schwob_logo

marcel
actie
Yasushi Inoue - Stierensumo

2018 | Bananafish | € 12,50 | paperback, 112 blz. | vertaald door Jacques Westerhoven

Yasushi Inoue

Stierensumo (Bananafish)

Boek

Tsugami, de hoofdredacteur van een gloednieuwe krant in het Osaka van vlak na de oorlog, laat zich overhalen om een traditioneel Japans stierengevecht te organiseren. Het stierensumotoernooi moet flink wat geld opbrengen en een publiciteitsstunt voor de krant worden. Maandenlang neemt deze onderneming hem volledig in beslag, waardoor de relatie met zijn geliefde, Sakiko, danig onder druk komt te staan. Terwijl, en misschien omdat, de tegenslagen zich opstapelen, bijt Tsugami zich steeds maar meer vast in dit riskante project.

Bij het lezen van Stierensumo dwingen zich associaties op met Willem Elsschot’s Kaas. Tsugami’s goede eigenschappen keren zich juist tegen hem als hij zich begeeft op voor hem onbekend commercieel terrein. Met een zeer lichte toets schetst Inoue een lokale situatie, die door zijn aanpak opeens een veel bredere betekenis krijgt. Inoue won met dit boek de prestigieuze Akutagawa-prijs en vestigde meteen zijn naam als literair auteur.

Biografie

Yasushi InoueYasushi Inoue (1907 - 1991) debuteerde op 42-jarige leeftijd met Het Jachtgeweer (in januari 2018 eveneens verschenen bij Bananafish), na een carriere als journalist en literair recensent. Direct daarna verscheen Stierensumo. In totaal publiceerde Inoue circa vijftig romans en 150 korte verhalen. In 1976 werd Inoue de Japanse Orde van Culturele verdienste toegekend, een ridderorde voor schrijvers, kunstenaars en onderzoekers.

Vertaler

Jacques Westerhoven (1947) studeerde Engels in Amerika, toen hij hoorde dat de universiteit van Hirosaki een docent Engels zocht. Zijn visum liep bijna af, het was een aantrekkelijke baan en daarom koos hij ervoor een jaar of twee in Japan te gaan werken. Maar hij bleef langer, omdat hij geboeid raakte door land en cultuur, en zijn vrouw had leren kennen. Inmiddels woont hij er sinds 1975. En hij begon, ook al bij toeval, Japanse literatuur te vertalen. Westerhoven, in het dagelijks leven hoogleraar Amerikaanse letterkunde aan de Universiteit van Hirosaki, is vooral bekend van zijn vertalingen van veel boeken van Haruki Murakami. Aan Westerhoven de niet-mis-te-verstane taak om de eigenaardigheden van het Japans, een taal met ‘beleefdheidsniveaus’ en een afkeer van voornaamwoorden, om te zetten in toepasselijk Nederlands.

Fragment

De aankondiging verscheen medio december 1946 met een vette kop in de Nieuwe Osaka Avondbode: vanaf 20 januari van het van het volgend jaar zou er drie dagen lang een stierensumotoernooi[i] worden gehouden in het Hanshin-honkbalstadion, gesponsord door de krant zelf. Zodra de eerste proefdrukken die dag van de pers waren gerold, stak Tsugami, de hoofdredacteur, er een in zijn zak en liep samen met Tashiro, die hij al die tijd in de kille ontvangkamer aan zijn lot had overgelaten, de stad in, waar de wind sinds een dag of wat zijn winterse karakter had gevonden en koud en grillig over de straten woei, ten teken dat de jaarwisseling nu echt naderbij kwam.

     Tashiro nam de krant van Tsugami aan en wierp er een scherpe blik in.

‘Kijk eens aan, het is uit.’ Één ogenblik dreigde er een glimlach over zijn gezicht te trekken, maar hij herstelde zich onmiddellijk. ‘En nu is het een kwestie van adverteren. Adverteren en nog eens adverteren, zo veel je kunt...’ De wind rukte aan de krant in zijn hand. Terwijl hij met snelle stappen doorliep vouwde hij hem in vieren en stopte hem ruw weg in zijn jaszak. ‘Tussen haakjes, ik heb een voorstel voor je.’

