Bolesław Prus

Hrubieszów, 1847 - 1912

Bolesław Prus

Bolesław Prus, vaak vergeleken met Tjechov, wordt als de eerste grote schrijver van de moderne Poolse literatuur beschouwd, met een nationale status min of meer vergelijkbaar met die van Multatuli in Nederland....

Karol Lesman

Breda, 1951

$naamvertaler

Karol Lesman vertaalde sinds 1979 ruim vijftig titels uit het Pools die meermaals werden bekroond. In 2009 werd de inzet, initiatief en durf die uit zijn vertaaloeuvre spreekt bekroond met de Fonds voor de Letteren Vertaalprijs....

Bolesław Prus

De pop

Vertaling Karol Lesman

Hoofdstuk 2 - Het bewind van een oude klerk

De heer Ignacy Rzecki woonde al vijfentwintig jaar in een kamertje naast de winkel. In die tijd had de winkel gewisseld van eigenaar en vloer, kasten en glas in de ramen, waren en winkelbedienden; maar de kamer van meneer Rzecki was altijd dezelfde gebleven. Hij had hetzelfde trieste raam dat uitkwam op dezelfde binnenplaats, achter hetzelfde traliewerk, waaraan een misschien wel vijfentwintig jaar oud spinnenweb hing en een in elk geval vijfentwintig jaar oud gordijn dat ooit groen maar nu uit heimwee naar de zon verschoten was.

Bij het raam stond dezelfde zwarte tafel, bedekt met een kleed dat ook ooit groen was geweest, maar nu slechts vol vlekken zat. Daarop een grote zwarte inktpot met een grote zwarte zanddoos die aan hetzelfde onderstel zat vastgemaakt, een paar geelkoperen kandelaars voor talkkaarsen die niemand meer aanstak en een stalen snuiter waarmee niemand meer de pit bijknipte. Een ijzeren bed met een heel dun matras, met daarboven een nooit gebruikt dubbelloops geweer en daaronder een koffer met een gitaar, die deed denken aan een kinderlijkkist, een smalle met leer overtrokken canapé, twee eveneens met leer overtrokken stoelen, een grote metalen waskom en een kleine kast in cerise vormden het ameublement van deze kamer, die er met het oog op zijn lengte en de er in heersende schemer eerder leek op een graftombe dan op een woning.
Net als de kamer waren sinds een kwarteeuw ook de gewoontes van meneer Ignacy niet veranderd.

’s Ochtends werd hij altijd om zes uur wakker; dan lag hij een ogenblik te luisteren of het op de stoel liggende horloge wel liep en keek hij naar de wijzers die samen één rechte lijn vormden. Hij wilde in alle rust opstaan, zonder poespas; maar omdat hij koude voeten had en zijn enigszins verstijfde handen niet voldoende gehoorzaamden aan zijn wil, schoot hij plotseling overeind, sprong naar het midden van de kamer en rende na zijn slaapmuts op het bed te hebben geworpen naar de grote kom bij de kachel, waarin hij zich van top tot teen waste, snuivend en proestend als een volbloed op leeftijd die aan de paardenraces terugdacht.

Tijdens het ritueel van het afdrogen met een ruwe badhanddoek keek hij met plezier naar zijn magere kuiten en zijn behaarde borst en mompelde: ‘En toch kom ik aan.’

Op datzelfde moment sprong zijn oude poedel Ir, die een oog mistte, van de canapé en ging na zich te hebben uitgeschud, vast en zeker van zijn laatste restjes slaap, aan de deur staan krabben, waarachter het ijverige blazen in een samowar te horen was. Terwijl meneer Rzecki nog steeds bezig was zich gehaast aan te kleden liet hij de hond naar buiten en zei hij goedemorgen tegen de huisknecht, haalde een theepot uit de kast, vergiste hij zich bij het knopen van zijn manchetten, rende naar de binnenplaats om te zien wat voor weer het was, verbrandde zich aan de hete thee, kamde zonder in de spiegel te kijken zijn haar en om half zeven was hij klaar.

Nadat hij had omgekeken of de stropdas wel om zijn hals hing en zijn horloge en portemonnee in zijn zakken zaten haalde meneer Ignacy uit het tafeltje een grote sleutel tevoorschijn en opende licht gebogen daarmee plechtig de met ijzer plaatwerk beslagen achterdeur van de winkel. Samen met de huisknecht ging hij naar binnen, ze ontstaken enkele gasvlammetjes en terwijl de huisknecht de vloer aanveegde las meneer Ignacy door zijn binocle uit zijn aantekenboekje het rooster voor die dag voor: ‘Achthonderd roebel naar de bank brengen, aha…! Naar Lublin drie albums versturen, een dozijn portemonnees… Precies…! Naar Wenen een postcheque ter waarde van twaalfhonderd gulden… Van het spoor de levering afhalen… De zadelmaker aanmanen vanwege het niet bezorgen van de koffers… Een bagatel…! Een brief aan Staś schrijven… Een bagatel…!’

