Auteurs
Yusuf Idris
Yusuf Idris werd in 1927 in al-Bayrûm, een dorp in de Egyptische Delta in een middenklasse gezin geboren. Omdat zijn vader een reizend bestaan leidde, werd hij grotendeels door zijn overgrootmoeder en later door een oom opgevoed. In 1945 ging hij medicijnen studeren in Caïro, waar hij actief deelnam aan de studentenacties tegen de Engelse overheersing, hetgeen hem tot tweemaal toe in de gevangenis deed belanden. Hoewel hij zich nooit bij de communisten heeft aangesloten, voelde hij zich verwant met hun ideeën en ook na de revolutie van1952 en nadat de aanvankelijk hartelijke verhouding tussen Nasser en de communistische beweging aanmerkelijk was bekoeld, bleef hij hun trouw.
Vanaf 1953 begon hij zich naast zijn werkzaamheden als inspecteur van volksgezondheid, die hij pas in 1967 definitief zou opgeven, intensief bezig te houden met journalistiek. Hij werkte voor verscheidene kranten als publicist en literair redacteur. Ook op het gebied van verhalend proza was hij buitengewoon productief. In 1953 publiceerde hij maar liefst zestien korte verhalen.
In 1954 werd Idris wegens zijn kritiek op de politiek van Nasser gevangen gezet. Na zijn vrijlating in 1955 en nadat het tot een definitieve breuk was gekomen tussen de communisten en het regime, verbrak Idris alle banden met de communistische beweging en verzoende hij zich met Nasser. In 1966 ontving hij van Nasser een onderscheiding voor zijn werk, maar hun verhouding zou altijd onbestendig blijven.
In de jaren zestig begon Idris zich naast korte verhalen ook toe te leggen op het schrijven van toneelstukken. Hij schreef zijn beroemde en beruchte werk al-Farafîr (De Fladderaars), een absurdistisch en humoristisch stuk over machtsverhoudingen, dat verhitte discussies onder het publiek veroorzaakte en Idris de beschuldiging van ‘anti-socialist’ opleverde. In 1969 presenteerde hij al-Mukhattatîn (De gestreepten), dat vanwege zijn uitgesproken politieke inhoud niet mocht worden opgevoerd.
Ondanks, of misschien wel door zijn drukke en uiterst productieve werkzaamheden, raakte Idris vanaf het begin van de jaren zestig in een fysieke, mentale en artistieke crisis. Hij leed aan een hartkwaal, waaraan hij jaren later, in 1975 zou worden geopereerd. Bovendien ging hij gebukt onder zware depressies. Zijn teleurstelling over de Arabische nederlaag in de oorlog van1967, die hij toeschreef aan het falen van Nassers socialistische revolutie, heeft zeker niet bijgedragen tot een spoedig herstel.
In 1969 schreef hij naar aanleiding van de oorlog het korte verhaal al-Khud’a (De deceptie), een felle satire op de persoonsverheerlijking van Nasser, waardoor hij bij de machthebbers in ongenade viel. In 1973 werd hij weer in ere hersteld. Daarna heeft hij, tot zijn dood in 1991, een redelijk goede verhouding met de heersende Egyptische regimes gehad. In een tijd van intellectuele en culturele depressie, waarin veel intellectuelen de wijk namen naar het buitenland, koos hij er bewust voor om ‘als martelaar van de jaren zeventig’ in Egypte te blijven.
Vanaf het begin van de jaren zeventig schreef Idris regelmatig columns en artikelen voor al-Ahrâm, het grootste dagblad van Egypte. Ondanks zijn slechte gezondheid is hij dat tot zijn dood blijven doen.
Artikel
Yusuf Idris | door Marcel Kurpershoek | 04.06.2011
In 1946 verkeerde Egypte in oproer. Revolutie hing in de lucht. Jongeren met een opleiding kwamen in opstand tegen de leugens en de ongelijkheid. Het land was in naam onafhankelijk, maar het Britse leger maakte er de dienst uit. ...
Fragment
De republiek van Farahat | vertaling Djûke Poppinga | 25.05.2011
“Zodra ik in het gezelschap van mijn bewaker een voet over de drempel had gezet, werd ik bevangen door een onverwachte vlaag van zwaarmoedigheid. Dit was weliswaar niet de eerste keer dat ik op het politiebureau kwam, maar het was wel de eerste keer dat ik het bij avond zag. Dat was ongetwijfeld de reden waarom ik me in een onderaardse loopgraaf waande, die niets met het heden of zelfs met het recente verleden te maken had. De muren waren voor de helft bedekt met een zwarte, verfachtige substantie” ...
Yusuf Idris
Bayrum, 1927 - 1991
Reageer