schwob_logo

marcel
actie
Chinua Achebe - Termietenheuvels in de savanne

ISBN 9789044513790| 2016 | De Geus| € 22,9 | Gebonden, 288 blz. | Oorspronkelijk: Anthills of the Savannah (1987) | Vertaald door Robert Dorsman

Chinua Achebe

Termietenheuvels in de savanne (De Geus)

Boek

Sam, Chris en Ikem zijn al vrienden sinds ze bij elkaar op school zaten. Nu de dictator van hun Afrikaanse land onttroond is, spelen ze alle drie een belangrijke rol in het nieuwe regime. Chris is commissaris van informatie, Ikem is hoofdredacteur van de krant en Sam is president. Wanneer Sam zich laat corrumperen door de macht en steeds meer dictatoriale trekken begint te vertonen, moeten de andere twee vrienden zich opnieuw bezinnen op hun eigen positie. Hun onderlinge vriendschap en de toekomst van hun land staan onder druk.

Biografie

Chinua Achebe (Nigeria, 1930-2013) is tot op de dag van vandaag de meest vertaalde Afrikaanse auteur. Achebe won diverse literaire prijzen, waaronder de Man Booker International Prize (2007). Ook kreeg hij wereldwijd ruim dertig eretitels toegekend.

Vertaler

Robert Dorsman (Utrecht, 1955) heeft zich toegelegd op vertalingen van onder meer Zuid-Afrikaanse schrijvers en dichters. Hij vertaalde romans van Lewis Nkosi, Menán du Plessis, Olive Schreiner en A.C. Jordan.

Fragment

‘U verspilt ieders tijd, meneer de commissaris van Informatie. Ik ga niet naar Abazon. Klaar! Kabisa! Verder nog iets?’

‘Zoals Uwe Excellentie wenst. Maar …’

‘Niks te maren, meneer Oriko! De kwestie is afgedaan, zei ik. Hoe vaak moet ik dat in godsnaam nog herhalen. Waarom vindt ú het zo moeilijk om mijn besluiten te slikken. Over wat dan ook?’

‘Neemt u mij niet kwalijk, Uwe Excellentie. Maar ik vind het niet moeilijk om uw besluiten te slikken en te verteren.’

Zo’n volle minuut bleef de woede in zijn ogen op mij gericht. Even hadden onze blikken elkaar in de strijd gekruist. Toen had ik mijn ogen bij wijze van plechtige overgave neergeslagen op het glanzende bureaublad. Lange stilte. Maar hij was niet gekalmeerd. Eerder leek het of hij de stilte zelf in rap tempo veranderde in een soort krachtmeting, zoals kinderen doen in een wedstrijdje knipogen. Ook daar had ik mezelf gewonnen gegeven. Zonder mijn ogen op te slaan zei ik nog eens: ‘Neemt u mij niet kwalijk, Excellentie.’ Een jaar geleden zou ik dat geen tweede keer hebben gezegd – zonder mijzelf daarbij ernstig geweld aan te doen. Nu deed ik het als een terloopse gunst. Voor mij betekende het helemaal niets – geen enkel ongemak – maar voor hem alles.

Ik heb aan dit alles gedacht als aan een spel dat onschuldig genoeg begon en toen ineens een vreemde en zeer ongunstige wending nam. Maar misschien blijk ik ook wat dit betreft te optimistisch. Want als ik gelijk heb, dan zou het, terugkijkend op de laatste paar jaar, mogelijk moeten zijn om een specifieke en beslissende gebeurtenis aan te wijzen en te zeggen: op dat en dat punt liep alles fout en werden de spelregels buiten werking gesteld. Maar zo’n moment of zo’n gebeurtenis heb ik niet kunnen vinden, hoewel ik er lang en hard naar heb gezocht. En zo begint het mij te dagen dat dit waarschijnlijk nooit een spel is geweest, dat het heden er vanaf het allereerste begin al was, alleen was ik te blind of had ik het te druk om er iets van te merken. Maar de echte vraag die ik mezelf zo vaak heb gesteld is: waarom ik ermee doorga nu ik het doorheb. Ik weet het niet. Gewoon willoosheid wellicht. Of misschien louter nieuwsgierigheid: te zien waar het allemaal zal … tja, eindigen. Ik denk niet zo veel aan hem als aan mijn collega’s, elf intelligente, ontwikkelde mannen die dit met zich lieten gebeuren, die zowaar hun uiterste best deden om het uit te lokken en die zelfs op dit uur niets hebben begrepen en geleerd, de crème de la crème van onze samenleving en de hoop van het zwarte ras. Ik veronderstel dat het omwille van hen is dat ik nog steeds op deze stomme observatiepost zit en zinloze aantekeningen maak in het idiote logboek van dit, ons schip van staat. Desillusie jegens hen veranderde langgeleden in afstandelijke, koele belangstelling.

