schwob_logo

marcel
actie
Eileen Chang - De liefde van een half leven

2018 | De Arbeiderspers | € 24,99 | gebonden, 432 blz. | vertaald door Silvia Marijnissen

Eileen Chang

De liefde van een half leven (De Arbeiderspers)

Boek

Als de verlegen jonge ingenieur Shijun in de fabriek Manzhen ontmoet, wordt hij getroffen door haar subtiele schoonheid en hoopvolle karakter. Al snel bloeit een liefde tussen hen op. Maar druk vanuit hun familie en gebeurtenissen buiten hun invloed vernietigen al snel de mogelijkheid van een toekomst samen. Kan het paar de weg terug naar elkaar vinden? Of worden ze daarin gehinderd door de trauma’s uit het verleden? De liefde van een half leven, gesitueerd in het Shanghai van de jaren dertig, is een rijk en ontroerend verhaal over liefde, hoop en de boze krachten die ons – ondanks onze uiterste inspanningen – kunnen overweldigen. Deze tijdloze, internationaal herontdekte roman is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald door Silvia Marijnissen, die deze uitgave van een nawoord heeft voorzien.

Biografie

Eileen Chang

Eileen Chang (1920-1995) groeide op in een welgesteld milieu in Shanghai. Na haar studie in Hong Kong maakte ze al snel naam als schrijver. In 1955 emigreerde ze naar de Verenigde Staten en in 1969 publiceerde ze haar roman De liefde van een half leven. In 1995 overleed ze eenzaam in haar appartement in Los Angeles. Haar wereldberoemde boeken Lust, caution en Love in a fallen city werden allebei succesvol verfilmd.

Vertaler

Silvia Marijnissen (1970) studeerde Chinese taal en culturen in Leiden en deed onderzoek naar de moderne poëzie van Taiwan. Zij vertaalde onder meer de bundel Berg en water, met klassieke Chinese landschapsgedichten, moderne poëzie van Hsia Yu, Shang Ch’in, Duoduo en Chen Li, en de romans Kikkers en De sandelhoutstraf van Nobelprijswinnaar Mo Yan. Momenteel werkt zij met collega’s aan een integrale vertaling van de klassieke Chinese roman De droom van de rode kamer.

Fragment

Manzhen had hem ooit gevraagd vanaf wanneer hij haar leuk was gaan vinden. Natuurlijk had hij geantwoord: ‘Vanaf de allereerste keer dat ik je zag.’ Hij had dat er zomaar uit geflapt, want hij was toen al zo weg van haar dat hij eenvoudigweg alles had kunnen geloven, en vanzelfsprekend was hij er zelf ook van overtuigd dat hij daarmee geen leugen had verteld. Maar de waarheid was dat hij zich juist niet erg goed herinnerde wanneer hij haar daadwerkelijk voor het eerst had gezien.

            Shuhui had haar als eerste ontmoet. Dat was zijn beste studievriend, ze hadden allebei techniek gedaan, Shuhui was als eerste afgestudeerd en had gelijk werk gevonden, en nadat hij, Shijun zelf, ook zijn studie had afgerond, had Shuhui hem weer bij hem in de fabriek geïntroduceerd zodat hij praktijkervaring kon opdoen. Manzhen werkte daar ook, op kantoor, haar werktafel was naast die van Shuhui, en Shijun was verschillende keren langs haar gelopen op weg naar Shuhui, hij moest haar wel hebben gezien, maar dat had blijkbaar weinig indruk op hem gemaakt. Dat lag voor een deel waarschijnlijk aan het feit dat hij in die tijd pas net van school kwam en zich altijd wat geremd voelde in de nabijheid van meisjes, hij durfde gewoon niet openlijk naar ze te kijken.

            Tijdens die ervaringsplek in de fabriek werkte hij de hele dag met de arbeiders samen tussen de machines, pas als hij zich iets helemaal eigen had gemaakt, werd hij naar een andere afdeling overgeplaatst. Al viel dat leven hem erg zwaar, de ervaring vond hij onbetaalbaar. Het salaris was extreem laag, maar gelukkig was zijn familie voor het levensonderhoud niet van hem afhankelijk. Zijn ouders woonden niet in Shanghai, daarom woonde hij bij de familie van Shuhui in.

