216;Les roseaux&#8217; uit <em>Combat de taureaux: nouvelles</em>, vertaald door Catherine Ancelot (Stock, 1997), p. 179, door mijzelf vertaald uit het Frans.</a></p>

<p class="eindnoot" id="voetnoot04"><a href="#voetnoot-04-verwijzing">4 James T. Araki, vertalersinleiding bij <em>The Roof Tile of Tempyō</em>, p. xiv. Kennelijk mocht Inoue naar Japan terugkeren vanwege voetschimmel. Op 2 november 2009 berichtte de <em>Chinese People&#8217;s Daily Online</em> dat Inoues oorlogsdagboeken waren ontdekt in het huis van zijn weduwe na haar dood, maar er lijkt geen andere informatie beschikbaar te zijn over zijn activiteiten in oorlogstijd.</a></p>

<p class="eindnoot" id="voetnoot05"><a href="#voetnoot-05-verwijzing">5 &#8216;Brief an Iasushi Inoue,&#8217; gedateerd 14 maart 1988, in <em>Langsam im Schatten</em> (Suhrkamp, 1992), pp. 62-63, citaat van p.62, door mijzelf vertaald uit het Duits.</a></p>

<p class="eindnoot" id="voetnoot06"><a href="#voetnoot-06-verwijzing">6 Dit verhaal is te vinden in <em>The Showa Anthology</em>, vertaald door Stephen W. Kohl, pp. 246-68, citaten van pp. 254-55 en 268.</a></p>

<p class="eindnoot" id="voetnoot07"><a href="#voetnoot-07-verwijzing">7 Mijn dank aan Jonathan Lipman, hoogleraar Aziatische Studies aan Mount Holyoke Collge, voor de historische informatie in deze alinea.</a></p>
]]>
    </content>
</entry>

<entry>
    <title>Yasushi Inoue - Schwob Auteurs</title>
    <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.schwob.nl/auteurs/yasushi-inoue.php" />
    <id>tag:www.schwob.nl,2011:/auteurs//5.106</id>

    <published>2011-12-20T12:49:11Z</published>
    <updated>2012-02-03T14:07:40Z</updated>

    <summary>Yasushi Inoue, was een van de populairste en meest geprezen Japanse schrijvers van de twintigste eeuw - winnaar van elke belangrijke Japanse literaire prijs, jaar in jaar uit getipt als Nobelprijswinnaar, zijn boeken verfilmd en wereldwijd vertaald.</summary>
    <author>
        <name>Orli Austen</name>
        
    </author>
    
    <category term="japan" label="Japan" scheme="http://www.sixapart.com/ns/types#tag" />
    
    <content type="html" xml:lang="en" xml:base="http://www.schwob.nl/auteurs/">
        <![CDATA[<p>Yasushi Inoue, was een van de populairste en meest geprezen Japanse schrijvers van de twintigste eeuw - winnaar van elke belangrijke Japanse literaire prijs, jaar in jaar uit getipt als Nobelprijswinnaar, zijn boeken verfilmd en wereldwijd vertaald. </p>
]]>
        <![CDATA[<p>Hij was het oudste kind van een medisch legerofficier en werd geboren op Hokkaidō, het meest noordelijke eiland van Japan maar zijn jeugdjaren bracht hij door op het Izu-schiereiland, waar veel van zijn verhalen zich afspelen. Na een jeugd gewijd aan poëzie en judo, zakte Inoue voor het toelatingsexamen aan de Kyushu Imperial University Medical School. In plaats daarvan ging hij filosofie en literatuur studeren aan Kyoto Imperial University.  Hij schreef zijn proefschrift over Paul Valéry. </p>

<p>In 1935 werd Inoue kunstverslaggever voor de Osaka-editie van de krant Mainichi Shimbun. Na de Tweede Wereldoorlog - hij diende korte tijd in het noorden van China - publiceerde hij twee korte romans. The Bullfight won kort na publicatie de meest prestigieuze prijs van Japan, de Akutagawa prijs. Zijn meesterwerk The Hunting Gun werd bijna gelijktijdig gepubliceerd. Inoue legde zijn werkzaamheden bij de krant neer en richtte hij zich enkel nog op de literatuur.</p>

<p>In 1976 kende de keizer van Japan Inoue de Orde van Cultuur toe, de hoogste onderscheiding voor artistieke verdiensten in Japan.  Toen Inoue in 1991 stierf had hij meer dan vijftig romans en novelles en tweehonderd korte verhalen op zijn naam staan.</p>
]]>
    </content>
</entry>

<entry>
    <title>Jacques Westerhoven - Schwob Medewerkers</title>
    <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.schwob.nl/medewerkers/jacques-westerhoven.php" />
    <id>tag:www.schwob.nl,2011:/medewerkers//4.107</id>

    <published>2011-12-20T12:48:55Z</published>
    <updated>2012-02-07T15:17:19Z</updated>

    <summary>Jacques Westerhoven woont sinds 1975 in Japan, waar hij Engelse taal en Amerikaanse letterkunde doceert aan de Rijksuniversiteit Hirosaki. De opwindvogelkronieken (Haruki Murakami) en Stille sneeuwval (Junichirō Tanizaki) beschouwt hij als zijn beste vertalingen. </summary>
    <author>
        <name>Jacques Westerhoven</name>
        <uri>http://www.schwob.nl/medewerker/jacques-westerhoven.php</uri>
    </author>
    
    <category term="inoue" label="Inoue" scheme="http://www.sixapart.com/ns/types#tag" />
    <category term="japan" label="Japan" scheme="http://www.sixapart.com/ns/types#tag" />
    
    <content type="html" xml:lang="en" xml:base="http://www.schwob.nl/medewerkers/">
        <![CDATA[<p>Jacques Westerhoven woont sinds 1975 in Japan, waar hij Engelse taal en Amerikaanse letterkunde doceert aan de Rijksuniversiteit Hirosaki. 
Van zijn hand verschenen diverse vertalingen in het Engels (Osamu Dazai, Jirō Nitta, Hikaru Okuizumi, Hideo Osabe en Kyōzō Takagi) en het Nederlands (Junichirō Tanizaki, Yukio Mishima, Kenzaburō Ōe en Masuji Ibuse). <em>Stille sneeuwval</em> (Junichirō Tanizaki) en <em>De opwindvogelkronieken</em> (Haruki Murakami) beschouwt hij als zijn beste vertalingen. </p>
]]>
        <![CDATA[<p>In 2000 ontving hij als eerste Nederlander de Nomaprijs voor Vertaalde Japanse Literatuur voor <em>De stenen getuigen</em> van Hikaru Okuizumi. Zijn meest recente Nederlandse vertaling is <em>1q84</em> van Haruki Murakami (Atlas, 2010 en 2011).</p>