Vermoeidheid was een woord dat Tashiro niet leek te kennen. Zodra hij één project in goede banen had geleid, was hij alweer op weg naar zijn volgende doel. Het had ontzaglijk veel energie gekost voor de aankondiging van het stierensumo eindelijk afgedrukt kon worden, en toch vertoonde Tashiro geen enkel teken van uitputting.

‘Wat zeg je hiervan? Als je alle stieren die in dit toernooi uitkomen nou eens kocht? Tweeëntwintig stieren, tegen vijftigduizend yen per stuk – dat komt neer op één miljoen honderdduizend yen. Een koopje, zeg nou zelf! Als de krant dat voor z’n rekening wil nemen, zoveel te beter, want ik weet zeker dat de mensen van de Vereniging in W. er wel oren naar hebben.’

Tashiro ratelde verder alsof hij speciaal uit Shikoku was gekomen om dit voorstel te doen. Zodra het toernooi was afgelopen, kon de krant alle tweeëntwintig stieren weer van de hand doen. Als ze het geld niet meteen nodig hadden, konden ze de kat vanzelfsprekend een tijdje uit de boom kijken. In elk geval, als ze eindelijk tweeëntwintig van die beesten helemaal uit Shikoku hierheen hadden gesleept, konden ze die toch niet met goed fatsoen na het toernooi meteen weer terugsturen? Maar stieren die je voor één miljoen honderdduizend yen inkocht in Shikoku, leverden één miljoen vijfhonderd-, zeshonderdduizend yen op alleen al door ze naar de Hanshin-streek te brengen. En het kostte wat meer moeite, maar als je ze slachtte en in vlees omzette, nou, dan had je minstens twee miljoen, zó in het handje. Allemaal volgens Tashiro’s berekeningen.

Tashiro was een stevige, breedgeschouderde man van gemiddelde lengte, van top tot teen gehuld in een zware leren jas, met in zijn hand een weekendtas van al vrij oud maar nog hard krokodillenleer, van het soort dat de laatste tijd een luxeartikel was geworden. Terwijl ze over de verlaten, platgebombardeerde straat liepen die naar de Midōsuji Boulevard leidde, merkte hij dat de tegenwind hem de woorden uit de mond blies, wat het noodzakelijk maakte om af en toe stil te blijven staan zodat hij de veel langere Tsugami op een verstaanbare manier kon toespreken.

Hoewel Tsugami alle voorgeschreven instemmende geluidjes maakte die bij Tashiro’s betoog pasten, peinsde hij er niet over om op dit voorstel in te gaan. De Nieuwe Osaka Avondbode was opgericht met een kapitaal van niet meer dan honderdvijfennegentigduizend yen, en je kon zonder overdrijving stellen dat de krant met het sponsoren van dit toernooi veel te veel hooi op de vork had genomen. Hun voortbestaan hing er zelfs vanaf. Gezien de enorme problemen die ze al hadden om het toernooi te bekostigen, was het een idiote gedachte om de stieren die erin uitkwamen ook nog eens te kopen. De Nieuwe Osaka Avondbode was in december 1945 opgericht, en de staf bestond hoofdzakelijk uit voormalig personeel van de B. Shimbun, een van de twee grootste nationale dagbladen.[ii] Nu, een vol jaar later, waren ze nog steeds voor alles van de B. Shimbun afhankelijk, van zetten en drukken tot en met foto’s, contacten, noem maar op. In de ogen van de buitenwereld waren ze een soort dochteronderneming van de B. Shimbun en werden ze met hetzelfde kapitaal gerund. Maar in tegenstelling tot alle schijn hadden de twee kranten in feite niets met elkaar te maken. Een sluwe vos als Tashiro zou nooit een contract hebben getekend voor het promoten van dit stierensumotoernooi tenzij hij de financiële gezondheid van De Nieuwe Osaka Avondbode verscheidene malen had gecontroleerd. Dat hij desalniettemin zo’n grote som in het toernooi wilde steken bewees dat hij zich op de connectie met de B. Shimbun had verkeken en in de waan verkeerde dat het verlies in het ergste geval gedekt zou worden. En dat hij een krantje van nauwelijks een jaar oud schromelijk had overschat en serieus zijn best deed om het te betrekken bij een project waarmee een slordige miljoen yen of meer was gemoeid – afgezien van wat ze al in het toernooi hadden gestoken – wel, dat bewees dat Tashiro als organisator eigenlijk toch maar een boertje van buten was en liet meteen aan de mensen die met hem samen moesten werken zijn ware gelaat zien, en dat was zo slinks en geslepen dat je er onwillekeurig je ogen van wilde afwenden.

