schwob_logo

marcel
actie
Ernest J. Gaines - Een les voor het sterven

ISBN | 2016 | Bananafish | € 18 | Paperback, 304 blz. | Oorspronkelijk: A Lesson before Dying (1993) | Vertaald door Samuel Vriezen

Ernest J. Gaines

Een les voor het sterven (Bananafish)

Boek

Als de zwarte Jefferson ter dood veroordeeld wordt nadat hij beschuldigd is van de moord op een blanke caféhouder, neemt dorpsleraar Grant Wiggins de taak op zich om hem op death row te begeleiden. Wiggins verzet zich in stilte tegen zowel de segregatie, als tegen zijn eigen achtergrond. De maar matig vrome intellectueel, die liever Joyce leest dan de Bijbel, koestert een diepgeworteld wrok jegens zijn culturele en sociale erfenis, zonder dat hij bij machte is om die te veranderen.

Sinds zijn advocaat hem een varken noemde tijdens zijn verdediging, is Jefferson zichzelf als zodanig gaan beschouwen. Het is aan Wiggins om hem weer een besef van eigenwaarde te geven.

Biografie

Ernest J. Gaines (Louisiana, 1933) schrijft veelvuldig bekroonde verhalen en romans. Hij groeide op in oude slavenwoningen op een voormalige plantage in het Zuiden van de Verenigde staten. Zijn werk werd veelvuldig vertaald. De internationale bestseller Een les voor het sterven uit 1993 verschijnt met deze uitgave voor het eerst in het Nederlands.

Vertaler

Samuel Vriezen (1973) is componist, pianist, auteur en vertaler. Hij werkte als pianist/componist samen met tal van ensembles uit binnen- en buiten-land. Vriezens poëtische debuut, 4 Zinnen, verscheen in 2008 bij De Wereldbibliotheek. Daarnaast is Vriezen als gastredacteur verbonden aan Stichting Perdu en als redacteur aan nY.

Fragment

Ik was er niet, toch was ik er. Nee, ik ben niet naar de zitting geweest, ik heb de uitspraak niet gehoord, want ik wist allang wat het ging worden. Maar toch, ik was er. Ik was er net zo goed als iedereen. Als ik niet achter mijn tante en zijn peetmoeder zat dan wel naast hen. Het zijn allebei forse vrouwen, maar zijn peetmoeder is forser. Zij is van gemiddelde lengte, een zestig, een vijfenzestig, maar ze weegt zeker negentig kilo. Nadat zij en mijn tante eenmaal waren gaan zitten – twee rijen achter de tafel waaraan hij zat met de hem door het hof toegewezen advocaat – werd zijn peetmoeder zo onbeweeglijk als een grote steen of als een stronk van een van onze eiken of cipressen. Niet een keer stond ze op om water te halen of naar de wc in de kelder te gaan. Ze zat daar maar te staren naar het kortgeknipte hoofd van de jongen aan de tafel vooraan met zijn advocaat naast hem. Ook toen hij weg was om de uitspraak van de jury af te wachten bleef haar blik nog in die richting hangen. Ze hoorde niets van wat er in de zaal werd gezegd. Niet door de aanklager, niet door de verdediging, niet door mijn tante. (Of, toch, één woord hoorde ze – één woord, wel degelijk: ‘varken’.) Het waren mijn tantes ogen die de gang van de aanklager volgden van de ene kant van de rechtszaal naar de andere, terwijl hij met zijn vuist in zijn handpalm sloeg, op de tafel met zijn papieren sloeg, op het rek sloeg dat de rechters scheidde van de rest van de rechtszaal. Mijn tante was het die hem gadesloeg, niet zijn peetmoeder. Zij luisterde niet eens. Ze was moe van het luisteren. Ze wist, zoals wij allemaal, hoe het uit zou vallen. Een blanke man was tijdens een roofoverval gedood, en al waren twee van de overvallers ter plekke al gedood, een hadden ze er te pakken, en ook die moest nu dood. Hij had hun weliswaar gezegd nee, hij had er niets mee te maken, hij was gewoon op weg naar de White Rabbit Bar and Lounge toen Brother en Bear naast hem kwamen rijden en hem een lift aanboden. Eenmaal in de auto vroegen ze of hij geld had. Toen hij hun verteldedat hij nog geen rooie cent had, toen begonnen Brother en Bear over krediet, ze zeiden dat ouwe Gropé hen er best eentje op krediet kon schenken want hij kende hen toch, en hij wist dat de suikeroogst eraan zat te komen, en dan konden ze hem wel terugbetalen. 

