schwob_logo

marcel
actie
Jean Rhys - Alle verhalen

2019 | Orlando | € 27,99 | gebonden, 416 blz. | vertaald door W.A. Dorsman-Vos en Lisette Graswinckel

Jean Rhys

Alle verhalen (Orlando)

Boek

Een duizelingwekkende en sprankelende collectie verhalen van een van de grote schrijvers van de twintigste eeuw. Jean Rhys neemt de lezer mee naar het West-Indische Dominica van haar jeugd, Londen ten tijde van de Eerste Wereldoorlog en naar schimmige bars en hotels in de jaren twintig in Parijs. Ze worden bevolkt door dansmeisjes, oude dames die in armoede zijn vervallen en andere buitenstaanders.

Biografie

Jean Rhys

Jean Rhys (1890-1979), pseudoniem van Ella Gwendolen Rees Williams, is de dochter van een Creools-Schotse moeder en een arts uit Wales. Ze groeide op op Dominica, een eiland in de Caribische Zee. In 1927 debuteerde ze met de verhalenbundel The Left Bank and Other Stories. In 1966 publiceerde ze haar belangrijkste roman De wijde Sargassozee, een hervertelling van Charlotte Brontës Jane Eyre.

Vertaler

Lisette Graswinckel is literair vertaler en cultuurwetenschapper.
Ze vertaalde onder meer werken van Leonora Carrington, Edna Ferber, Joseph Conrad en Edith Wharton. Ook heeft ze onder meer lesgegeven op de Vertalersvakschool en de ITV Hogeschool voor tolken en vertalen

Fragment

Moeder leren zijn

Op de voordeur zat een grote koperen plaque:

MADAME LABORIAU
Sage-femme des Hôpitaux.

Consultations 12 à 4.

vervolgens, voorbij het hokje van de conciërge, een steile trap omhoog… Een gebed zonder end, die trap, als je hem klampend aan de reling en krimpend van de pijn beklom. Daarna wederom een deur met een kleiner bordje: Sage-femme.

Binnen was het een janboel: luide stemmen, jengelende baby’s, een warme dekengeur, een kermende vrouw. Als bevoegd vroedvrouw was madame Laboriau immers wettelijk verplicht een grote zaal beschikbaar te hebben voor de overloop van de ziekenhuizen… Ik zie de vrouwen als ik de openstaande deur passeer, drie zijn het er, eentje al buiten zinnen van de pijn, de anderen slaan haar ontsteld en wit om de neus gade. Ik kijk vlug weg. Een lange gang brengt me bij mijn eigen kamer. Geluksvogel! Ik kan me het voorrecht veroorloven in mijn eentje te kermen.

Het is een onvoorstelbare kwelling, dat elektrische licht. Kon ik ze maar vragen het uit te doen. Moeizaam zoek ik naar het Franse woord voor licht… ‘Lumière… Éteindre la lumière.’ Ze begrijpen niet wat ik bedoel en ik begin te snikken.

Madame Laboriau bet mijn voorhoofd, bekijkt me met een deskundige blik. Ik sla mijn ogen naar haar op en zeg met klem: ‘Anesthésique… On m’a promis…

Ze glimlacht en beklopt mijn hand. ‘La la la la,’ zegt ze, al bijna bij de deur.

Ik ben weer alleen met het licht, geel en wreed. Maar nu is het verdubbeld, in de lengte uitgerekt en door een flakkerende halo omgeven.

Ik staar naar de halo terwijl de immense pijn me optilt en uitwringt, strakker, strakker, strakker.

Regardez,’ zegt madame Laboriau, ‘comme il est beau votre fils…’ Kijk eens wat een knappe jongen!

Ik kijk en denk, zwakjes: arm scharminkeltje!

Neem hem maar mee, zeg ik paniekerig, en dan: dorst!

Colette kwam langs zo gauw ik bezoek mocht ontvangen, beladen met bloemen en druiven, uiteraard. Ze was bevriend met mijn man en zocht me op zodra ik in Parijs kwam wonen, vermoedelijk uit beleefde belangstelling… Maar we raakten nieuwsgierig naar elkaar en gingen steeds vertrouwelijker met elkaar om… Ze had alles mee. Ze was mooi, vrolijk en ze las Tolstoj. Hij diende slechts als slaapmiddel, maar toch, ze las hem. Toen ik een nacht bij haar logeerde heb ik het met eigen ogen gezien.

Ze was niet slechts een Parisienne: ze was een Monmartroise, dat wil zeggen een Parisienne tot de n’de macht.

En zo genereus… Ze overwoog te trouwen, maar met weinig fiducie, geloof ik.

Enfin, ze kwam de baby kirrend bewonderen. Ik verantwoordde mijn gebrek aan enthousiasme door te zeggen dat ik een meisje had gewild…

Ah, mais, non, par exemple!’ zei ze beslist. ‘Een man, een zoon! Dat stelt wat voor. Maar een vrouw… de zoveelste pauvre miserable… En Michel? Is hij niet trots? En verheugd?’

Ik antwoordde: ja. Zeer verheugd. Zeer trots. En de naam van de kleine spruit?

‘Robert,’ zei ik met beschaamde kaken.