<p>Al enige jaren werkt hij aan de massale oorlogstrilogie <em>Menselijke voorwaarden</em> (1956-1958) van Junpei Gomikawa (1916-1995), waarop de legendarische film <em>The Human Condition</em> (&#8216;Barfuss durch die Hölle&#8217;)(1959-1961) van Masaki Kobayashi is gebaseerd.</p>
]]>
    </content>
</entry>

<entry>
    <title>Annelies van Hees - Schwob Medewerkers</title>
    <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.schwob.nl/medewerkers/annelies-van-hees.php" />
    <id>tag:www.schwob.nl,2011:/medewerkers//4.104</id>

    <published>2011-12-14T10:52:07Z</published>
    <updated>2011-12-16T11:18:43Z</updated>

    <summary>Annelies van Hees was een carrière lang verbonden aan het Scandinavisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast was en is ze actief als literair vertaler Deens en vertaalde zij teksten van onder andere Andersen, Kierkegaard en Grøndahl.</summary>
    <author>
        <name>Annelies van Hees</name>
        <uri>http://www.schwob.nl/medewerkers/annelies-van-hees.php</uri>
    </author>
    
    
    <content type="html" xml:lang="en" xml:base="http://www.schwob.nl/medewerkers/">
        <![CDATA[<p>Annelies van Hees was een carrière lang verbonden aan het Scandinavisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam. In die hoedanigheid heeft ze vele generaties studenten geïntroduceerd in de Scandinavische letterkunde en vertaalvaardigheden. Van Hees promoveerde in 1990 in de Letterkunde met een dissertatie over de psychoanalyse en het werk van Karen Blixen.</p>
]]>
        <![CDATA[<p>Daarnaast was en is ze actief als literair vertaler Deens. Zo verschenen van haar hand onder andere <em>De sprookjes van Andersen</em> (Lemniscaat, 1992), de bloemlezing <em>Een maan door het koren. Deense poëzie in de twintigste eeuw</em> (De Bezige Bij, 2000) en, recent, <em>De herhaling</em> van Søren Kierkegaard (Damon, 2008) en <em>Dat weet je niet</em> en <em>Over een uur ontluiken de bomen</em> (Meulenhoff, 2010 en 2011) van Jens Christian Grøndahl.</p>
]]>
    </content>
</entry>

<entry>
    <title>Niels Lyhne - Schwob Fragmenten</title>
    <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.schwob.nl/fragmenten/niels-lyhne.php" />
    <id>tag:www.schwob.nl,2011:/fragmenten//6.103</id>

    <published>2011-12-09T11:26:24Z</published>
    <updated>2011-12-16T12:21:59Z</updated>

    <summary>&quot;Met zeventien was ze heel verschillend van haar broers en zusters en eigenlijk was de verhouding met haar ouders ook niet zo intiem. De Blides waren namelijk een praktisch geslacht dat het leven nam zoals het was; ze deden hun werk, sliepen hun slaap en het kwam niet bij hen op om meer of andere genoegens te verlangen dan het oogstfeest en een stuk of drie feesten met kerstmis. Godsdienstig van aard waren ze niet, maar ze zouden evengoed hun betaling aan de belastingen achterwege  kunnen laten als God niet te geven wat Gode toekwam.&quot;</summary>
    <author>
        <name>Annelies van Hees</name>
        <uri>http://www.schwob.nl/medewerkers/annelies-van-hees.php</uri>
    </author>
    
    <category term="denemarken" label="Denemarken" scheme="http://www.sixapart.com/ns/types#tag" />
    
    <content type="html" xml:lang="en" xml:base="http://www.schwob.nl/fragmenten/">
        <![CDATA[<p>Ze had de zwarte, stralende blik van de familie Blide, met de fijne, rechte wenkbrauw, de krachtig gevormde neus, de sterke kin en volle lippen. - Het vreemde, pijnlijk-zinnelijke trekje bij de mondhoeken en de nerveuze bewegingen van het hoofd, die had ze ook geërfd, maar haar wang was bleek, haar haar was zacht als zijde en sloot glad en soepel om de lijnen van het hoofd. 
Zo waren de Blides niet; zij hadden de kleuren van rozen en brons. Hun haar krulde weerbarstig - dik als manen; en dan hadden ze een volle, diepe, buigzame stem die wonderwel paste bij de familieverhalen over lawaaiige jachtpartijen, plechtige kerkdiensten en talloze liefdesavonturen.</p>
]]>
        <![CDATA[<p>Maar haar stem was mat en klankloos. 
Ik spreek van haar als zeventienjarige; een paar jaar later, toen ze getrouwd was, had haar stem meer klank, haar teint was frisser en haar blik matter, maar bovendien waren haar ogen haast groter en zwarter.</p>

<p>Met zeventien was ze heel verschillend van haar broers en zusters en eigenlijk was de verhouding met haar ouders ook niet zo intiem. De Blides waren namelijk een praktisch geslacht dat het leven nam zoals het was; ze deden hun werk, sliepen hun slaap en het kwam niet bij hen op om meer of andere genoegens te verlangen dan het oogstfeest en een stuk of drie feesten met kerstmis. Godsdienstig van aard waren ze niet, maar ze zouden evengoed hun betaling aan de belastingen achterwege  kunnen laten als God niet te geven wat God toekwam en daarom baden ze hun avondgebed, gingen met de feestdagen naar de kerk, zongen op kerstavond hun gezangen en namen twee keer per jaar deel aan het Avondmaal. Ze dorstten evenmin naar kennis en wat hun gevoel voor schoonheid betrof, waren ze geenszins ongevoelig voor sentimentele liedjes en als de zomer kwam en het gras hoog en weelderig in de weiden stond en het koren golvend op de brede akkers, dan zeiden ze vaak tegen elkaar dat het een mooie tijd was om naar buiten te gaan; maar ze waren niet bijzonder poëtisch van aard, schoonheid maakte hen niet dronken en ze hadden geen onbestemde verlangens of dagdromen.</p>

<p>Maar met Bartholine was het anders gesteld, ze had helemaal geen belangstelling voor wat er in de stal en op het veld gebeurde, geen belangstelling voor de melkerij en de huishouding - hoegenaamd niet.</p>

<p>Ze hield van verzen.
In verzen leefde ze, ze droomde en ze geloofde erin als in bijna al het andere. 
Ouders en broers en zussen, buren en kennissen zeiden nooit een woord dat waard was om naar te luisteren, want hun gedachten verhieven zich nooit van de aarde of de taak die ze onder handen hadden, evenmin als hun blik ooit iets anders zocht dan de omstandigheden en gebeurtenissen die zich voor hun ogen afspeelden.</p>

