schwob_logo

marcel
actie
Annie Dillard - Pelgrim langs Tinker Creek

2019 | Podium | € 24,95 | gebonden, 304 blz. | vertaald door Henny Corver

Annie Dillard

Pelgrim langs Tinker Creek (Atlas Contact)

Boek

In 1971 woont Annie Dillard, een jaar in de Amerikaanse staat Virginia, in een vallei waardoor de rivier Tinker Creek stroomt. Bijna dagelijks zwerft ze langs de oevers, waar haar geen detail ontgaat. Energiek en bezield vertelt ze in haar boek over de vaak genadeloze natuur in en rond de rivier en laat ze zien hoe gedurende de seizoenen alles onophoudelijk aan verandering onderhevig is. Ze dwingt de lezer voortdurend naar de details te kijken, en confronteert hem aldoor met het mysterie, de schoonheid én de wreedheid van het leven. En dat is meteen de grootste les van Dillards proza: dat we niet los van de natuurlijke wereld leven, maar er deel van uitmaken.

Het met de Pulitzer Prijs bekroonde Pelgrim langs Tinker Creek is een subliem poëtisch essay, een zoektocht naar de betekenis van het leven en een natuurklassieker van jewelste.

Biografie

Annie-Dillard

Annie Dillard (1945) werd in Pittsburgh, Pennsylvania, geboren en schrijft romans, gedichten en essays. Voor haar werk ontving ze talloze prijzen en eredoctoraten. In 1999 werd Annie Dillard voor het leven benoemd in the American Academy of Arts and Letters en in 2013, tegelijk met Paul Theroux, Julian Barnes en Martin Amis, in The American Academy of Arts and Sciences. In 2014 ontving ze uit handen van president Obama de prestigieuze National Humanities Medal.

Vertaler

Henny Corver werkt sinds 1975 als literair en als ondertitelvertaler. Na een eerste specialisatie in komische films en series, richtte ze zich later op commentaarvertalingen in documentaires. Ook haar bibliografie binnen de literaire vertalingen omschrijft zij als eclectisch.

Fragment

Hemel en aarde, voor de grap

Ooit had ik een kat, een ouwe vechtjas, die de gewoonte had om in het holst van de nacht door het open raam bij mijn bed naar binnen te klimmen en met een plof op mijn borst te springen, zodat ik half wakker werd. Onder luid gespin duw­ de hij dan zijn naar urine en bloed stinkende kop onder mijn neus. Soms kneedde hij met zijn voorpootjes mijn blote borst, hard, zijn rug gekromd, alsof hij zijn nagels scherpte of de melk uit zijn moeders tepels masseerde. ’s Morgens als het licht werd zag ik dan een bloederig spoor van poezenpootjes op mijn lijf, alsof ik met een rozenpatroon was beschilderd.

Het was heet, zo heet dat de spiegel warm aanvoelde. In een waas waste ik me voor die spiegel; mijn verwarde zomerslaap hing nog als zeewier om me heen. Waar kwam dat bloed van­ daan, wat waren dat voor rozen? Misschien was het de Tudor­ roos, symbool van eenheid, en het bloed van doodslag, of de roos van naakte schoonheid en het bloed van een gruwelijke geboorte of offer. De sporen op mijn lichaam konden emble­men zijn of smetten, de sleutel tot het koninkrijk of het Kaïns­ teken. Ik wist het niet. Ik wist nooit, terwijl ik me waste en het bloed vervloeide, verwaterde en uiteindelijk verdween, of ik mezelf had gezuiverd of het bloedteken ter vrijwaring van Gods toorn had uitgewist. We ontwaken, als we al ooit ontwa­ken, tot een mysterie, gissingen over dood, schoonheid, ge­weld… ‘Volgens mij zijn we hier gewoon neergepoot,’ zei een vrouw laatst tegen me, ‘en we hebben geen sjoege waarom.’

