schwob_logo

marcel
actie
Yusuf Atılgan - De lanterfanter

ISBN 9789491921162| 2016 | Jurgen Maas| € 19,95 | Paperback, 270 blz. | Oorspronkelijk: (1959) | Vertaald door Hanneke van der Heijden

Yusuf Atılgan

De lanterfanter (Jurgen Maas)

Boek

C. verzet zich tegen de dagelijkse verplichtingen die het leven van de anderen kenmerken. Hij leeft van een erfenis en verlummelt zijn dagen in de kroegen, trams en straten van Istanbul en observeert passanten, op zoek naar het enige dat volgens hem het leven zin kan geven: de ware liefde, die ene onvindbare vrouw. Niets anders geeft hem voldoening, noch de kortstondige romantiek, noch de kunst. En wat blijkt? Zij bestaat.

Biografie

Yusuf Atılgan (1921-1989) liet slechts drie romans en een handvol korte verhalen na, maar geldt als een van de belangrijkste pioniers van de moderne Turkse literatuur. Hij bracht zijn jeugdjaren op het platteland door en verhuisde later naar Istanbul, waar hij Turkse letterkunde studeerde. Zijn sympathie voor het communisme leverde hem uiteindelijk een gevangenisstraf van tien maanden op. Na zijn vrijlating verhuisde hij terug naar het platteland. Atılgan schreef naast zijn gepubliceerde werken meerdere andere manuscripten, die hij stuk voor stuk vernietigde uit de drang naar perfectionisme. De lanterfanter (1959) geldt als zijn literaire doorbraak.

 

Vertaler

Hanneke van der Heijden (1964) is een zeer ervaren vertaalster Turkse literatuur. Zij heeft onder andere werk van Orhan Pamuk en Oğuz Atay vertaald en ontving in 2008 samen met Margreet Dorleijn de Vertaalprijs van de voormalige Fonds voor de Letteren.

Fragment

Plotseling schoot het door me heen dat ook zij misschien wel in de drukte op de overvolle stoepen liep. Mijn ongenoegen trok weg. (Dat ongenoegen kwam door de ober. Dat idee had ik tenminste. Ik had zijn gezicht gezien toen hij me in mijn jas hielp: rimpels, niet van het lachen maar van het grijnzen, zijn ogen, hoe noemen ze dat, slijmerig? Nee, kruiperig was het. Als ik hem een fooi gaf, zou zijn hand klef de mijne aanraken. Ik gaf hem niets.) Ik keek belangstellend om me heen. De mannen hadden zich pas geschoren, de vrouwen zich net opgemaakt. Zorgeloze gezichten. Zelfs die van de bedelaar zonder benen aan het eind van de moskeemuur, en van de krantenjongen die geen sokken droeg en blauw zag van de kou. Ik keek naar de voorbijgangers alsof ik haar kende, haar zou herkennen als ik haar zag. Vanavond was ik egoïstisch. Ik was kwaad op mezelf. Want eigenlijk liet ik haar zelden hier komen: heel af en toe, om een mooie film te zien. Dan ging ze op een van de eerste rijen zitten, keek naar de film, haar kin leunend in haar hand, en dacht aan mij, precies wanneer ik wilde dat ze aan me dacht. Na de film liep ze dan terug naar huis.

            Plots interesseerde ik me niet meer voor de drukte. Het ongenoegen van daarnet overviel me weer. Nu kwam het niet door de ober. Dat wist ik wel. Zodra ik moest denken aan de mengeling van walging en meewarigheid die bij me zou worden opgeroepen door de loensende vrouw van wie ik wist dat ze een eindje verderop bij de bioscoop met de diepe loges op klanten stond te wachten, was ik een zijstraat ingeslagen – de straat van die bewuste avond –, en daar kwam het terug, nog sterker door een gekwetst zelfvertrouwen. Die avond een maand geleden toen ik in elkaar was geslagen door twee kleermakers, de ene had een zwarte snor – hoezo kleermakers? Geen idee – was ik om dezelfde reden dezelfde straat in gelopen. Misschien was er nog een bijkomende reden geweest. Ik was bang voor het verlangen met haar een van die diepe loges in te duiken, een verlangen dat schuilging achter het smoesje dat ik haar moest helpen zonder haar in haar beroepseer aan te tasten. Van de loensende vrouw kwam ik via allerlei kronkelwegen bij tante Zehra. Met mijn hoofd op haar knieën lag ik te kijken naar haar lippen, soms hielden ze stil, dan bewogen ze weer, en alleen ik wist hoe ze roken. Soms boog ze zich voorover, en terwijl ik dan dacht dat er allerlei grote, onvoorstelbare dingen zouden gebeuren, kuste zij slechts het puntje van mijn neus. Hoe dichterbij haar gezicht kwam, hoe meer ze begon te loensen.

