schwob_logo

marcel
actie
Jens Rehn - Niets in zicht

2019 | Nieuw-Amsterdam | € 20,- | gebonden, 160 blz. | vertaald door Anne Folkertsma

Jens Rehn

Niets in zicht (Nieuw-Amsterdam)

Boek

In 1954 verscheen Niets in zicht voor het eerst in Duitsland. Het is het debuut van Jens Rehn, die gedurende de oorlog als marineofficier op een onderzeeboot diende en gevangen was genomen door de geallieerden. Dit literaire meesterwerk werd jubelend ontvangen door pers en tijdgenoten als existentialistische aanklacht tegen de oorlog en is nu eindelijk vertaald in het Nederlands.

Niets in zicht vertelt het verhaal van twee mannen in een roeiboot midden op de Atlantische Oceaan. Een Amerikaanse officier die in de openingsscène een arm verliest, en een Duitse marinier. De hoop op redding wordt met de dag kleiner, en hun voorraad proviand, bestaande uit een fles whisky, wat kauwgom en chocola, en een paar pakjes sigaretten, slinkt rap. De mannen, 'de eenarm en de ander', zijn overgeleverd aan elkaar, hun herinneringen en gedachten en de vraag of het leven wel de moeite waard is geweest.

Biografie

Jens Rehn

Jens Rehn (1918-1983) werd in 1943 als marineofficier gevangengenomen door de geallieerden en bracht vier jaar in gevangenschap door in Afrika, Canada en Engeland. Na de oorlog werkte hij als radioredacteur en componist in Berlijn.

Vertaler

Anne Folkertsma vertaalde de afgelopen jaren onder meer literaire werken van Hans Fallada, Ernst Haffner, Kat Kaufman, Natascha Wodin en Barbara Zoeke uit het Duits in het Nederlands.

Fragment

De deining was helemaal ingeslapen. De zon brandde op de bewegingloze zee. Over de horizon lag een lichte nevel. De rubberboot dreef onmerkbaar voort. De eenarm hield de kim voortdurend in het oog. De ander sliep.

            Er was niets in zicht.

 

Als een arm niet meer door het lichaam gevoed kan worden, laat de huid los. Hij begint te etteren, wordt geleiachtig en verkleurt. Het is raadzaam spoedig te opereren. Omdat de grote bloedvaten zich bij het schot hebben samengetrokken, hoeft men voor bloedingen niet bang te zijn. De gerafelde, kartelige botstomp steekt uit de wond: een gladde schotbreuk. Het is vrij eenvoudig: zodra de resterende spieren met een circulaire beweging zijn doorgesneden, ligt de arm er al af. De stomp wordt met één helft van zijn onderhemd verbonden. Hij blijft natuurlijk etteren. De restjes spier verkleuren ook, overwegend grijs en groen. De pijn kan enige tijd hevig zijn. De lymfeklieren worden rood en zo groot als kippeneieren. Een razende pols en koude rillingen, kortademigheid en een droge tong. Dat blijft zo. Er valt bijna niets aan te doen.

 

‘Geef me nog een whiskey, het zit er toch bijna op,’ zei hij. ‘En gooi nou eindelijk die arm overboord.’

            ‘Hoe gaat het met de pijn?’

            ‘Goed.’

            ‘Sigaret?’

            De ander gooide de arm overboord en gaf de eenarm een vuurtje. De arm zonk heel langzaam en was in het heldere water nog een tijdje te zien. Ze bogen ver voorover en keken hem na tot hij in de diepte was verdwenen.

            ‘Die zien we nooit meer terug,’ zei de eenarm en hij dronk het bekertje leeg. Eén druppel bleef in zijn stoppelbaard hangen en fonkelde in de zon. De sigarettenrook hing bewegingloos rond hun gezicht. Wat slierten wier dreven langszij. Er was geen wolkje aan de hemel. De kim zinderde van de hitte. De zee was vlak als een plank.

            Ze dronken elk nog een slok whiskey en probeerden daarna te gaan slapen. De rubberboot schommelde zachtjes toen ze zich bewogen om een draaglijke slaaphouding te vinden. De eenarm lag op zijn gezonde kant. Zijn botstomp stak kaarsrecht de lucht in. Onder zijn stoppelbaard bewogen zijn dromen, soms trok hij met zijn linkerbeen.

 

Een rubberboot is ongeveer 2,5 m lang en 1,5 m breed. De Atlantische Oceaan is naar verhouding zo groot dat zijn precieze afmetingen geen rol spelen.

            Als een rubberboot eenzaam midden op de Atlantische Oceaan drijft, is het om het even of hij daar bij oorlog of vrede dobbert. Het doet er ook niet toe welke nationaliteit twee mensen hebben als ze eenzaam midden op de Atlantische Oceaan drijven en van de dorst zullen omkomen indien ze niet op tijd worden gevonden. Het kan de zon niets schelen dat de eenarm een Amerikaan is en de ander een Duitser en dat ze in 1943 allebei midden op de Atlantische Oceaan in een boot zitten. De zon geeft alleen haar warmte-energie af, gaat op, culmineert en zakt weer in zee. De zee lijkt onbewogen en onverschillig, wie er ook op ronddobbert. De oceaan blijft groot en de boot blijft klein. Die grenzen verschuiven nooit.