Toch maakte Tsugami zich geen grote zorgen om met iemand als Tashiro in zee te gaan. Hij was er redelijk zeker van dat hij Tashiro’s kwaliteiten als organisator al bij hun eerste ontmoeting redelijk goed had ingeschat – ’s mans sluwheid, zijn schaamteloosheid, en ook zijn bereidheid om zich niet aan de regels te houden als dat geld in het laatje kon brengen. Tsugami was echter niet bang dat hij in de loop van deze samenwerking aan het kortste eind zou trekken. Enerzijds weigerde hij zich door Tashiro te laten intimideren. Toegegeven, je moest uitkijken, maar als je die alarmerende karaktertrekjes van hem eens ging onderzoeken, zag je al gauw dat ze niet veel voorstelden. Wat voor Tsugami echter de doorslag gaf was dat Tashiro bij tijd en wijle zo’n ongeveinsd enthousiasme voor zijn werk aan de dag legde dat bij hem vergeleken Tsugami zelf veel meer op een louche impresario leek. ‘Dit wordt een hit!’ zei Tashiro op zulke momenten, en dan beet hij elk woord kort af, rolde het rond in zijn mond en spuwde het uit met een vage uitdrukking op zijn gezicht die in totale tegenspraak was met de kracht van wat hij zei. Dan richtte hij zijn blik op een punt in de lucht, alsof hij in de verte keek, en verplaatste hem langzaam verder omhoog, alsof daar een mysterieuze bloem zweefde die alleen hij kon zien en die vanuit die verte naar hem riep. Op zulke ogenblikken was alle berekening uit Tashiro’s hoofd verdwenen. Het gezicht van een organisator die winst en verlies is vergeten is het gezicht van een dwaas, en Tsugami observeerde het net zo geringschattend alsof hij een grappig beeldje voor zich zag, tot hij opeens besefte dat hij een koude blik wierp in zijn eigen hart, dat niet meer wist wat het was om ergens warm voor te lopen.

‘En als de krant ze nou eens niet koopt?’ opperde Tsugami.

‘Dan weet ik wel iemand,’ kaatste Tashiro terug met een air alsof hij op die vraag had gewacht. ‘Daarom heb ik je vandaag ook gevraagd om met me mee te gaan – om die persoon te ontmoeten. Ik wilde iemand achter de hand hebben, zie je, voor het geval dat de krant de stieren niet wil kopen. Je kunt er samen met hem geld in steken, als je dat wilt, maar helemaal los daarvan geloof ik dat hij ons in andere opzichten ook wel zal kunnen helpen. Hij heet Yata Okabe. Nooit van gehoord? Hij heeft anders heel wat in de melk te brokken.’

‘Heel wat’ zoals Tashiro het zei – dat beviel Tsugami niet. Maar vandaag ging hij overal met Tashiro heen, als dat goed was voor diens reputatie. Vandaag was speciaal. Het had heel wat voeten in de aarde gehad, maar vandaag was de aankondiging eindelijk verschenen, en Tsugami voelde zich enorm opgelucht.

‘Okabe komt uit dezelfde streek als ik. Hij is wel een paar jaar jonger, maar hij heeft een heleboel gepresteerd, dus ik heb een groot respect voor hem. Hij is de president van de Hanshin Productiemij en nog drie of vier andere bedrijven. Petje af, hoor. Okabe is de grootste man die Iyo tot nu toe ooit heeft voortgebracht.’

Tashiro had zijn zegje gedaan, en nu boog hij zijn lichaam, breed als een kamerscherm, voorover en beende met grote stappen verder.

 

Sutematsu Tashiro was ongeveer een maand eerder voor het eerst bij Tsugami’s huis in Nishinomiya verschenen en had zich bij die gelegenheid voorgesteld met een abnormaal groot visitekaartje waarop de twijfelachtige titel ‘President, Umewaka Producties’ stond gedrukt. Nu ontving Tsugami nooit bezoek aan huis dat met werk te maken had, maar de avond tevoren was Sakiko langsgekomen en die ochtend hadden ze hun gebruikelijke ruzie gehad over of ze wel of niet uit elkaar zouden gaan, dus om te ontkomen aan haar beschuldigende blikken, die zowel als liefdevol als als hatelijk konden worden uitgelegd, was Tsugami zowaar blij dat hij visite had.