            De winkel was leeg op de oude uitbater, Alcee Gropé, na, die op een kruk achter de toonbank zat. Hij sprak als eerste. Hij vroeg Jefferson naar zijn peetmoeder. Jefferson zei dat het goed ging met zijn nannan. Ouwe Gropé knikte. ‘Doe d’r de groeten van me,’ zei hij tegen Jefferson. Hij keek naar Brother en Bear. Maar hij mocht ze niet. Hij vertrouwde ze niet. Dat kon Jefferson in zijn gezicht zien. ‘Kan ik voor jullie doen?’ vroeg hij. ‘Een zo’n fles Apple White daar, Mr. Gropé ’ zei Bear. Ouwe Gropé nam de fles van de plank maar zette hem niet op de toonbank. Hij kon zien dat de jongens al wat hadden gedronken, en hij was op zijn hoede. ‘Jullie hebben geld?’ vroeg hij. Brother en Bear legden alles wat ze aan geld op zak hadden op de toonbank neer. Ouwe Gropé telde het met zijn ogen.‘Da’s te weinig,’ zei hij.‘Toe nou, Mr. Gropé ’ smeekten ze, ‘U weet u krijgt uw geld als we gaan oogsten.’ ‘Nee,’ zei hij. ‘Krap zitten we allemaal. Eerst geld, dan wijn.’ Hij draaide zich om om de fles terug te zetten op de plank. Een van de jongens, degene die Bear heette, begon om de toonbank heen te lopen. ‘Jij, daar blijven,’ zei Gropé tegen hem. ‘Terug.’  Bear had gedronken en hij had glazige ogen, hij liep onvast maar bleef grijnzend verder om de toonbank lopen. ‘Terug,’ zei Gropé tegen hem. ‘Luister, laatste keer – terug.’ Bear liep door. Gropé bewoog snel naar de kassa, haalde een revolver tevoorschijn en begon te schieten. Al snel werd er uit een andere richting geschoten.Toen het weer stil was lagen Bear, Gropé en Brother allemaal op de grond, en alleen Jefferson stond nog overeind.

            Hij wilde rennen, maar hij kon niet rennen. Hij kon niet eens denken. Hij wist niet waar hij was. Hij wist niet hoe hij daar was gekomen. Hij kon zich niet herinneren ooit in de auto te zijn gestapt. Hij kon zich helemaal niets herinneren van wat hij die dag had gedaan.

            Hij hoorde een stem. Hij dacht dat de stem van een van de planken met drank kwam. Toen besefte hij dat ouwe Gropé niet dood was, en dat hij het was die riep. Hij dwong zichzelf om naar het uiteinde van de toonbank te gaan. Hij moest over Bear heen kijken om de uitbater te zien. Ze lagen allebei tussen de toonbank en de planken met alcohol. Een aantal flessen was stuk, hun lichamen en de vloer zaten onder de alcohol en het bloed. Daar stond hij de oude man aan te gapen die ineengezakt zat tegen de onderste plank met de grotere wijnmaten. Hij wist niet of hij naar hem toe moest gaan of liever hard wegrennen. De oude bleef roepen: ‘Jongen? Jongen? Jongen?’ Jefferson werd bang. De oude man was nog in leven. Hij had hem gezien. Hij zou hem verlinken. Nu begon hij te raaskallen. ‘Ik deed niks. Ik deed niks, meneer Gropé  Het waren Brother en Bear. Brother schoot op u. Ik deed niks. Ik moest met ze meekomen. Dat moet u zeggen tegen de politie, meneer Gropé. Hoort u me, meneer Gropé?’

            Maar hij stond tegen een dode te praten.

            Nog rende hij niet weg. Hij wist niet wat hij moest doen. Hij kon niet geloven dat dit was gebeurd. Weer kon hij zich niet herinneren hoe hij hier terecht was gekomen. Hij wist niet of hij samen met Brother en Bear was gekomen, of dat hij binnen was komen lopen en dit allemaal pas had gezien nadat het gebeurd was.

            Hij keek van het ene lijk naar het andere. Hij wist niet of hij iemand moest bellen per telefoon of moest rennen. Hij had nooit in zijn leven een telefoonnummer gedraaid, maar had wel andere mensen telefoons zien gebruiken. Hij wist niet wat hij moest doen. Hij stond bij de plank met alcohol, en plotseling besefte hij dat hij een borrel nodig had en hard ook. Hij greep een fles van de plank, rukte de dop eraf, en hief de fles op, alles in één vloeiende beweging. De whiskey brandde in hem als vuur – zijn borst, zijn buik, zelfs zijn neusvleugels. Zijn ogen traanden; hij schudde het hoofd om weer helder te worden. Nu drong het tot hem door waar hij was. Nu drong het tot hem door wat er precies was gebeurd. Nu wist hij dat hij snel weg moest. Hij draaide zich om. Hij zag het geld in de kassa, onder de klemmetjes. Hij wist dat geld wegnemen verkeerd was. Zijn nannan had hem gezegd nooit te stelen. Hij wilde niet stelen. Maar hij had geen rooie cent op zak. En er was niemand in de buurt, dus wie kon weten dat hij had gestolen? Die doden in elk geval niet.

            Hij was halverwege de kamer met het geld in zijn jaszak gepropt en de halve fles whiskey in zijn hand geklemd toen er twee blanke mannen de winkel binnenkwamen.

            Dat was zijn verhaal.

            De aanklager had een ander verhaal.