            De arm ligt inmiddels op de zeebodem, op een diepte van circa 2300 m, zolang een vis hem niet heeft opgegeten.

 

Tegen de avond werd de eenarm weer wakker. Zijn arm deed pijn waar hij niet meer was.

            De hemel was een breed uitgespreide kardinaalsmantel. Op de zee lagen verfdooskleuren.

            Hij zocht naar zijn pakje sigaretten en kon daarna geen lucifer aansteken: zijn tweede hand ontbrak. Hij hield de sigaret tussen zijn lippen. Zijn tong lag stijf en pijnlijk in zijn mond. Maar hij wekte de ander niet. Hij was al blij dat de ander er was, boog voorover en keek naar diens slapende gezicht. Alleen het voorhoofd van de ander lichtte op. In de holtes en rimpels lagen paarse schaduwen. Zijn lippen zagen er korstig uit. Als dennenschors, dacht hij. Of als het oppervlak van aangebrand gebraden vlees.

            Hij nam de sigaret uit zijn mond en voelde aan zijn eigen lippen. Ze waren net zo. Gesprongen en korstig.

            Je merkt alles pas als je het ziet, dacht hij, terwijl hij de lucifer opnieuw probeerde aan te steken. Het ging niet. Hij klemde het doosje tussen zijn knieën, maar zijn benen trilden opeens zo erg dat het doosje viel. Het ging gewoon niet. Hij voelde het papier van de sigaret prikkelend glad tussen zijn gesprongen lippen.

            Hij zocht de horizon af. Er was niets in zicht.

            Dus zo gaat dat, peinsde hij. Betsy zal verbaasd zijn dat ik linkshandig ben geworden. Waarschijnlijk zal ze niet verbaasd zijn. Dulce et decorum est pro patria mori.

            De ander was wakker geschrokken en keek niet-begrijpend om zich heen. Zijn gezicht nog in slaap tot hij begreep waar hij was.

            ‘Geef me eens een vuurtje,’ zei de eenarm. ‘Ik krijg die rotlucifer niet aan.’

            ‘Hoeveel sigaretten hebben we eigenlijk nog?’

            Ze telden. Ze hadden nog 64 sigaretten. Verder ruim een halve fles whiskey. Dan nog wat stukjes Scho-Ka-Kola en een paar kauwgompjes. Dat was alles. In de opblaasboot hadden ze verder niets gevonden.

            De ander gaf hem een vuurtje en rookte zelf ook. De rook deed hem goed. Hij inhaleerde diep en werd een beetje duizelig.

            De lucht was langzaam groen geworden. Boven de kim lagen vage cumuli.

            Ze dronken hun avondrantsoen whiskey. De vloeistof leek hun maag niet te bereiken, alsof hun uitgedroogde tong hem al had opgezogen.

            De armstomp stond weer recht van het lichaam af. De ander wilde zeggen dat hij nou eindelijk zijn arm naar beneden moest doen, omdat de onnatuurlijke houding hem irriteerde. Hij bedacht: liever niet, want mensen zijn lastig als er iets met hen aan de hand is. Dus zei hij alleen: ‘Hoe gaat het met je arm?’

            ‘Die lekt. Ze moeten ons gauw vinden. Het duurt nu al 36 uur. Onze laatste positie hebben ze. Het trekt alleen zo rottig in mijn linkerschouder.’

            ‘Laat me eens kijken.’

            ‘En ik zeg: Ze hebben ons allang opgegeven en zoeken niet meer!’

            De ander onderzocht de stomp.

            De wondranden hadden het gezonde vlees verder aangevreten. Het verband zat vol pus.

            De ander pakte de tweede helft van het hemd en verwisselde het verband. Daarna waste hij het oude uit. Het zeewater was warm en omgaf zijn handen als gelei. De pus had zich in de stof ingebeten en wilde niet oplossen. De ander werd bleek en zijn maag trok samen. Maar het ging weer over.

            Alles gaat weer over, zei hij tegen zichzelf, waarna hij het zachte, lauwe water weer rond zijn handen voelde. Er schoot hem een vreemde, wat kitscherige zin te binnen die hij ooit, hij wist niet meer waar, had gelezen: … en het natte, zware mens-zijn glipte hem door de vingers…

Reacties

Rebels, cynisch, geniaal. Laten we nog lang over deze bladzijden nadenken.Gottfried Benn, 1961
De spanning blijft tot het einde stijgen door de weldoordachte compositie van de auteur.Martin Walser, 1955
Dit is ongetwijfeld een van de belangrijkste documenten over de oorlog. Een meeslepend, onverbiddelijk boek. Genadeloos precies, alsof het met een dolk geschreven is.Siegfried Lenz, 1955