<p>Verzen daarentegen! Voor haar waren die vol nieuwe gedachten en diepzinnige wijsheid over het leven in de wereld, waar het verdriet zwart is en de vreugde rood. Ze fonkelden van beelden, schuimden en parelden van ritme en rijm - het ging allemaal over jonge meisjes en die jonge meisjes waren edel en mooi, ze wisten zelf niet half hoe edel en mooi, hun hart en hun liefde waren meer waard dan alle rijkdommen van de wereld en de mannen droegen hen op handen, staken hen de lucht in, in de zonneglans van het geluk, vereerden en aanbaden hen, werden gelukkig van het delen van hun gedachten en plannen, triomfen en de faam die ze daarmee behaalden en zeiden dan bovendien dat die gelukkige meisjes alle plannen hadden gevoed en alle triomfen veroorzaakt.</p>

<p>En waarom zou je dan zelf niet zo´n meisje zijn? Ze zijn zus en ze zijn zo - en ze hebben er geen weet van; hoe zou ik dan wel weten hoe ik ben? En de dichters zeiden uitdrukkelijk dat dat het leven was en leven niet bestond uit borduren en naaien, in huis bezig zijn en domme visites afleggen. </p>

<p>Alles welbeschouwd verborg zich hier eigenlijk niets anders dan de enigszins ziekelijke neiging je eigen gevoel te kennen, een verlangen je zelf te vinden dat zo vaak ontwaakt in een meisje van meer dan gewone begaafdheid, maar het ergste was dat er in haar omgeving niet één superieure geest was die richting had kunnen geven aan haar talenten. Er was zelfs geen verwante geest te vinden en daarom ging ze zichzelf als iets bijzonders zien, iets unieks, als een soort tropisch gewas dat onder een koude zon was opgeschoten en dat nu slechts met moeite zijn bladeren kon ontvouwen, terwijl het in een warmere lucht onder een krachtiger zon ranke stengels met een wonderbaarlijk rijke, stralende bloemenpracht had kunnen voortbrengen. Dat, dacht ze, was haar eigenlijke natuur, die de juiste omgeving in haar zou wekken, en ze droomde duizenden dromen over die zonovergoten streken en ze werd verteerd van verlangen naar haar echte, rijke ik en ze vergat wat zo licht vergeten wordt dat zelfs de mooiste dromen, zelfs de diepste verlangens geen centimeter toevoegen aan de groei van de menselijke geest. </p>

<p>Toen kwam er op een mooie dag een aanbidder.
De jonge Lyhne van Lønborggaard, want hij was het, de laatste mannelijke telg van een geslacht dat al drie generaties lang tot de intelligentsia van de provincie hoorde. Op latere leeftijd dienden ze als burgemeester, gouverneur of koninklijk commissaris, vaak begiftigd met de titel van Raadsheer, vlijtig en gedegen hun koning en hun land. In hun jonge jaren hadden ze op verstandig georganiseerde en grondig uitgevoerde studiereizen naar  Frankrijk en Duitsland hun ontvankelijke geest verrijkt met de kennis, de esthetische ervaringen en de indrukken die zulke vreemde landen zo rijkelijk boden. Als ze dan naar huis terugkeerden, werden die jaren in het buitenland niet terzijde geschoven als oude herinneringen, zoals die aan een feest waarvan de laatste kaars is gedoofd en de laatste klank is weggestorven; het leven thuis stoelde juist op die jaren; de belangstelling die toen was gewekt, kreeg niet de kans te verflauwen, maar werd gevoed en ontwikkeld met alle middelen die hun ter beschikking stonden: uitgelezen gerechten, kostbare bronzen, Duitse dichtwerken, Franse gerechtelijke verhandelingen en Franse filosofie waren dagelijks aan de orde in de huizen van de Lyhnes. </p>

<p>Wat hun persoonlijkheid betrof, bewogen ze zich met ouderwets gemak en stijlvolle beminnelijkheid die een vaak wonderlijk contrast vormde met de plompe waardigheid en onbeholpen stijfheid van hun gelijken. Hun woorden waren breed uitgemeten, van een sierlijke puntigheid, maar retorisch enigszins geaffecteerd, onmiskenbaar, maar ze pasten goed bij deze grote, brede gestalten met hun hoog gewelfde voorhoofd, wijkende haarlijn en dikke krullen, hun lichte, rustig glimlachende ogen en fijngevormde, enigszins kromme neus; alleen was de onderste helft van het gezicht te zwaar, de mond te breed en ook de lippen waren veel te vol.</p>

<p>Zoals deze uiterlijke kenmerken minder extreem waren in de jonge Lyhne, zo was ook het intellect bij hem wat vermoeid geraakt en het was verre van het geval dat de geestelijke taken of serieus esthetische genietingen die op zijn weg kwamen, enige vorm van energie of aantrekkingskracht opwekten, maar hij pakte ze op met plichtsgetrouwe inspanning op, niet verzacht door vreugde om het gevoel dat zijn krachten werden aangesproken of beloond met enig trots gevoel van eigenwaarde als bleek dat ze voldeden. Tevredenheid dat de taak was volbracht, was alle loon dat hij ontving.</p>

<p>Zijn landgoed, Lønborggard, was hem als erfenis van een onlangs gestorven oom toegevallen en daarom was hij van zijn buitenlandse reis teruggekeerd om er zelf het beheer van op zich te nemen. Omdat de familie Blide zijn naaste buren van zijn stand waren en zijn oom op vertrouwelijke voet had gestaan met de familie, legde hij een bezoek af, zag Bartholine en werd verliefd op haar.</p>

<p>Dat zij verliefd werd op hem, sprak bijna vanzelf.
Eindelijk iemand uit de buitenwereld, iemand die in die grote, verre steden was geweest, waar wouden van torens en spitsen zich tegen de heldere, zonnige hemel aftekenden, waar de lucht trilde van klokgelui. Van het ruisen van orgels en de vlugge klanken van mandolines. Terwijl processies, schitterend van goud en kleuren door de brede straten golfden, waar de marmeren huizen glansden en de bonte wapenschilden van trotse geslachten twee aan twee boven de brede deuren prijkten, terwijl de waaiers glommen en de sluiers wapperden op de gewelfde balkons met hun gebeeldhouwde bloemen. Dit was iemand die door streken had gezworven waar triomferende legers over de wegen waren getrokken, waar machtige veldslagen de namen van dorpen en velden van een onsterfelijke glans hadden voorzien, waar de rook van de vuren van zigeuners verlangend opsteeg tot boven de boomkruinen, terwijl rode ruïnes van de heuvels die met wijnloof waren bedekt, neerkeken op het vriendelijke dal waar het waterrad ruiste en kuddes met klinkende bellen over de bruggen met brede bogen huiswaarts keerden. </p>