Bij hun eerste onderhoud deed Tashiro zich voor als niets meer of minder dan wat er op zijn kaartje stond: de organisator van plattelandsfestiviteiten. Met zijn levendige, rode gezicht en zijn luide stem maakte hij een veel jongere indruk, maar in feite was hij de vijftig allang gepasseerd. Zijn double-breasted colbert van bruine homespun en zijn breedgestreepte overhemd waren van een opzichtigheid die een jonge vent van vijfentwintig niet zouden hebben misstaan, en om zijn dikke, lompe vingers pronkten twee zilveren ringen. Het enige onderdeel van zijn garderobe dat er sjofel en armoedig uitzag was zijn zwarte sjaal, en die deed hij zelfs binnenshuis eigenaardig genoeg niet af.

Tashiro zocht naar iemand voor wie hij een stierensumotoernooi kon organiseren. Dat was het doel van zijn bezoek. De enige plaats in Japan waar het stierensumo werd gehouden was de stad W. in Iyo, en na te hebben uitgeweid over de oorsprong en geschiedenis van die nobele sport, legde hij in soms theatrale bewoordingen uit dat het zijn liefste wens was om deze traditionele plaatselijke traditie aan de rest van het land te kunnen introduceren.

‘Ik ben dan maar een onbekende organisator van festiviteiten, maar stierensumo is iets wat ik niet als een festiviteit beschouw. Als ik geld wil verdienen, weet ik wel betere manieren. Dertig jaar lang ben ik ben ik heel Shikoku rondgetrokken als de enige impresario van toneelspelers en balladezangers die de naam nauwelijks verdienden, maar goed beschouwd heb ik dat allemaal gedaan omdat ik ervan droomde ooit de glorie van het stierensumo in Tokyo of Osaka te kunnen laten zien.’

Ondanks zijn bezweringen dat hij met stierensumo geen geld wilde verdienen, benadrukte Tashiro herhaaldelijk dat hij geen betere manier zou kunnen bedenken als iemand snel winst wilde maken.

Terwijl Tsugami deze stortvloed van woorden zwijgend over zich heen liet gaan, klemde hij zijn pijp tussen zijn tanden en richtte zijn koude blik zwijgend en nietszeggend op de camelia in een hoek van de kleine tuin. Dergelijke mensen te woord staan was dagelijkse kost voor hem. Bij die gelegenheden luisterde Tsugami altijd met één oor onbewogen naar wat de ander te zeggen had terwijl hij verzonk in diepe, vaak eenzame contemplatie van dingen die daar niets mee te maken hadden. Dit gaf de spreker het gevoel dat hij de ene harpoen na de ander stond te gooien zonder ooit iets te raken, om na een kort, maar bedrieglijk toepasselijk antwoord van Tsugami de merkwaardige illusie te krijgen dat zijn betoog toch de volle interesse van zijn gehoor had weten op te wekken.

Hoe onbewogener Tsugami erbij zat, des te welsprekender Tashiro werd.

‘Zodra je over stierensumo begint, denkt iemand die er niets vanaf weet dat het een boerse, vulgaire sport is, maar ik kan u verzekeren dat het tegendeel het geval is. U moet weten dat de plaatselijke bevolking al sinds mensenheugenis erop wedt welke stier…’

‘Ze wedden erbij?’ onderbrak Tsugami hem.