            Dat jaar was hij voor het eerst niet thuis met Chinees Nieuwjaar. Voorheen had hij nooit veel om deze periode gegeven, omdat er thuis rond die tijd altijd wel een paar vervelende dingen voorvielen. Zo werd er bij hem met de offerandes aan de voorouders en de maaltijd in familiekring altijd gewacht op de terugkomst van zijn vader, terwijl die in het huis van zijn concubine juist expres langer werd opgehouden. Daar deed zijn moeder doorgaans niet moeilijk over, maar oudejaarsdag vormde daarop een uitzondering. ‘De leden van een familie moeten zich als een familie gedragen,’ zei ze dan. Het gezinshoofd moest op die dag omwille van de voorouders op tijd naar huis komen om de hele ceremonie te leiden.

            Eigenlijk was er in het andere huis een soortgelijk programma van voorouderoffers, want de concubine was inmiddels ook al heel lang met zijn vader samen, ze hadden een aantal kinderen gekregen en dat andere huishouden was een stuk levendiger dan bij hem thuis. Zijn vader woonde het hele jaar door daar. Zelden kwam hij naar zijn eerste huis en wanneer hij dat deed was zijn moeder altijd uiterst beleefd tegen hem. Alleen rond de nieuwjaarsvieringen kon zij zich meestal niet beheersen en kibbelde om van alles, waarschijnlijk omdat zij in die periode met haar neus op de feiten werd gedrukt en haar eigen lot voelde. Een vrouw van haar leeftijd die gewoon zat te huilen. Van kleins af aan tot nu toe had Shijun het jaar na jaar op deze manier meegemaakt. Dit keer was hij dan ook blij dat hij nieuwjaar niet thuis hoefde te vieren, zo vielen er heel wat zorgen van hem af. Maar op een of andere manier ging hij tegen de tijd dat het jaar op zijn einde liep, toen ’s avonds veel families aan hun oudejaarsmaaltijd zaten en hij overal om zich heen rotjes hoorde knallen, toch gebukt onder een onbeschrijflijk verdriet.

            Op oudejaarsavond at Shijun eerst mee met de familie van Shuhui, daarna nodigde hij zijn vriend uit voor de bioscoop, voor twee films achter elkaar nog wel, want die dag draaide er om middernacht ook een. Het was een bijzondere belevenis om op dat tijdstip in de bioscoop te zitten, eentje van bedrijvige gezelligheid met een vleugje eenzaamheid erin.

            Van de fabriek hadden ze maar drie dagen vrij voor de feestdagen, maar het kleine restaurantje waar ze ’s middags vaak gingen eten zou pas op de vijfde dag van het nieuwe jaar weer opengaan. Dus toen Shijun en Shuhui daar op de vierde dag samen wilden gaan eten, stonden ze voor de gesloten deur. Er zat niks anders op dan weer terug te lopen door de straat die vol lag met rode papiersnippers van het afgestoken vuurwerk. Op zeker moment kwamen ze langs een zaakje dat al wel open was en Shuhui stelde voor om dan maar daar te gaan eten. Voor het weer officieel in bedrijf zou gaan wilde de eigenaar waarschijnlijk de ontvangst van de zegeningen door de god van het fortuin nog afwachten, maar toch had het die dag de status van half open, de helft van de deur was dicht, en eenmaal binnen was het er aardedonker. Door de nieuwjaarsperiode was er ook hier weinig bedrijvigheid, maar aan een tafel vlak bij de ingang zat een jonge vrouw met haar gezicht naar de buitendeur gericht. Ze droeg een lichtgrijze, versleten jas van schapenleer, er stond alleen een kom en een bordje voor haar, haar eten was nog niet gebracht en ze leek het wachten nog al beu. Ze droeg rode wollen handschoenen en wreef langzaam met haar ene hand langs de vinger van de andere naar beneden, tot ze onder in het vorkje kwam waar twee vingers bij elkaar kwamen, dat was het enige wat ze deed, zo om de beurt langs haar vingers glijden. Zodra Shuhui haar zag riep hij verrast uit: ‘Juffrouw Gu, bent u hier ook!’

            Hij maakte zich klaar om bij haar aan te schuiven, tot hij zich omdraaide en zag dat Shijun er nogal aarzelend uitzag en een beetje op een afstand bleef staan: ‘Kennen jullie elkaar soms niet? We zijn allemaal collega’s, hoor. Dit is Shen Shijun, dit is Gu Manzhen,’ zei hij.