<p>Over al die dingen vertelde hij, maar niet zoals dichters dat doen, maar wel veel en o, zo vertrouwd zoals ze het hier over de stadjes in het district en de naburige parochies hadden. Hij sprak ook over schilders en dichters en er waren namen bij die hij de hemel in prees, maar die zij nooit eerder had gehoord. Hij liet haar hun schilderijen zien en las samen met haar hun gedichten in de tuin op de heuvel waar ze over het blinkende water van de fjord en de bruine golvende hei uitkeken - de liefde maakte hem poëtisch en werd tot schoonheid in de streek, de wolken werden de wolken die in de gedichten zweefden en de bomen in de tuin kregen het lover dat in de balladen zo weemoedig ruiste.</p>

<p>Bartholine was gelukkig, want haar liefde maakte dat de hele dag vervloeide tot een 
aaneenrijging van poëtische situaties. Zo was het poëzie als ze de weg afliep om hem tegemoet te gaan. De ontmoeting was poëzie, het afscheid was het; het was poëzie als ze in de glans van de avondzon op de heuvel stond om hem een allerlaatst vaarwel toe te wuiven en dan, melancholiek blij te moede, naar haar eenzame kamertje ging om ongestoord aan hem te kunnen denken en als ze voor hem bad in haar avondgebedje, dan was het ook poëzie.</p>

<p>Ze had die onbestemde wensen en verlangens niet meer, haar nieuwe leven met zijn wisselende stemmingen was haar genoeg en haar gedachtes en opvattingen waren helderder doordat ze nu iemand had tot wie ze zich zonder voorbehoud kon richten zonder angst verkeerd begrepen te worden. </p>

<p>Ook in een ander opzicht was ze veranderd. Het geluk had haar beminnelijker gemaakt tegenover haar ouders en haar broers en zusters, ze vond dat ze eigenlijk verstandiger waren en meer gevoel hadden dan ze altijd had gedacht.</p>

<p>En toen trouwden ze dus.
Het eerste jaar leek op hun verlovingstijd, maar toen hun samenzijn wat gewend was, kon Lyhne niet meer voor zichzelf verhelen dat hij het beu was steeds op nieuwe wijze uitdrukking te geven aan zijn liefde, gehuld in het verenkleed van de poëzie zijn vleugels gespreid te houden voor zijn vlucht door alle stemmingshemelen en gedachtedieptes. Hij verlangde ernaar in genoeglijke rust stil op zijn tak te zitten en doezelend zijn vermoeide hoofd te verbergen onder het warme verenkleed van zijn vleugels. Hij had zich de liefde niet voorgesteld als een eeuwig wakkere, oplaaiende vlam die met zijn sterke, flakkerende schittering alle rustige plooien van het bestaan bescheen en als in dromen alles groter en vreemder deed lijken dan het was. Veeleer was de liefde voor hem als de stille, smeulende gloed die vanuit zijn zachte aslaag gelijkmatig warmte uitstraalt en in de gedempte schemering stilaan het verre vergeet en het nabije dubbel zo nabij en dubbel zo huiselijk maakt.</p>

<p>Hij was moe, uitgeput, hij kon al die poëzie niet meer verdragen, hij snakte ernaar op de vaste grond van het dagelijks leven te staan, als een vis die stikt in de warme lucht, moet snakken naar de heldere, frisse koelte van de golven. Het moest ophouden, het moest vanzelf overgaan. Bartholine stond niet meer onervaren tegenover leven en literatuur, ze was er evenzeer mee bekend als hij, hij had haar alles gegeven wat hij had gekregen en nu moest hij blijven geven. Dat was onmogelijk, hij had niet meer - zijn enige troost was dat Bartholine zwanger was.</p>

<p>Al een tijdje had Bartholine met verdriet gemerkt dat haar beeld van Lyhne langzamerhand was veranderd en dat hij zich niet meer op die duizelingwekkende hoogte bevond waar zij hem in hun verlovingstijd had geplaatst. Ze twijfelde er nog niet aan dat hij  een poëtische natuur zoals ze dat noemde, maar ze was afgeschrikt want het proza begon af en toe zijn lelijke gezicht te tonen. Des te ijveriger joeg zij de poëzie na en poogde zij de oude toestand weer op te roepen door hem met een nog grotere rijkdom aan stemmingen, een nog diepere begeestering te overweldigen, maar ze vond zo weinig weerklank dat ze zichzelf bijna sentimenteel en geaffecteerd vond. Nog een poos probeerde ze de tegenstribbelende Lyhne mee te lokken. Ze wilde niet geloven wat ze vermoedde, maar toen langzamerhand het vruchteloze van haar pogingen twijfel wekten of haar geest en haar hart werkelijk zo grote rijkdom bevatten als ze had gedacht, liet ze hem opeens los, werd koel, zwijgzaam en gesloten en zocht de eenzaamheid om in alle rust om haar verloren illusies te treuren. Want dat zag ze nu in, dat ze bitter teleurgesteld was en dat Lyhne diep van binnen eigenlijk niet verschilde van haar oude omgeving en dat wat haar om de tuin had geleid zoiets gewoons was als dat zijn liefde hem een poosje een vluchtig aureool van geest en grootheid had verleend, zoals zo vaak in lagere naturne het geval is.</p>

<p>Lyhne verschrikte en bedroefde deze verandering in hun verhouding en hij streefde er  met onhandige pogingen naar weer in de vroegere, dweperige vlucht op te gaan, maar dat had alleen maar als effect dat Bartholine nog duidelijker inzag hoe zeer ze het mis had gehad.</p>

<p>Zo stonden de zaken er met het echtpaar voor toen Bartholine haar eerste kind ter wereld bracht. Het was een jongen en ze noemden hem Niels.</p>
]]>
    </content>
</entry>

<entry>
    <title>Al Galidi winnaar  - Schwob Nieuws</title>
    <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.schwob.nl/nieuws/rodaan-al-galidi-wint.php" />
    <id>tag:www.schwob.nl,2011:/nieuws//2.102</id>

    <published>2011-11-30T08:52:47Z</published>
    <updated>2011-11-30T14:26:12Z</updated>