            De klappen van een maand eerder had ik niet verdiend. Vijf dagen lang was ik met mijn kaak in het verband de kleermakerszaken in Beyoğlu afgelopen – terwijl ik eerder van andere mensen toch ook de beroepen had proberen te raden en me daarbij steeds weer had vergist. Ik zocht naar hen alsof de plek waar ze mij in die slaperige straat in elkaar hadden geslagen niet een heel eind bij de straatlantaarns vandaan was geweest, alsof ik veel meer van ze wist dan dat een van hen een zwarte snor had. Niemand die het begreep. Zelfs Sadık vroeg: ‘En als je ze vindt, wat dan?’ ‘Dan zal ik het ze haarfijn uitleggen. Ik zal ze vertellen dat ze het fout hadden gehad. Ik zal ze zeggen dat het mij volslagen koud liet wat ze aan wilden met de derde die bij hen was (“Vergeet het maar,” had die derde gezegd, “ik ga naar huis.”), dat áls ik daar al had gestaan, dat puur uit nieuwsgierigheid was geweest. En tegen die twee kleermakers...’ ‘Hoezo kleermakers?’ ‘Geen idee. En tegen die twee kleermakers zal ik zeggen dat ze het recht niet hadden mij in elkaar te slaan.’ ‘En dan?’ ‘Hangt ervan af.’ Sadık lachte hoofdschuddend. Hij begreep niet dat ik ze wel moest zoeken. Toen mijn gezicht vijf dagen later geheeld was en het verband eraf kon, hield ik op met zoeken.

            Daarna had ik dat Griekse meisje gekust. Het was daar op straat, in de buurt van Harbiye, rustig geweest. Ze waren met z’n tweeën; gearmd en lachend waren ze aan komen lopen. Toen ze mij passeerden trok ik degene die het dichtst bij was naar me toe en kuste haar. Haar gezicht voelde koud aan. Ze gilden.

            ‘Smerige, onbehoorlijke dronkaard!’ riep het andere meisje.

            Ik had balorig gelachen, met mijn hoofd in mijn nek. Ze liepen door. Wat zijn jullie erg met al die clichés die jullie erop nahouden; jullie rusten niet voordat iets aan die clichébeelden voldoet. Ik was trouwens helemaal niet dronken. Een glas wijn bij het eten, dat was alles. Bovendien had ik haar niet gekust, dus hoe zou ze een dranklucht hebben kunnen ruiken. Ik stak een sigaret op en liep verder.

            Het was warm in de hal. Ik deed mijn jas uit en daar begon de vertrouwde gedachte, die me al ik weet niet hoe vaak de straat op had doen gaan, weer door mijn hoofd te spoken. Het meisje dat ik gezoend had, had niks gezegd. Of was zij het soms? Waarom was ik haar niet achterna gelopen? Als ik de ander had weggejaagd en me tot haar had gewend om een gesprek te beginnen, zou ze zeggen: ‘Stil, ik weet het wel.’ Die gedachte is de reden dat ik de hele week iedere avond in hetzelfde restaurant heb gegeten. De vrouw van die avond had iets gehad wat niet bij die plek paste. Ze was de mensen die daar zaten te eten, de voorwerpen voorbij. Net toen ze opstond kwam de ober met mijn rijst. Ik was niet opgestaan; dat zou ik een andere avond wel doen. Toen ze weg was kwam de droefheid van een half-weten over me: er was geen andere avond. Ze kwam niet. Ook vanavond was ze niet gekomen. Misschien had ze het gezicht van de ober een week eerder gezien dan ik.

            Ik ging op de divan zitten en deed de radio aan. Ik wilde naar pianomuziek luisteren maar die was er niet. Het leek of de hele wereld praatte, danste, naar de opera ging.

            Niemand kon ik in dat apparaat vinden die een stukje piano voor me wilde spelen. Ik was alleen. Ik zette het ding uit en stond op. Aan de muur hing ‘De broodmaaltijd’: in het kunstlicht was het grijs nog grijzer, deprimerend. Op tafel stond een asbak. Een vormeloos geval. Wie had hem daar, voor de boeken, neergezet? Ik greep het ding en smeet het naar buiten. Het raam bleek dicht, het glas brak. In de gevel van het gebouw met etagewoningen aan de overkant ging een gordijn omhoog; een vrouw keek roerloos naar de straat. Was zij het soms? Het gordijn werd neergelaten. Of gebeurde alles op een tijd dat ik er niet was, op een plek waar ik niet was?