schwob_logo

marcel
actie
Mateiu I. Caragiale - Schelmen van het Oude Hof

2019 | Pegasus | € 19,50 | paperback, 192 blz. | vertaald door Jan Willem Bos

Mateiu I. Caragiale

Schelmen van het Oude Hof (Pegasus)

Boek

Een bijzondere Roemeense roman van Mateiu Caragiale (1929). Schelmen van het Oude Hof wordt gevierd om de stijl, die beschouwend is, maar ook veel inspiratie haalt uit de decadente fin de siècle. Caragiale schetst het leven - vooral het nachtleven - in Boekarest rond 1910, een stad tussen Balkan en West-Europa met een verfijnd en chic centrum en achterbuurten waar ritselaars en boemelaars de dienst uitmaken. De ‘schelmen’ uit de titel zijn een groep decadente vrienden, met twee vertegenwoordigers van de oude orde. Zij zijn in deze roerige tijd gedoemd ten onder te gaan, terwijl een derde vriend, een nieuwkomer van lager komaf, juist voorbestemd is om carrière te maken in Groot-Roemenië. De taal in de roman is soms verheven, zelfs bijna barok. Dan weer wordt dit plots afgewisseld door straattaal, en dat vaak nog uit de mond van een en hetzelfde personage.

Biografie

Mateiu I. Caragiale

Mateiu Ion Caragiale (1885-1936) neemt een unieke plaats in binnen de Roemeense letteren, al was het maar omdat zijn reputatie de omvang van zijn werk verre overstijgt. Hij was de buitenechtelijke zoon van de dramaturg en prozaschrijver Ion Luca Caragiale, een van de grote drie van de Roemeense negentiende-eeuwse literatuur, en groeide vanaf zijn vierde levensjaar op in het gezin van zijn vader. Zijn status van ‘bastaard’ heeft Mateiu zijn hele leven gekweld en hij overcompenseerde deze door zichzelf een nobele afkomst toe te dichten, wat hem de genadeloze spot van zijn vader opleverde, omdat hij in werkelijkheid uit een kunstenaarsfamilie zonder enig blauw bloed stamde.

Bij gebrek aan een maatschappelijke loopbaan was Mateiu I. Caragiale regelmatig langdurig van inkomsten verstoken, waarover hij zich steevast beklaagde. In 1923 trouwde hij met de 25 jaar oudere welgestelde Marica Sion. Dankzij dit huwelijk verwezenlijkte hij zijn ambitie als aristocraat te leven omdat hij aldus een net buiten Boekarest gelegen landgoed verwierf, waarboven hij een vaandel liet wapperen voorzien van een blazoen dat hijzelf had ontworpen. 

Hij overleed, nog voor zijn vijftigste verjaardag, aan de gevolgen van een beroerte.

Vertaler

Jan Willem Bos (1954) is vertaler van Roemeense literatuur in het Nederlands, beëdigd tolk-vertaler Roemeens, publicist, lexicograaf en schrijver. Al sinds 1981 verschijnen zijn vertalingen uit het Roemeens. In 2019 ontving hij hiervoor de Martinus Nijhoff Vertaalprijs.

Bij uitgeverij Pegasus verschenen eerder de volgende vertalingen van zijn hand: Vosganian, Het boek der fluisteringen (2015) en in 2019 Anton Holban, Een dood die niets bewijst. Daarnaast publiceerde Pegasus het door Bos samengestelde woordenboek Roemeens-Nederlands en het mede door hem samengestelde woordenboek Nederlands-Roemeens. Ook voor de komende jaren staan er nieuwe vertalingen van zijn hand op stapel.