    <summary>De Europese Unie Prijs voor Literatuur 2011, een prijs voor nieuwe of opkomende auteurs binnen de Europese Unie, werd op 28 november tijdens een ceremonie in Hotel Le Plaza in Brussel in de aanwezigheid van Androulla Vassiliou, Eurocommissaris voor Onderwijs en Cultuur, en Prinses Laurentien uitgereikt aan de twaalf winnaars. 
</summary>
    <author>
        <name>Orli Austen</name>
        
    </author>
    
    <category term="europeseunieprijsvoorliteratuur" label="Europese Unie Prijs voor Literatuur" scheme="http://www.sixapart.com/ns/types#tag" />
    <category term="rodaanalgalidi" label="Rodaan al Galidi" scheme="http://www.sixapart.com/ns/types#tag" />
    
    <content type="html" xml:lang="en" xml:base="http://www.schwob.nl/nieuws/">
        <![CDATA[<p><a href="http://www.euprizeliterature.eu/">De Europese Unie Prijs voor Literatuur 2011</a>, een prijs voor nieuwe of opkomende auteurs binnen de Europese Unie, werd op 28 november tijdens een ceremonie in Hotel Le Plaza in Brussel in de aanwezigheid van Androulla Vassiliou, Eurocommissaris voor Onderwijs en Cultuur, en Prinses Laurentien uitgereikt aan de twaalf winnaars. </p>
]]>
        <![CDATA[<p>De Europese Unie Prijs voor Literatuur wil de aandacht vestigen op de creativiteit en diversiteit van de hedendaagse Europese literatuur. De winnaars krijgen 5000 euro en de kans om met steun van de EU hun werk in andere talen te laten vertalen.</p>

<p>De twaalf winnaars werden op 11 oktober op de Frankfurter Buchmesse bekendgemaakt en zijn Kalin Terziyski (Bulgarije), Tomáš Zmeškal (Tsjechië), Kostas Hatziantoniou (Griekenland), Ófeigur Sigurðsson (IJsland), Inga Zolude (Letland), Iren Nigg (Liechtenstein), Immanuel Mifsud (Malta), Andrej Nikolaidis (Montenegro), Jelena Lengold (Servië), Ciler Ilhan (Turkije), Adam Foulds (Engeland) en Rodaan al Galidi (Nederland). </p>

<p>Rodaan al Galidi ontving de prijs voor zijn roman <em>De autist en de postduif</em>. Het is voor het eerst dat een Nederlandse auteur de EU-prijs krijgt. </p>

<p>&#8216;Het boek werd ná de prijs nog aan acht landen verkocht: voor de prijs was het al verkocht aan Engeland, Frankrijk en Italië, telkens aan grote,vermaarde uitgeverijen (Gallimard, Bompiani, MacLehose). Vooral kleinere uitgeverijen nemen de kans te baat om een goed boek goedkoop te verwerven - dankzij de Europese steun.&#8217;, aldus Rodaan al Galidi.</p>
]]>
    </content>
</entry>

<entry>
    <title>Jannah Loontjens - Schwob Medewerkers</title>
    <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.schwob.nl/medewerkers/jannah-loontjens.php" />
    <id>tag:www.schwob.nl,2011:/medewerkers//4.101</id>

    <published>2011-11-21T13:19:44Z</published>
    <updated>2011-12-16T12:35:14Z</updated>

    <summary>Jannah Loontjens is schrijver, dichter en filosoof. Ze groeide op in Zweden en Nederland, studeerde filosofie in Amsterdam en New York. In 2002 publiceerde ze de dichtbundel Varianten van nu en daarna verscheen Het ongelooflijke krimpen (2006).</summary>
    <author>
        <name>Jannah Loontjens</name>
        <uri>http://www.schwob.nl/medewerkers/jannah-loontjens.php</uri>
    </author>
    
    
    <content type="html" xml:lang="en" xml:base="http://www.schwob.nl/medewerkers/">
        <![CDATA[<p>Jannah Loontjens is schrijver, dichter en filosoof. Ze groeide op in Zweden en Nederland, studeerde filosofie in Amsterdam en New York. In 2002 publiceerde ze de dichtbundel <em>Varianten van nu</em> en daarna verscheen <em>Het ongelooflijke krimpen</em> (2006). In 2007 debuteerde ze als romanschrijfster met <em>Veel geluk</em>. In 2011 verscheen haar veelgeprezen roman <em>Hoe laat eigenlijk</em>.</p>
]]>
        <![CDATA[<p>Naast haar schrijverschap, doceert Loontjens filosofie en literatuurtheorie aan ArtEZ. Ze schrijft literatuurrecensies voor de <a href="http://www.vk.nl">Volkskrant</a>. </p>

<p>Zie voor meer informatie: <a href="http://www.jannahloontjens.nl">www.jannahloontjens.nl</a>.</p>
]]>
    </content>
</entry>

<entry>
    <title>Jens Peter Jacobsen - Schwob Auteurs</title>
    <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.schwob.nl/auteurs/jens-peter-jacobsen.php" />
    <id>tag:www.schwob.nl,2011:/auteurs//5.100</id>

    <published>2011-11-21T13:17:24Z</published>
    <updated>2011-12-16T12:46:59Z</updated>

    <summary>Jens Peter Jacobsen werd 25 jaar voor Rilke, Thomas Mann en Stefan Zweig geboren en fungeerde voor alle drie als literair voorbeeld. Hij was wetenschapper, vertaler van Darwin en hij schreef in zijn korte leven twee werken die een blijvende invloed op de 20e eeuw zouden hebben.
</summary>
    <author>
        <name>Orli Austen</name>
        
    </author>
    
    <category term="scandinavië" label="Scandinavië" scheme="http://www.sixapart.com/ns/types#tag" />
    
    <content type="html" xml:lang="en" xml:base="http://www.schwob.nl/auteurs/">
        <![CDATA[<p>Jens Peter Jacobsen was vertaler van Darwin, wetenschapper - hij kreeg van de universiteit van Kopenhagen een gouden medaille voor een scriptie over zoetwateralgen - en dichter ten tijde van de zogenaamde &#8216;moderne doorbraak&#8217; in de Deense literatuur in de jaren 1870. Jacobsen stond bekend als &#8216;de schrijver van zijn generatie&#8217;.</p>
]]>
        <![CDATA[<p>Zijn roman <em>Niels Lyhne</em> (1880) stelde menselijke, individualistische waarden tegenover de morele opvattingen van de samenleving en gaf hiermee stem aan de verwerping van de oude waarden van de Romantiek. </p>