Tashiro legde uit dat tijdens de toernooien die driemaal per jaar in de stad W. werden gehouden ook vandaag de dag nog bijna alle toeschouwers op de stieren wedden. Tot dan toe had Tsugami nauwelijks aandacht aan hem geschonken, maar deze informatie drong opeens in een rare, eenzijdige vorm tot hem door. In één oogwenk en volledig natuurlijk hadden Tashiro’s woorden bij hem een visioen opgeroepen. Het was als een beeld in een film: uitgestrekte, moderne tribunes zoals in het Hanshin- of Kōroënstadion, in het midden een bamboepalissade waarin grote beesten het uitvochten, geboeid publiek, schallende luidsprekers, bundels bankbiljetten, juichende mensenmassa’s.[iii] Het was een log en koud beeld, maar het was tastbaar, en zwaar als lood. Wat Tashiro daarna allemaal zei, hoorde Tsugami niet precies meer. Wedden, gokken, dacht hij; daar zat iets in. Als zo’n toernooi hier in de Hanshin-streek werd gehouden, zouden de toeschouwers net zo hard wedden als ze dat in W. deden. Als je zocht naar iets wat Japanners na de oorlog een beetje interesse in het leven te geven, nou, dan was dit het misschien wel. Geef ze iets wat het de moeite waard maakt om een gokje te wagen, en de mensen komen er vanzelf op af. Tien-, twintigduizend mensen of meer die in een stadion midden in de uitgebrande stad op vechtende stieren wedden – ja, daar zat zeker iets in. Er was eindelijk weer een begin gemaakt met honkbal en met rugby, maar het zou nog wel een jaar of twee, drie duren voor die sporten hun oude populariteit herwonnen hadden. Ongeveer het enige waar de mensen nu warm voor konden lopen, was stierensumo. Het allereerste stierensumotoernooi in de geschiedenis van de Hanshin-streek – dat was beslist geen slecht project voor een krant om te sponsoren. Maar dan moest de Nieuwe Osaka Avondbode gauw spijkers met koppen slaan.

Terwijl hem dat allemaal door het hoofd ging, glansden Tsugami’s ogen op dezelfde natte, genotzuchtige manier die het Sakiko onmogelijk maakte met hem te breken – koud, vochtig, en toch vol vuur. Hij rechtte zijn rug en zei, in een scherpe, besliste stem die hij tot dan toe niet had gebruikt: ‘Laat ik er eens over nadenken. Misschien zit er wel iets in.’

Een halfuurtje later nam Tashiro afscheid, en in de plotselinge stilte van de kamer ontdekte Tsugami dat hij enigszins opgewonden was. Zoals zijn gewoonte was wanneer hij een nieuw project ondernam, zat hij roerloos en bijna zonder een woord te zeggen op een stoel in de serre. Op zulke momenten wilde hij niets liever dan alleen te worden gelaten.

Opeens werd de stilte verbroken door Sakiko’s stem.

‘Het klinkt als iets waar jij helemaal warm voor kunt lopen.’

Ze zat in een hoekje van de kamer, in dezelfde houding als tijdens Tashiro’s bezoek, voorovergebogen over haar wit glinsterende breinaalden.

‘Hoezo?’

‘Hoezo? Zo’n gevoel heb ik. Jij loopt daar beslist warm voor. Zoiets spreekt je wel aan.’

Ze keek op, wierp een koude blik in Tsugami’s richting en zei op een toon die zowel verwijtend als verzuchtend klonk: ‘Zo schurkachtig ben je wel.’

 

 

 

[i] Stierensumo is een duel zonder bloedvergieten tussen twee speciaal daarvoor gefokte stieren die elkaar een wedstrijdring uit moeten duwen. Deze sport was vooral kort na de oorlog populair en wordt nog steeds veel bedreven in het zuiden van Japan.

[ii] De Nieuwe Osaka Avondbode is gebaseerd op het avondblad Shin Ōsaka (Nieuw Osaka), dat bestond tussen 1946 en 1995 en oorspronkelijk werd opgericht als dochterkrant van de Mainichi Shimbun, de krant waarvoor Inoue zelf toen als journalist werkzaam was, om het rantsoeneringssysteem voor papier te omzeilen. Shin Ōsaka organiseerde in 1948 inderdaad een stierensumotoernooi.

[iii] Het Koroën-stadion is een verkapte verwijzing naar het Kōshiën-stadion, die de Japanse lezers onmiddellijk zullen begrijpen. Het Hanshin-stadion bestaat echter wel.

Leesclubs

Er zijn nog geen leesclubs gepland voor dit boek. Houd onze agenda in de gaten!

Reacties

“Like the brushstrokes of a minimalist painting, Inoue’s spare prose picks out visual details…but if Inoue captures the desolate urban landscapes of 1940s Japan, his real interest lies deeper, in the effects of war on the national psyche.”
Lees hier verder

- David Evans, The Independent

“It’s a story that resonates long after it finishes.”
Lees hier verder

- The Japan Times

"Inoue schrijft met de spaarzaamheid van een dichter. Zijn kristalhelder proza genereert een veelheid aan verwijzingen en allusies die voor een Japanse lezer evident zijn en een groter referentiekader ontplooien."
Lees hier verder

- Laurent De Maertelaer op MappaLibri over Het jachtgeweer