Fragment

Gore Pirgu was een onovertroffen en ongeëvenaarde ploert. De zouteloze zotternijen waaraan deze schaamteloze paljas zich overgaf, hadden hem de roem van goochemerd bezorgd, met daaraan verbonden – om duistere redenen – de reputatie van goede vent, ofschoon hij slechts goed was in het kwade. Deze zotskap bezat de ziel van een hondenvanger en een lijkbidder ineen. Van kindsbeen af verdorven tot op het merg, dobbelaar, gokker, hielenlikker, behorende tot de kongsi der pooiers en valsspelers, was hij de benjamin van Café Cazes en de cherubijn van de bordelen geweest. Het vervulde mij van walging om dieper te spitten in het maaswerk van dit schrale en erbarmelijke schepsel, dat een ziekelijke aantrekkingskracht koesterde voor louter wat vuns en verdorven was. In Pirgu’s bloed sluimerde het verlangen naar een zigeunerbestaan van verderf zoals dat vroeger bij ons opgeld deed, met vrijages in sloppenwijken, slemppartijen in kloosters, scabreuze liedjes, onwelvoeglijkheden en vuilspuiterij. De kaartspelen die zijn officie vormden en de wereldse kwalen die hem vroegtijdig hadden uitgeteerd, waren de enige onderwerpen waarover hij kon converseren, en deze vormden de ganse grondslag van de scherts waarmee hij hen wist in te palmen die zijn zotheid naar waarde schatten. En niettemin had Pașadia geen ander gevonden als gezelschap, hoewel hij hem onverholen minachtte, hem beledigde en meedogenloos vernederde telkens wanneer zich daartoe de gelegenheid voordeed.

      ‘Let alsjeblieft een beetje op,’ zei hij tegen mij, ‘zorg dat je buurman geen zelfmoord pleegt; moet je zien, hij verslindt zijn mes.’

      Inderdaad was Gorică overijverig met zijn snijwerktuig op de gepocheerde steur aangevallen. Hij wentelde ieder stukje door de mayonaise en liet het vervolgens, ook met zijn mes, diep in zijn mond verdwijnen. Ik wendde voor het niet te zien, niet te horen. Pantazi bukte zich om iets onder tafel te zoeken.

      ‘Volgens zijn opvattingen’, vervolgde Pașadia, ‘houden elementaire goede manieren in: geen mes in groente en vis, geen vork in kaas en in geen geval een mes in de mond. Doch dat geldt alleen voor verfijnde lieden, voor telgen van bojaren, niet voor het grauw, het gepeupel. Dat is alsof je een zwijn uit een kom probeert te laten drinken!’ Voor Pirgu, die zichzelf onovertroffen beschouwde in zijn kennis van de etiquette in hogere kringen, was er geen smartelijker charge denkbaar. Hij herstelde zich echter snel en diende Pașadia van repliek om hem op zijn nummer te zetten.

      ‘Bespaar me die larie,’ beet hij hem toe, ‘anders ga ik uit een ander vaatje tappen. De ouderdom heeft je verstand aangetast …’

      Om vrede te stichten, gaf Pantazi opdracht de champagne te ontkurken, die, de gewoonte onzer maaltijden getrouw, in grote glazen werd uitgeschonken. Pirgu liet zich slechts een vinger inschenken en goot daar bijna een liter mineraalwater bij, een licht soort bruis.

      Van ons vieren was hij de enige die zich niets aan drank gelegen liet liggen, men zou zelfs kunnen zeggen dat hij eerder deed alsof hij dronk. En zijn drankjes lengde hij aan met spuitwater, met blauw spuitwater. Toch gebeurde het maar zelden dat hij de ochtend haalde zonder dronken te worden en wanneer hij aangeschoten raakte, richtte hij allerlei baldadigheden uit. Als hij enig fatsoen had gekend, zou hij zich na een dergelijke vertoning geschaamd hebben de mensen nog onder ogen te komen.

      Na eenstemmig het glas te hebben geheven op de gezondheid van Pantazi, onze welbeminde gastheer, nipten we met genoegen aan het verkwikkende drankje. Pirgu bevochtigde alleen zijn lippen en trok een gezicht.