<p>Jacobsen brak al in 1876 door met de historisch-psychologische roman <em>Fru Marie Grubbe</em>. Deze beschreef, voor het eerst in de Deense literatuur, een vrouw gedreven door instincten en verlangens.</p>

<p>Net als de korte verhalenbundel die Jacobsen in 1882 - drie jaar voordat hij stierf aan tuberculose - uitbracht, vallen ook Jacobsens romans op door hun zeer geladen, sfeervolle proza en bijna lyrische stijl.</p>

<p>Jacobsens poëzie werd niet in boekvorm gepubliceerd tot na zijn dood. Jacobsen had grote invloed op de Duitse literatuur rond het begin van de eeuw, o.a. op Rilke en Thomas Mann, en later Kafka. Componisten als Schönberg en Delius schreven muziek op teksten van Jacobsen.</p>
]]>
    </content>
</entry>

<entry>
    <title>Jens Peter Jacobsen - Schwob Artikelen</title>
    <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.schwob.nl/artikelen/boek/niels-lyhne.php" />
    <id>tag:www.schwob.nl,2011:/artikelen//1.99</id>

    <published>2011-11-21T12:45:54Z</published>
    <updated>2011-12-23T10:30:43Z</updated>

    <summary>Jacobsens belangrijkste onderwerp is misschien wel dat van de eenzaamheid van de andersdenkende. Jacobsens schetst de eenzaamheid die voortkomt uit de angst om eigenzinnig, zondig of onkuis gevonden te worden. Ook Niels Lyhne leed hieronder en voelde zich gevangen.</summary>
    <author>
        <name>Jannah Loontjens</name>
        <uri>http://www.schwob.nl/medewerkers/jannah-loontjens.php</uri>
    </author>
    
        <category term="Boek" scheme="http://www.sixapart.com/ns/types#category" />
    
    <category term="scandinavië" label="Scandinavië" scheme="http://www.sixapart.com/ns/types#tag" />
    
    <content type="html" xml:lang="nl" xml:base="http://www.schwob.nl/artikelen/">
        <![CDATA[<p>De roman <em>Niels Lyhne</em> (1880) van Jens Peter Jacobsen (1847-1885) opent met de beschrijving van een meisje van zeventien. Jacobsen beschrijft haar uiterlijk, maar de details die hij noemt verraden meteen iets van haar karakter. Zo speelt er rond haar mondhoeken een sensueel, maar gepijnigd trekje en zijn haar hoofdbewegingen nerveus.</p>

<p>Na enkele pagina&#8217;s wordt duidelijk dat het om de toekomstige moeder van de hoofdpersoon gaat. Hoewel menig klassieke roman opent met de familiegeschiedenis van een personage is het opmerkelijk dat Jacobsen vrijwel alleen aandacht heeft voor het karakter van de moeder. De vader van Niels Lyhne blijft zo goed als buiten beschouwing.</p>
]]>
        <![CDATA[<p>Jacobsens belangstelling voor het gevoelsleven van vrouwelijke personages blijkt eveneens uit zijn debuutroman <em>Fru Marie Grubbe</em>, waarmee hij in 1876 doorbrak. In deze historische roman schetst hij het leven van Marie Grubbe, een vrouw van adel, die haar verlangens en hartstocht naleefde, drie keer trouwde en in armoede eindigde. Naast Jacobsens scherpe psychologische inzicht worden zijn romans gekenmerkt door zijn buitengewoon poëtische stijl; in verfijnd woordgebruik beschrijft hij observaties van veelzeggende details. Zijn stijl zou met die van Gustave Flaubert vergeleken kunnen worden, met name in Flauberts roman <em>Madame Bovary</em> (1857). De moeder van Niels Lyhne deelt bovendien met Bovary haar hartstocht voor romantische literatuur. Ze laat zich graag meevoeren door poëzie waarin meisjes worden bezongen die mannen tot grootse ideeën inspireren. Waarom zou zij niet zo&#8217;n meisje kunnen zijn? vraagt ze zich af.</p>

<p>De hoop die uit deze vraag spreekt is typerend voor Jacobsens proza, dat een melancholieke, maar nietsontziende blik op de werkelijkheid biedt. Hoop is een sentiment dat steeds terugkeert, maar dat vaak tevergeefs blijkt. De alledaagse werkelijkheid is hard. Het huwelijk van de moeder van Niels Lyhne zorgt voor teleurstelling en verbittering. Anders dan bij Bovary, bestaat haar enige ontrouw eruit dat zij tegen de wil van haar echtgenoot de verbeelding van Niels blijft prikkelen met sprookjes en fantasieverhalen. Literatuur en poëzie brengen troost in het eentonige leven op het land, maar vormen ook de bron van onwerkelijke dromen.</p>

<p>Jacobsens oeuvre bevat naast de twee bovengenoemde romans slechts enkele korte verhalen en een dichtbundel. Ondanks dit kleine oeuvre is Jacobsen in Scandinavië een bekend auteur. Deze bekendheid heeft hij mede te danken aan de precieuze wijze waarop hij de tijdsgeest portretteert. De jaren negentig van de negentiende eeuw werden getekend door de verwarring die er heerste vanwege de verwerping van traditionele waarden en de groeiende invloed van wetenschappelijk onderzoek en het atheïsme. Jacobsen was zelf ook wetenschapper en vertaler van het werk van Darwin. Hoewel het wetenschappelijke denken gepaard ging met een groeiende nuchterheid, werd deze fin de siècle periode in de greep gehouden door een besef van het einde; het einde van de eeuw, van religie, van het leven. Deze zwaarmoedigheid is nadrukkelijk aanwezig in de roman <em>Niels Lyhne</em>. Het is een melancholie die bij die periode hoort, maar die ook geassocieerd wordt met de volksaard van de noordelijke landen.</p>

<div class="kader">

<p>Thomas Mann en Jens Peter Jacobsen</p>

<p>Thomas Mann was geïnteresseerd in Scandinavische literatuur, als jonge schrijver sprak hij al over zijn liefde voor de Scandinavische cultuur, die hij trachtte te verklaren met de uitspraak: &#8216;fremde Heimat, heimatliche Fremde&#8217;. Schrijvers als Ibsen, Strindberg, Andersen en Hamsun beïnvloedden zijn werk. De grootste invloed op zijn schrijven echter had de Deense auteur Jens Peter Jacobsen. Mann koesterde grote bewondering voor zijn roman <em>Niels Lyhne</em> (1880), die een tijdlang fungeerde als hét cultboek van de melancholische, door decadentie en verval gefascineerde generatie van het Fin de siècle. In 1924 zei hij in een toespraak tijdens een bezoek aan Kopenhagen: &#8216;Elke wakkere Duitse student draagt <em>Niels Lyhne</em> in zijn hart, als hij de roman niet al in zijn zak meedraagt&#8217;.</p> 