Dit zijn ochtenddingen, beelden die je droomt als de laatste golf je op het droge tilt, naar het heldere licht en de wind die je droog blaast. Je herinnert je iets zwaars, een gekromd slapend iets waartegen je rustte, zacht, als een sint­jakobsmossel in zijn schelp. Maar de lucht verhardt je huid; je richt je op; je verlaat de zonnige kust om een schimmige kaap te verken­ nen, en algauw verdwaal je in het lommerrijke binnenland, de blik vooruit, en vergeet je wat achter je ligt.

Ik denk nog wel eens aan die oude kater, ’s morgens bij het wakker worden. Tegenwoordig is het leven tammer; ik slaap nu met het raam dicht. De kat en onze rituelen zijn verleden tijd en mijn leven is veranderd, maar de herinnering aan iets krachtigs dat boven op me speelt beklijft. Ik ontwaak vol ver­ wachting, in de hoop iets nieuws te zien. Met wat geluk heeft een onbekend vogelgeluid me wakker gefloten. Dan kleed ik me haastig aan, verbeeld me een tuin vol fladderende alken of flamingo’s. Vanmorgen was het een carolina­eend, bij de ri­vier. Hij vloog weg.

Ik woon aan een riviertje, Tinker Creek, in een dal in de Blue Ridge in Virginia. Het onderkomen van een kluizenaar of anachoreet wordt ook wel een ankerpunt genoemd; som­ mige ankerpunten waren simpele hutjes, tegen de kerkmu­ ren geplakt. Voor mij is dit huis, tegen de oever van Tinker Creek geplakt, ook een ankerpunt. Het verankert me aan de rotsbodem van de rivier en houdt me stabiel in die neerstro­ mende baan van licht. Het is een fijne plek om te wonen, een plek die tot peinzen noodt. De rivieren, Tinker en Carvin’s Creek, zijn een actief mysterie, elke minuut anders. Hun mys­ terie is dat van de schepping die immer doorgaat en alles wat de voorzienigheid impliceert: het steeds weer wisselende beeld, de gruwel van het verstarde, het vervliegen van het he­den, het oneindig verfijnde van schoonheid, de pressie van voortplantingsdrift, de ongrijpbaarheid van al wat vrij is en het onvolmaakte van perfectie. De bergen – Tinker en Brushy, McAfee’s Knob en Dead Man – zijn een passief mysterie, het oudste van allemaal. Hun mysterie is dat ene heel simpele: van schepping uit het niets, van stof zelf, van wat dan ook, het gegevene. Bergen zijn reuzen, ze zijn vredig, ze absorberen. Je kunt je hele ziel in een berg storten en de berg houdt haar vast, koestert haar, en gooit haar niet terug, zoals sommige rivieren doen. De rivieren zijn de wereld met al haar drang en schoon­ heid; daar woon ik. Maar de bergen zijn mijn thuis.

Reacties

‘Dillards stijl is bezield, onbesuisd. Voor haar niet de avondstilte van het eerbiedige natuurproza, geen zinnen van geboende mahoniehout. Ze flapt er alles uit, lyrisch, opgewekt, gepeperd, recht voor z’n raap.’ – Robert Macfarlane in the Guardian

‘Ze beschrijft haar wandelingen langs de steeds weer wisselende en daardoor ongrijpbare rivier op een manier die haar schrijverschap verraadt: fijnzinnig, begeesterd, lyrisch. Nergens dweepziek of romantisch, want ze erkent het wrede en hachelijke aspect van de natuur. Het maakt het lezen van Pelgrim langs Tinker Creek tot een verstilde en tegelijk stimulerende ervaring. Het leven in al haar mysterie ontvouwt zich, inzichten borrelen op over schoonheid, de dood, de betekenis van leven. Ze bezoekt de plek alsof ze een orakel bezoekt en wij, de lezers, volgen haar ademloos.’ – Happinez

‘In Pelgrim langs Tinker Creek is de natuur hoofdpersoon en de mens figurant. Alles leeft, alles ademt en alles verandert. Annie Dillard laat zien hoe levend de natuur is en hoe groots het leven.’ – Eva Meijer

‘Haar werk kan je niet lezen zonder achteraf met nieuwe ogen om je heen te kijken.’ ★★★★ – Kathy Mathys, De standaard

••••• – NRC