      ‘Champagne zonder meiden,’ mopperde hij, ‘dat is geen rooie duit waard.’

      Vrouwen waren echter ten enenmale voorgoed gebannen van onze soupers. Alle smeekbeden van Gorică hem te vergunnen om een of twee van zijn vriendinnen te nodigen waren vruchteloos geweest. Pantazi zou er met genoegen mee hebben ingestemd, maar Pașadia was onvermurwbaar. Wij beperkten ons ertoe steelse katerblikken te werpen op de dames aan de belendende tafeltjes, die meestal met lonkende oogopslag terugkeken.

      Met zijn wazige en stuurse blik was Pașadia een mollig Jodinnetje aan het uitkleden, dat iets verderop tegenover hem zat. Ik voegde me bij hem in deze christelijke daad, want ik wist dat ik mijn grote vriend daar geenszins mee ontriefde. Zich welbewust van haar schitterende oosterse schoonheid in volle bloei, bleek en mat als een wasfiguur waarin tussen zijden wimpers met een kille vlam fluwelen ogen brandden, bleef zij onbewogen zitten, onverschillig, met de mateloze trots van het uitverkoren volk, zoals haar voormoeders wanneer ze ontkleed de slavenmarkten op werden gesleurd of, later, op Torquemada’s pijnbanken werden gelegd.

      Doordat ze haar benen over elkaar had geslagen, was haar rok opgekropen tot kniehoogte en kon men door de transparantie van haar zwarte kousen heen bleke glimpen van haar onberispelijk gevormde kuiten opvangen. Toen zij besloot deze te bedekken, deed ze dat ongehaast en zonder blozen. Pirgu was zich schaamteloos aan het opdringen aan een opgedirkte en flodderige koopmansvrouw met een verhit gezicht onder haar opmaak. Hij glimlachte smachtend naar haar, met half geloken ogen, hief zijn glas, nipte er behoedzaam aan en likte vervolgens genoeglijk zijn lippen af. Pantazi had als enige oog voor niemand. Zijn als immer dromerige blik doolde rond in het niets, goedmoedig en triest. Met een handgebaar liet hij meer champagne aanrukken.

      Pirgu maakte het echter te bont. Hij gebruikte zijn lege glas als verrekijker en stuurde met zijn andere hand kusjes naar de vlezige koopmansvrouw, die het uitgierde van het lachen. Pașadia adviseerde hem zich wat te matigen, want hij leek om problemen te vragen.

      ‘Zou je er niet fraai opstaan,’ vroeg hij hem, ‘als je bij je lurven werd gepakt en op straat gezet?’

      Pirgu wierp hem een blik vol geringschattend medelijden toe. ‘Jij denkt blijkbaar dat ik net als jij zomaar als gajes, als rapaille de tent uit word gesmeten? Wie kent mij niet, hier en elders, wie houdt niet van me, waar ben ik niet thuis?’ Om zijn woorden kracht bij te zetten, stond hij op en begaf zich naar de tafel van de koopmansvrouw, wier hand hij kuste en die hij iets in het oor fluisterde, waarna hij ook de andere tafeltjes aandeed. Iets langer verwijlde hij bij dat van de knappe Jodin.

      ‘Raşelica wil weten’, zei hij ons bij zijn terugkeer, ‘hoe het mogelijk is dat een verfijnde kerel als ik, van adellijke komaf, omgaat met lieden van zulk laag allooi? Ze was er verbolgen over. Ik heb haar verzocht er geen notitie van te nemen; de ene, heb ik haar verteld, is een deerniswekkend verdorven oudje, vroeger werkte het wel tussen zijn oren, maar nu is hij afgetakeld. Die ander is een kind.’

Pașadia slikte iets weg en deed er het zwijgen toe. Ik volgde zijn voorbeeld. Mijn ontzag voor hoeveel mensen Pirgu kende stak ik niet onder stoelen of banken.