Ik vind hun daden niet gewoon draaglijk, maar zowaar interessant, opwindend zelfs. Heel verbazingwekkend! En te denken dat ik er persoonlijk verantwoordelijk voor was dat bijna de helft van hen werd aanbevolen voor benoeming!

En natuurlijk gebiedt de eerlijkheid mij een laatste factor te noemen voor mijn constante verblijf, een feit waarvoor ik mij een beetje schaam, namelijk dat ik dit niet had kunnen schrijven als ik niet in de buurt was blijven hangen om het allemaal waar te nemen. En niemand anders die het zou doen.

Toen we stijfjes rond de mahoniehouten tafel zaten kon ik hun gedachten lezen, woorden als: Nou, dit zal wel weer zo’n dag wezen. Waarmee ze een rotdag bedoelden. Dagen zijn tegenwoordig goed of slecht al naar gelang hoe Zijne Excellentie ’s morgens uit bed komt. Op een slechte dag, waar deze na veel gunstige voortekenen plotseling op uitdraaide, kun je het beste dicht bij je hol blijven, klaar om je er in terug te trekken. En vooral je mond houden, want niets is veilig, zelfs niet de vleierij waarin we zulke experts zijn geworden en die doorgaat voor debat.

Rechts van mij zat de edelachtbare commissaris van Onderwijs. Hij is verreweg de bangste van het stelletje. Zodra hij gevaar had opgesnoven in de lucht begon hij in zijn hol te verdwijnen, achterwaarts, zoals sommige dieren en insecten doen. Instinctmatig had hij zijn papieren bij elkaar verzameld en hij was juist bezig de archiefmap dicht te doen en achter zich aan te slepen zijn hol in toen zijn hele lichaam plotseling verstijfde. Misschien dat sterkere alarmsignalen uit diepere lagen van zijn instinct hem waarschuwden voor de overeenkomst tussen de handeling die hij dreigde te begaan en het dichtslaan van de deur in het gezicht van Zijne Excellentie. Toen gebeurde er iets bizars. Hij laat de archiefmap vallen, in zo’n paniek dat iedereen zich nu naar hem wendt en hem de vreemdste daad van alle ziet uitvoeren: het weer rondstrooien van zijn papieren als panische boetedoening en ter compensatie voor de heiligschennis die hij op het punt stond te begaan. Onopzettelijk. Dan blikt hij de tafel rond totdat zijn ogen die van Zijne Excellentie ontmoeten en hij ze ten slotte op het mahonie laat rusten. De stilte was sinds mijn tweede spijtbetuiging nog niet verbroken. Ik wist heel zeker dat de arme kerel (toch al niet heel sterk wat betreft originaliteit) zich opmaakte om mijn woorden letterlijk te herhalen, in precies dezelfde volgorde. Ik zweer het. Hij hield zijn bovenarmen strak langs zijn lichaam alsof hij zich kleiner wilde maken en zijn gevouwen handen strekte hij als een smekeling voor zich uit.

Maar in plaats daarvan neemt Zijne Excellentie het woord. En hij richt het niet eens tot hem, de laatste overtreder, maar nog steeds tot mij. En hij klinkt bijna vriendelijk en verzoeningsgezind, de verbazingwekkende man. Op dat moment verandert de dag. De brandende zon trekt zich even terug achter een wolk; wij krijgen uitstel van executie en zijn onmiddellijk in juichstemming. Ik hoor bij voorbaat de vele complimenten al die wij hem zullen maken zodra hij ons zijn rug heeft toegekeerd: dat het probleem met Zijne Excellentie is dat hij niemand kan kwetsen zonder er wakker van te liggen.