‘Robayre, bon. Maar ik dacht dat het Michel zou worden!’ Ik had hem Michael willen noemen. Robert was me ontglipt. Het zat zo: enkele dagen na zijn geboorte had er een gerimpeld, verschrompeld mannetje aan mijn bed gestaan, iemand van het gemeentehuis. Aanvankelijk glimlachte hij zeer beleefd.

Was ik getrouwd? Ja.

De naam van mijn echtgenoot?

Zorgvuldig las ik voor van de trouwakte, die ik onder mijn hoofdkussen bewaarde: Michel Ivan…

Verbluffend hoe rap de glimlach van zijn gezicht verdween. ‘Ivan… maar dan… Uw echtgenoot is een Rus. Een bolsjewiek, ongetwijfeld!’

Ik zei dat mijn echtgenoot een Fransman was, maar een Rus van geboorte.

‘Ivan… Ivan… c’est Bolshevik, ça,’ protesteerde hij, niet overtuigd.

Vervolgens, vinnig: ‘En de naam van dit kind, madame?’ Ik keek hem met grote ogen aan, overvallen door de vraag.

‘De naam van het kind, madame?’ vroeg hij, nog vinniger nu.

En in mijn verschrikte toestand stamelde ik de eerste naam die bij me opkwam: Robert!

Toen we weer alleen waren, sprak ik mijn zoon berouwvol toe: ‘Eerst mag ik je niet en nu heb ik je zomaar Robert genoemd. Arm schaap.’

Zo was het, helaas. Ik mocht hem niet. Ik had te zwaar geleden. Ik was te uitgeput.

Ik hield mijn gevoelens angstvallig geheim, maar ik kon me er met de beste wil van de wereld niet toe zetten hem een zoen te geven… Goddank sliep hij het grootste deel van de tijd. De daaropvolgende dagen rustte ik, las een boek getiteld Saadha la Marocaine en sprak met madame Laboriau als ze even tijd had om bij me te zitten.

Ik bewonderde haar inmiddels. Het was onmogelijk geen bewondering te koesteren voor iemand die zo rustig, zo efficiënt, zo volledig zichzelf en haar werk de baas was… Ze was dik, had kalme, pientere, blauwe ogen en droeg onder haar werkkleding vrolijk gekleurde jurken van fluweel. Haar handen waren klein, bleekwit en bijzonder behendig…

Wanneer ze met een van die handen de baby optilde en hem ergens halverwege omvatte, herkende het wezentje de hand van de meester en stopte onmiddellijk met huilen.

Over mijn gemis aan enthousiasme over hem, zei ze: ‘Dat is normaal. Dat komt wel, dat komt wel. Je bent nog zwak. Bovendien moet je het nog leren.’

Ze nestelde zich op het bed en begon te keuvelen. Plotseling klonk er vanuit de kamer naast ons gekerm en gegil.

Ça y est!’ riep ze uit, ‘en net als ik zit, uiteraard.’ ‘Misschien,’ zei ik bedeesd, ‘heeft ze het heel zwaar.’

‘Pff… Zoals jij, zoals ik… Echter, hoe minder ze betalen hoe meer kabaal ze maken. Het is een curieus feit.’

Jésus! J’aaesus!’ schreeuwde de vrouw in de volgende kamer. ‘Mon Dieu… Mon Dieu… Mon Dieu…

Sereen, zonder haast, begaf ze zich naar de deur, en ik trok het laken over mijn hoofd om de kreten buiten te sluiten.

De grove leugens die men over het moederschap verkondigt! Het heilige moederschap! La Femme Sacré!

Wel, daar heb je je Femme Sacré in de kamer hiernaast. Snertwereld…

Zo moet ik in slaap zijn gevallen.

’s Nachts werd ik wakker van Roberts huiltje. Omdat het maar een huiltje was, tilde ik hem uit zijn wieg en nam hem in mijn armen. Hij jammerde klaaglijk maar liet zich bijna sussen toen ik hem in mijn armen wiegde. Wat was het warm in de kamer! Wat was het stil! Heel in de verte blafte een hond, toeterde een taxi.

Ineens besefte ik dat ik gelukkig was.

Er brandde een nachtlampje. Hij opende zijn ogen en keek recht in de mijne. De zijne stonden ook een beetje schuin en ik verbeeldde me dat ze verdrietig keken.

Hij was op de Franse wijze ingebakerd als een Indiaanse papoose, alleen zijn hoofdje stak boven de bundel uit. Thuis zal ik hem anders inpakken.

Mannetje toch! Is hij niet om te zoenen.

Misschien kijkt hij daarom zo verdrietig, omdat hij nog geen zoen van zijn moeder heeft gehad.

Reacties

Jean Rhys is een van de muzikaalste schrijvers die ik ken. Als je haar verhalen en romans hardop voorleest, ben je al bijna aan het zingen.Jan Brokken
Deze bundel bevat een aantal van de beste Britse verhalen van de afgelopen eeuw.The Guardian
Het weergeven van de inhoud van de verhalen heeft weinig zin, niets kan Rhys' geheel eigen beheersing van de taal, haar ongelooflijke vermogen te kiezen wat gezegd moet worden en wat onuitgesproken moet blijven, recht doen.The New York Times Book Review
De kracht van deze verhalen ligt in de combinatie van elegant proza met een bijna griezelige inkijk in de donkerste hoeken van de ziel.The Washington Post