            Ze had een rond gezicht, maar dat ronde had iets hoekigs, of ook niet echt hoekig, het was meer zo dat ze ook wat rechte trekken had. Haar nonchalante haar viel losjes over haar schouders. Shijun, die nu eenmaal weinig kritisch oordeelde over het uiterlijk, de houding en de kleren van een meisje, vond gewoon in zijn algemeenheid dat ze er goed uitzag. Ze stak haar handen in haar jaszakken en knikte hem vriendelijk toe. Meteen trokken hij en Shuhui een bankje bij om te gaan zitten, maar de vermiljoen rode lak daarvan bleek bedekt met een donker, vettig laagje. Shijun, die zelf nu eenmaal al van onder tot boven onder de vieze vlekken zat van het werk tussen de machines, gaf daar niks om, maar Shuhui, strak in een westers pak, kon het niet nalaten het bankje eerst eens goed te bekijken voor hij plaats nam.

            Op dat moment kwam ook de bediende aanlopen, met twee theeglazen die hij met de vingers in het glas vasthield en op de tafel neerzette. Shuhui zag het allemaal eens aan en fronste vervolgens een paar keer achter elkaar. ‘Het is hier maar niks, wat een smerige boel, zeg!’ zei hij.

            De bediende schonk de thee voor hen en ze bestelden elk hun eigen menumaaltijd. Ineens schoot Shuhui iets te binnen: ‘Hé! Breng ons eens twee papiertjes waarmee we de eetstokjes kunnen schoon vegen!’ riep hij.

            Maar de bediende was al te ver van hen vandaan en hoorde hem niet. Dus zei Manzhen: ‘Dan spoelen we ze maar in de theeglazen, ik denk dat jullie die thee toch niet willen drinken.’

            Meteen trok ze het paar eetstokjes dat voor Shuhui lag naar zich toe, ze waste ze al roerend in haar glas, schudde er even mee om ze te drogen en legde ze vervolgens voor hem neer, boven op zijn glas, terwijl ze in een moeite door ook de eetstokjes van Shijun pakte. Shijun, die snel half overeind kwam, zei met een lachje: ‘Nee, nee, dat doe ik zelf wel, hoor!’ Nadat ze ze had gewassen, nam hij ze van haar aan en haar bedankte haar nogmaals. Manzhen hield haar ogen de hele tijd neergeslagen, ze keek hen geen enkele keer direct aan, maar ze glimlachte wel. Shijun legde zijn eetstokjes zoals voorheen terug op tafel. Daarna bedacht hij zich ineens, deze tafel is zo vies en vettig, als ik ze zo neerleg, deze schoongewassen eetstokjes, dan lijkt het net alsof het me volkomen onverschillig laat, alsof ik het maar bemoeizuchtig van haar vind dat ze de eetstokjes voor mij heeft gewassen, dan krijgt zij daardoor misschien wel het gevoel dat ze te gedienstig is geweest. Met dat in gedachten pakte hij de eetstokjes snel weer op en legde ze, naar haar voorbeeld, ook netjes bovenop zijn theeglas, waarbij hij bovendien de uiteinden nauwlettend naast elkaar rangschikte. In feite waren de eetstokjes zodra ze de smerige tafel hadden aangeraakt zelf ook al weer vies geworden, dus wie probeerde hij nu eigenlijk om de tuin te leiden? Zonder enige reden voelde hij zich plotseling erg ongemakkelijk worden. Om daar een einde aan te maken pakte hij zijn lepel en roerde ook die even rond in zijn theekop. Op dat moment werden hun gerechten geserveerd; er was een schaal sint-jakobsschelpensoep bij, waarvan Shijun een kom vol voor zichzelf inschepte. ‘Sint-jakobsschelpensoep met Nieuwjaar!’ zei hij lachend. ‘Die kun je waarschijnlijk ook zien als een geluksbrenger – die schelpen zijn een soort van yuanbao, onze kleine offerandes in de vorm van goudklompjes.’

             ‘Het zijn inderdaad yuanbao, net zo goed als taro, en jiaozi en eier-jiaozi zijn dat ook, zelfs olijven en thee-eieren worden allemaal als yuanbao gezien – volgens mij zijn wij Chinezen echt gek op geld, want wat we ook voor onze ogen hebben, we zien overal yuanbao in,’ merkte Shuhui op.

            Manzhen lachte mee: ‘Ach, weet je, daar valt nog wel meer over te zeggen, hoor. Ken je de zakjesdrager niet? Dat is een rups, die vaak van de daken van huizen valt, de mensen in het noorden noemen die “een streng geld”. Over gek op geld gesproken!’

Leesclubs

Er zijn nog geen leesclubs gepland voor dit boek. Houd onze agenda in de gaten!

Reacties

‘Een betoverende en gedistingeerde schrijver.’

- The New York Times Book Review

‘Een leeservaring die je inpakt, achtervolgt en inspireert.’

The Wall Street Journal

‘De Aziatische Virginia Woolf.’

- Die Zeit