<p>Niet alleen vond Mann in <em>Niels Lyhne</em> een literair-verhalend stijlmodel, maar ook het boeiende thema van het zoeken van een &#8216;thuis&#8217; en het onderdrukken van impulsen in het geordende dagelijks leven vonden bij Mann weerklank. Hij gaf aan deze onderwerpen voor het eerst vorm in zijn novelle <em>Der kleine Herr Friedemann</em>. Ook de antithese van de donkerharige, gevoelige Tonio Kröger tegenover de blonde, vitale Hans Hansen was gemodelleerd naar Jacobsen.&#8217;</p>

<p>uit: Walter Schönau, &#8216;Thomas Mann und Skandinavien&#8217; - Tijdschrift voor Scandinavistiek</p>

</div>

<p>Hoewel de donkere stemmingen en de daarmee samengaande overpeinzingen veelvuldig in de Scandinavische literatuur zijn terug te vinden, gaat dit vaak gepaard met een gevoel voor ironie waarmee om de ellendigheid van het bestaan gelachen kan worden. Deze zelfrelativering is over het algemeen groter in de stad dan op het platteland. Dit verschil komt ook in Jacobsens roman terug. Niels groeit op in een landelijke omgeving. De eentonigheid van het plattelandse leven zorgt ervoor dat Niels al hevige passie in zich voelt opbloeien als hij per toeval de delicate naakte voeten van zijn tante ziet. Hij is op slag verliefd. Als de gezondheid van deze vrouw afneemt, brengt hij nachtenlang op zijn knieën door, God smekend om zijn tante haar kracht terug te schenken. Toch sterft zij. Hierdoor verliest Niels ieder vertrouwen in de goedheid van de almachtige God. Hij neemt resoluut afscheid van zijn geloof en zal in zijn ongeloof zeer vasthoudend blijken. </p>

<p>Als Niels het platteland achter zich laat en naar Kopenhagen trekt, ontdekt hij dat er meer mensen zoals hij zijn. Voor het eerst herkent hij zijn eigen, meest heimelijke gedachten in de uitspraken van leeftijdgenoten. Niels hervindt weer enige levenslust en denkt bondgenoten te hebben gevonden. Toch blijken ook de intellectuelen en kunstenaars in de stad angstig voor het oordeel van anderen, voor roddels en reputatie. Als het niet om christelijke moraal gaat, dan zijn het wel de maatschappelijke normen en de etiquette van de betere milieus die de idealen en verlangens van deze mensen kortwieken. Zo is Niels uiteindelijk ook in de stad alleen met zijn dromen en ideeën.</p>

<div class="kader">

<p>Rainer Maria Rilke, &#8216;Brief an einen jungen Dichter&#8217;</p>

<p>&#8220;Nun wird sich Ihnen <em>Niels Lyhne</em> auftun, ein Buch der Herrlichkeiten und der Tiefen; je öfter man es liest: es scheint alles darin zu sein von des Lebens allerleisestem Dufte bis zu dem vollen, großen Geschmack seiner schwersten Früchte. Da ist nichts, was nicht verstanden, erfaßt, erfahren und in des Erinnerns zitterndem Nachklingen erkannt worden wäre; kein Erleben ist zu gering gewesen, und das kleinste Geschehen entfaltet sich wie ein Schicksal, und das Schicksal selbst ist wie ein wunderbares, weites Gewebe, darin jeder Faden von einer unendlich zärtlichen Hand geführt und neben einen anderen gelegt und von hundert anderen gehalten und getragen wird.</p> 

<p>Sie werden das große Glück erfahren, dieses Buch zum ersten Male zu lesen, und werden durch seine unzähligen Überraschungen gehen wie in einem neuen Traum.&#8221;</p>

</div>

<h4>Bij voorbaat zondig</h4>

<p>Al voelt Niels zich moedig en vooruitstrevend, het atheïsme schenkt weinig vrijheid. Hij leidt een keurig leven, maar de mogelijke zondigheid van zijn handelingen en opvattingen blijft hem bedreigen. Door zijn ongeloof lijkt hij bij voorbaat zondig. Het strenge oordeel over ongelovigen is een onderwerp dat Jacobsen deelt met andere Scandinavische auteurs van zijn generatie. Zo schetst de Noorse auteur Amalie Skram (1846-1905) in haar prachtige roman <em>Forradt</em> (1892) hoe de principes van het geloof een echtgenoot tot wanhoop drijven en hem de dood in jagen. Evenals Niels Lyhne, maakt ook de roman <em>Forradt</em> voelbaar hoe angstig en klein mensen zich onder Gods oordeel voelden.</p>

<p>Skrams roman geeft blijk van een groot talent voor het neerzetten van realistische, rake dialogen. Daarnaast weet Skram op heldere wijze de tegenstrijdigheden in een persoonlijkheid te belichten, waardoor ze ondanks het naargeestige verhaal toch een zekere lichtheid en humor in haar roman weet aan te brengen. <em>Forradt</em> vangt aan vlak na het huwelijksfeest van het zeventienjarige meisje Ory en de zeeman Riber. Ory smeekt haar moeder thuis te mogen blijven wonen, aangezien het zojuist tot haar is doorgedrongen dat ze het bed zal moeten delen met haar echtgenoot. Dit lijkt haar een afschuwelijk vooruitzicht. Hoewel het verhaal van dit naïeve en zeer gelovige meisje centraal staat in het boek, en Amalie Skram zelf een mislukt huwelijk met een zeeman doormaakte, is deze roman geen afrekening. De zeebonk Riber wordt net zozeer als slachtoffer van de situatie neergezet als de jonge Ory.</p>

<p>Als Ory vermoedt dat Riber er niet altijd een even vroom leven op heeft nagehouden, vraagt zij hem alles op te biechten. Zij wil niet het gevoel hebben dat haar man iets voor haar verbergt. Skram laat op schrijnende wijze zien dat Ory&#8217;s verlangen naar eerlijkheid en waarheid juist haar ondergang inluidt. Net als in Jacobsens werk, zijn het geregeld de christelijke principes die de personages het leven ondraaglijk maken. Met de Bijbel in de hand veroordeelt Ory het vroegere leven van haar echtgenoot, die zowel bordeelbezoek als affaires aan haar heeft opgebiecht. Ory gebiedt hem hiervoor spijt te betuigen en aan te tonen dat hij zijn leven gebeterd heeft. Haar man wil alles doen om haar gerust te stellen en beantwoordt gehoorzaam de vragen die zij op hem afvuurt. Hoe meer Ory van haar echtgenoot te weten komt, hoe wanhopiger zij wordt. Het geloof stelt haar niet in staat vergeving te schenken, maar vormt juist de legitimering om hem te straffen.</p>