Dat is trouwens een raffinement dat we nog niet zijn kwijtgeraakt: we wachten inderdaad tot hij ons de rug heeft toegekeerd. En een ander zal eraan toevoegen: dat is jammer, want wat dit land echt nodig heeft is een wrede dictator. Minstens voor een jaar of vijf. En we zullen er allemaal om schaterlachen omdat we weten – god zij ons genadig – dat we nooit het voorrecht van zo’n onverdiende zegening als een wrede dictator zullen smaken.

‘Besef je wel wat je van me vraagt, Chris?’ vroeg hij. Ik zeg niets, maak geen beweging, zelfs niet met mijn hoofd. Op zulke momenten neemt mijn hoofd het soortelijk gewicht aan van graniet en hoewel mijn denken volmaakt helder en logisch blijft, lijkt het van ver te komen en dergelijke gebeurtenissen als door een telescoop waar te nemen. Voor wat het waard is merk ik op dat hij de ijzige afstandelijkheid van meneer de Commissaris en meneer Oriko heeft laten varen. Maar ik laat me door zulke details niet meer afleiden. Hij interpreteerde mijn kalmte denk ik als instemming of juist als gebrek daaraan. Het was geen van beide. Pure, onvervalste desinteresse.

‘Jij verlangt van mij dat ik de verstandelijke vermogens van die mensen krenk’, zegt hij op kalme, superieure toon. Dan schud ik langzaam mijn hoofd. ‘Ja, dat is precies wat je van me verlangt’, zegt hij fel, aangezet tot strijd door mijn halfhartige, halsstarrige verzet. ‘Die mensen geloven in regenmakers dus waarom met goedkope populariteit niet geprofiteerd van hun onwetendheid. Dat is precies wat je van me verlangt, Chris. Nou, ik kan het gewoon niet. Jullie lijken allemaal te vergeten dat ik geen politicus ben, maar nog steeds soldaat.’

Hij is in burger nu hij zich steeds vaker op het terrein van het presidentiële paleis ophoudt: een witte danshiki, smaakvol met goud afgezet, en bijpassende broek. Daarentegen dragen de meesten van mijn collega’s, vooral de ploeg van de universiteiten, een militair uniform. Professor Okong draagt altijd kaki safaripakken, compleet met epauletten. Het is verbazingwekkend hoe jaloers de intellectueel is op de man van de daad.

Ik denk dat Zijne Excellentie de flauwe glimlach opmerkte die op mijn gezicht verscheen toen hij ons in herinnering bracht dat hij nog steeds militair was; hij heeft een gave om gezichten te lezen. Ik zag hem even aarzelen of hij op die glimlach moest ingaan of hem zou negeren. Ten slotte deed hij geen van beide, maar echt iets heel gehaaids. Hij keek me strak aan en slaagde er tegelijk in mij met zijn stem duidelijk te maken dat ik was uitgesloten van wat hij nu ging zeggen; dat zijn woorden te kostbaar waren om te worden verspild aan beroepsdissidenten.

‘Soldaten zijn openhartig en bot’, zegt hij uitdagend. ‘Wanneer wij staatszaken weer aan jullie overlaten en we naar de kazernes terugkeren dan is de tijd gekomen dat jullie je burgerlijke streken kunt hervatten. Heb een beetje geduld.’

Op dit punt aangekomen wordt hij brutaal onderbroken door een reeks van protesten van de commissaris van Justitie en de procureur-generaal, gevolgd door die van alle anderen. Eigenlijk zijn het de welgekozen bewoordingen van Zijne Excellentie die het signaal gaven voor deze dappere interruptie, want ondanks zijn krachtige stem hadden de woorden zelf het Alles veilig geblazen en vertelden ze ons dat het nu oké was om met onze protesten te komen. Daarom begonnen we allemaal weer uit onze holen te kruipen. Correct als altijd zegt de procureur-generaal: ‘Excellentie, laten we de wensen van de bevolking niet veronachtzamen.’