<p>Hoe zwaar het leven wordt als gedachten en handelingen continu op zondigheid worden gescreend, brengt ook Niels soms tot wanhoop. Als Niels na jaren van eenzaamheid verliefd wordt op de vrouw van zijn jeugdvriend, wil hij zichzelf en deze vrouw niet veroordelen. De vrouw had zich in haar huwelijk bekneld en eenzaam gevoeld en Niels slaagt erin haar een sprankje levensvreugde te laten herontdekken. Dat kan toch niet slecht zijn? denk hij. Maar als haar echtgenoot onverwacht om het leven komt, keert het lot zich wederom tegen hem. De vrouw beschouwt het als een straf van God en walgt van Niels, die haar tot ontrouw verleidde. </p>

<h4>Van de Bijbel naar Freud</h4>

<p>De generatie schrijvers die Skram en Jacobsen zal opvolgen laat zien hoe de jongeren van enkele decennia later zich een stuk succesvoller van het geloof weten te bevrijden. Zo portretteert de Noorse schrijver Sigurd Hoel (1890-1960) in zijn roman <em>Syndere i sommersol</em> (1927) een groepje studenten dat zich in de zomervakantie op een eiland bevindt langs de Noorse kust. Deze jongeren hebben de Bijbel vervangen door de theorieën van Freud, waar ze om de haverklap aan refereren. Zowel de jongens als de meisjes rondden een studie af en hebben zich voorgenomen de vakantie te gebruiken om aan hun scripties te schrijven. Ze zijn het erover eens dat ze niet moeilijk zullen doen over affaires of seksuele aantrekkingskracht, ze zijn volwassen genoeg om daar verstandig mee om te gaan, vinden ze.</p>

<p>De groep vrienden deelt opvattingen over liefde en seks die amper onderdoen voor de vrijgevochten moraal van de jaren zestig. Ook de rol van vrouwen en het feminisme lijken hun tijd ver vooruit. Jaloezie wordt door deze jongeren als een achterhaald sentiment beschouwd, en ook over onkuisheid doen ze niet moeilijk. Het is frappant hoezeer de ideologie van het Noorse meisje uit Skrams boek verschilt van haar landgenoten enkele decennia later. Volgens Ory waren onkuisheid en lustgevoelens zondig, haar waanzinnige jaloezie was daarentegen niet zondig, maar juist een bewijs van huwelijkse toewijding. In Hoels boek wordt jaloezie veeleer als een teken van angst, onzekerheid of bezitterigheid gezien, en dus als een bewijs van zwakte waar niet aan toe moet worden gegeven.</p>

<p>Hoewel Freuds psychoanalyse zeer populair was in Hoels tijd, was deze tijdens Skrams leven nog onbestaand. Schrijnend is dat Amalie Skram zelf slachtoffer werd van de beperkte kennis van psychiatrie. Nadat ze oververmoeid en overspannen in een ziekenhuis werd opgenomen, werd ze als geestelijk gestoord gediagnosticeerd, waardoor ze in een inrichting werd opgesloten. Pas na een overplaatsing naar een andere gesloten inrichting, waar een dokter vond dat er niets aan haar mankeerde, kon zij naar huis. Skram schreef hierna een boek over de misstanden in de psychiatrie.</p>

<p>Hoewel Skrams personages, net als zijzelf, veelal nog afhankelijk waren van het oordeel van mannen, zijn het in Hoels <em>Syndere i sommersol</em> voornamelijk de vrouwen die daadkrachtig zijn en de wereld willen verbeteren. De verteller beklaagt zich soms over de radicale houding van zijn feministische vriendinnen. Wat een verschil met de arme Ory die gevangen zit in een huwelijk! En ook nog wel op een boot waar ze niet af kan, met als enige wapen de Bijbel waarmee ze niet haar vrijheid wil bevechten, maar ook haar man terug het gevang in wil jagen.</p>

<p><em>Niels Lyhne</em> zou gezien kunnen worden als de verpersoonlijking van de overgang van het christelijk gedachtegoed naar een meer psychologische benadering van het gevoelsleven. Niels houdt zich aan zijn principes vast, al blijft de neiging om de tegenspoed in zijn leven als een straffe des Gods te zien op de loer liggen. Toch is Niels niet klein te krijgen. Zelfs als hij tegen het einde van zijn leven zijn vrouw en kind verliest en uiteindelijk zelf een pijnlijke dood sterft, weigert hij een geestelijke aan zijn bed.</p>

<p>Jacobsens belangrijkste onderwerp is misschien wel dat van de eenzaamheid van de andersdenkende. Het is dan ook niet toevallig dat Jacobsens aandacht veelal uit gaat naar de positie en de belevingswereld van de vrouw. Aangezien vrouwen eind negentiende eeuw nog aanzienlijk minder rechten, mogelijkheden en vrijheden hadden dan mannen, stootten zij al gauw op hindernissen als zij hun verlangens of wensen trachtten na te leven. Jacobsens schetst de eenzaamheid die voortkomt uit de angst om eigenzinnig, zondig of onkuis gevonden te worden. Ook Niels Lyhne leed hieronder en voelde zich gevangen. Zijn ideeën over het leven en de liefde waren gevleugeld en vrij, maar wat hij hiervan terugzag in het dagelijks leven was bar weinig. </p>

<p>Hoewel de drie genoemde romans scherpe weergaven van een tijdsgeest zijn, is de stijl van schrijven in geen van deze boeken gedateerd. Hoels roman is vlot en vol humor, Skrams verhaal wordt met vaart en op een zeer directe wijze verteld. Jacobsens perfectionisme en poëtisch taalgebruik geven blijk van een talent dat tijdloos is. Bovendien blijven de observaties die Niels maakt en zijn zelfbewuste blik op de medemens ook vandaag de dag zeer herkenbaar. Jacobsen beschrijft dat Niels zich soms voelde alsof hij een halve eeuw te laat was geboren en soms alsof hij veel te vroeg ter wereld was gekomen. Hij kon met jaloezie mensen observeren die zich thuis leken te voelen in het leven dat hen was toebedeeld; Niels&#8217; eigen gedachten waren altijd die van iemand die zich nergens echt bij voelde horen. Dergelijke gedachten horen ook niet bij een bepaalde periode, maar zijn van elke tijd.</p>
]]>
    </content>
</entry>

</feed>