‘Veronaangenamen, bedoelt u’, zei ik.

‘De bevolking?’ vroeg Zijne Excellentie, mijn gevatte weerwoord negerend.

‘Ja, Excellentie’, antwoordde de procureur-generaal onbeschroomd. ‘De bevolking heeft gesproken. Haar wens is duidelijk. U bent gedoemd om haar levenslang te dienen.’ Luid applaus en bravogeroep. Er werd om het hardst geschreeuwd om aandacht.

‘Ik ben geen jurist,’ zegt Zijne Excellentie met lichte stemverheffing, daarmee een woordenstrijd afkappend, ‘slechts een eenvoudige soldaat. Maar een soldaat moet woord houden.’

‘Maar u, neemt u mij niet kwalijk, ik bedoel Uwe Excellentie, kunt niet een belofte breken die u nooit gedaan hebt. De onzin over honderd procent was louter de machinatie van een hoofdredacteur die in mijn ogen een saboteur is die alleen aan eigen voordeel denkt.’

‘Tegenover ketters hoeft u geen woord te houden, Uwe Excellentie’, baste de eerwaarde professor Okong.

‘Punt van orde, Excellentie.’ Hij kijkt mij nu verstoord aan, en knikt dan naar de procureur-generaal, die door Okong en mij was onderbroken, ten teken dat hij zijn betoog kan vervolgen.

‘Excellentie, drie van de vier provincies is een duidelijke meerderheid.’ Nog meer applaus.

‘Excellentie, ik wil mij graag distantiëren van de zinspeling van de procureur-generaal op een saboteur en mijn collega’s oproepen geen uitspraken te doen over ambtenaren die zich hier niet kunnen verdedigen.’ Ik hield van de angstige blik op de gezichten van mijn collega’s toen ik het woord ‘distantiëren’ gebruikte en de daaropvolgende opluchting toen ze beseften dat ik niet ging zeggen wat zij vreesden dat ik zou zeggen. Zelfs Zijne Excellentie was even uit het veld geslagen. Maar anders dan de rest vindt hij het niet grappig, laat staan dat hij opgelucht is door het besef dat hem het vuur even na aan de schenen werd gelegd; nee, hij wordt giftig. Zijn hoofd maakte een ruk naar rechts, waar de eerste secretaris op het puntje van zijn stoel zit.

‘Nog iets voor de rondvraag?’ Dit keer klinken zijn woorden niet als een loze formulering. Eerder als een berisping: zoiets als Hoeveel keer wilt u dat ik deze vraag stel?

Dat de crisis onverwacht op zijn persoon terechtkwam bracht de eerste secretaris in opperste verwarring, en hij verloor zijn welbespraaktheid.

‘O, nee, meneer. Helemaal niets, meneer. Excellentie.’ En dan kijkt hij over de tafel en onze ogen ontmoeten elkaar. Ik hou er niet van om in dit soort dingen met de eer te gaan strijken, maar ik denk dat de spottende lach op mijn gezicht de bureaucraat op dat moment aan het denken zette. Misschien zag hij op mijn gezicht de voorboden van schimpscheuten van collega’s en de hoon die achter de zware deuren van deze citadel op de loer lagen. Hij is zeer gevoelig voor aantijgingen van hielenlikkerij, vooral wanneer ze van mij afkomstig zijn omdat ik denk dat hij veel respect voor me heeft. En tot op zekere hoogte heb ik ook geen hekel aan hem. Hij is tenslotte, anders dan de meesten van ons, een carrièreambtenaar die een burgerlijke president zou hebben gediend … of zelfs de Britse radja … zoals hij nu ook Zijne huidige Excellentie dient. Maar waardoor het ook kwam, hij vertoont nu totaal atypisch gedrag dat voor hem bijna grenst aan roekeloosheid. Hij herneemt het woord: ‘Maar Excellentie, als u – hm – mij toestaat – hm – als Zijne Excellentie mij toestaat – en – hm – ik een goed woordje mag doen voor de edelachtbare commissaris.’

‘Welke edelachtbare commissaris? Er zijn er twaalf, weet u.’ Dit zou op andere momenten tot gelach hebben geleid, maar nu gebeurt er iets totaal nieuws en we zijn allemaal stomverbaasd.

‘Excellentie, ik bedoel de edelachtbare commissaris van Informatie.’ Er valt een lange en verbijsterde stilte. Dan zegt Zijne Excellentie, die het moet ik toegeven op zulke momenten uitstekend doet: ‘Hij kan wel zonder een goed woordje van u. Vergeet niet, hij bezit alle goede woorden in dit land – kranten, radio- en televisiezenders …’

De lachsalvo’s die volgden duurden minutenlang en stelden ons allemaal weer op ons gemak. Collega’s vlak bij mij in de buurt lachten en gaven mij een joviale klap op de schouder. Andere straalden mij hun hartelijkheid toe.

‘De edelachtbare commissaris van Openbare Woorden’, weet de procureur-generaal tussen het lachen door uit te brengen. ‘Wat een goeie. Bij god, wat een goeie.’ Hij dept zijn ogen met een keurig opgevouwen zakdoek.

‘Ik protesteer! Dat klinkt te veel naar mij’, werpt de commissaris van Openbare Werken tegen.

‘Dat is waar’, zegt de procureur-generaal, die stopt met lachen en even nadenkt. ‘Commissaris van Openbare Woorden en commissaris van Openbare Werken. Daar hebt u een punt.’

‘Theologisch gesproken is er een fundamenteel verschil.’ Dat is professor Okong met zijn diepe kanselstem.

‘Ah, de professor heeft gesproken’, zegt de commissaris van Onderwijs. Vrolijkheid alom. Als de bijeenkomst nu beëindigd was, dan waren we allemaal opgewekt naar huis gegaan – de huismussen onder ons konden met een glimlach antwoorden, mochten hun echtgenoten informeren naar hoe hun dag geweest was. Maar Zijne Excellentie was nog niet klaar met ons, helaas!

‘Wat voor goed woordje wilde u trouwens doen voor de commissaris van Informatie?’

‘Excellentie, het gaat – hm – over dat bezoek aan Abazon.’

‘In dat geval wordt de vergadering geschorst.’ Bruusk staat hij op. Zo bruusk dat de herrie die wij bij het opstaan maken eerder past bij het lawaaiig opkrabbelen van parochianen met zere knieën na afloop van het gebed van een wijdlopige priester.

Zijne Excellentie gaat weer zitten en leunt kalm achterover in zijn draaistoel om onder tafel zijn pumps te zoeken die hij aan het begin van onze vergaderingen altijd uitschopt en die de eerste secretaris onopvallend met bewegingen van zijn voeten naast elkaar zet om Zijne Excellentie de moeite te besparen er na de vergadering lang naar te moeten zoeken. Zijne Excellentie ontgaat dit kleine gebaar, belonen doet hij het ook niet, hij beschouwt het als vanzelfsprekend, even vanzelfsprekend als de hoffelijkheid van de onzichtbare piccolo die ’s nachts in een duur hotel je schoenen poetst. Geheel in beslag genomen kijkt hij naar de vloer en laat zijn rechtervoet in zijn schoen glijden. Hij kijkt naar de andere en laat zijn linkervoet erin glijden. Zonder een spoor van de souplesse waarmee hij de eerste keer opstond, hijst hij zich nu langzaam op door zich met zijn handen af te zetten op de zware armleuningen. En het verbazingwekkende is dat zijn lompe traagheid en de vlotheid van daarstraks hem beide lijken te passen.

We staan allemaal stokstijf. Het enige geluid in het vertrek komt van zijn eigen bewegingen en van het onophoudelijke gezoem van de klimaatregelaars, dat afsteekt bij het zwijgen van het eerbiedige kabinet dat met ingehouden adem afwacht tot de baas zich geschoeid en op zijn dooie gemak heeft teruggetrokken in de beslotenheid van de belendende privévertrekken.