Toen hij klaar was met lezen ontstak hij nog wat vlammetjes en bij de weerschijn daarvan deed hij een ronde langs de waar in de vitrines en de kasten.
‘Manchetknopen, spelden, portemonnees… goed zo… Handschoenen, waaiers, stropdassen… ja ja. Wandelstokken, parasols, reistassen… En hier, de albums, de necessaires… Die saffieren is gisteren verkocht, natuurlijk…! Kandelaars, inktpotten, presse-papiers… Porselein… Ik ben benieuwd waarom ze die vaas hebben omgedraaid…? Zeker… Nee, hij is niet beschadigd… Poppen met haar, een theater, een carrousel… Voor morgen moeten we de carrousel maar in de etalage zetten, want de fontein is inmiddels zo gewoon geworden. Een bagatel…! Het loopt al tegen achten… Ik wed dat Klejn de eerste zal zijn en Mraczewski de laatste. Natuurlijk… Hij heeft een of andere gouvernante leren kennen en heeft voor haar al een necessaire op rekening en met korting gekocht… Uiteraard… Zolang hij maar niet gaat kopen zonder korting en niet op rekening…’

Zo liep hij mompelend door de winkel, licht gebogen, met de handen in zijn zakken en de poedel achter hem aan. Als zijn baasje zo nu en dan bleef staan om naar een of ander voorwerp te kijken ging de hond op de vloer zitten en krabde met zijn achterpoot in zijn dikke, warrige haren en keken de op rij in een kast opgestelde poppen, klein, gemiddeld en groot, brunet en blond, hen met doodse ogen aan.

De gangdeur kraakte en daar verscheen meneer Klejn, een schamele winkelbediende, met een trieste glimlach rond zijn blauwe lippen.
‘Als ik het niet dacht, ik wist het dat u de eerste zou zijn. Goedemorgen’, sprak meneer Ignacy. ‘Paweł! Doof het licht en doe de winkel open.’
De huisknecht kwam zwaar naar binnen gesloft en draaide het gas dicht. Even later weerklonk het krassen van deurgrendels, het gekletter van staven en kwam het daglicht de winkel binnen, de enige klant die de zakenman nooit teleur zal stellen. Rzecki ging aan zijn lessenaar bij het raam zitten. Klejn nam zijn vertrouwde plaats in bij het porselein.
‘De patroon is nog niet terug, u heeft nog geen brief ontvangen?’ vroeg Klejn.
‘Ik verwacht hem half maart, hoogstens over een maand.’
‘Als hij niet door een nieuwe oorlog wordt tegengehouden.’
‘Staś… Meneer Wokulski,’ corrigeerde Rzecki zich, ‘schrijft me dat er geen oorlog komt.’
‘De koersen dalen anders wel, en ik las daarnet dat de Engelse vloot de Dardanellen is binnengevaren.’
‘Dat zegt niks, er komt geen oorlog. Trouwens,’ verzuchtte meneer Ignacy, ‘wat hebben wij aan een oorlog waar geen Bonaparte aan deelneemt.’
‘De Bonapartes zijn klaar met hun carrière.’
‘Waarlijk…?’ glimlachte meneer Ignacy ironisch. ‘En ten faveure van wie hebben MacMahon en Ducrot in januari die staatsgreep gearrangeerd…? Gelooft u me, meneer Klejn, het Bonapartisme is een macht van formaat…!’
‘Er is een grotere.’
‘En welke mag dat dan wezen?’ reageerde meneer Ignacy verbolgen. ‘Misschien een republiek met Gambetta…? Bismarck soms?’
‘Het socialisme…’, fluisterde de schamele winkelbediende, terwijl hij zich achter het porselein verschool.
Meneer Ignacy plantte zijn binocle wat steviger op zijn neus en kwam op zijn stoel overeind, alsof hij in één beweging de nieuwe theorie die tegen zijn opvattingen indruiste wilde weerleggen; maar daarin werd hij gehinderd door de binnenkomst van een andere winkelbediende met een baardje.

‘Een goedendag, mijn waarde heer Lisiecki!’ wendde hij zich tot de nieuwkomer. ‘Een koude dag vandaag, nietwaar? Hoe laat mag het wel niet zijn in de stad, want mijn horloge loopt zeker voor. Volgens mij is het nog geen kwart over acht …?’
‘Het idee…! Uw horloge loopt ‘s ochtends altijd voor en ‘s avonds achter’, antwoordde Lisiecki bits, terwijl hij de rijp van zijn snor veegde.
‘Ik durf te wedden dat u gisteren een partijtje préférence hebt gespeeld.’
‘Nou en of. Dacht u soms dat de aanblik van die fournituren van jullie en uw grijze hoofd voor een hele dag voor mij voldoende zou zijn?’
‘Wel, meneer, ik ben liever een beetje grijzend dan kaal’, zei meneer Ignacy verontwaardigd.
‘Het idee…!’ siste meneer Lisiecki. ‘Mijn kaalheid, als iemand die al wil zien, is een trieste familie-erfenis, maar uw grijze haren en norse karakter zijn de vruchten van de ouderdom die ik… zou willen respecteren.’

De eerste klant kwam de winkel binnen: een vrouw, gekleed in een ouderwetse mantel en met een hoofddoek, die om een koperen kwispedoor vroeg. Meneer Ignacy maakte een diepe buiging en bood haar een stoel aan, terwijl meneer Lisiecki achter de kasten verdween en even later terugkwam om de cliënte het gewenste voorwerp met een waardige beweging te overhandigen. Vervolgens schreef hij de prijs van de kwispedoor op een briefje, gaf dat over zijn schouder door aan Rzecki en ging met de uitdrukking van een bankier, die zojuist enkele tienduizenden roebels voor een liefdadigheidsdoel heeft gedoneerd, weer achter zijn toonbank staan.
De ruzie over de grijze haren en het kale hoofd was uit de wereld.

Pas rond negen uur kwam, of liever gezegd stormde meneer Mraczewski de winkel binnen, een mooie, blonde jongeman van iets over de twintig, met ogen als sterren, een koraalrode mond en een snorretje als giftige stiletto’s. Hij kwam in een wolk van geuren naar binnen gerend en riep vanaf de drempel: ‘Ik durf te wedden dat het al half tien is. Ik ben een losbol, ik ben een nietsnut, ik deug niet, maar kan ik het helpen dat mijn moeder ziek is en ik een dokter moest gaan halen. Ik ben er wel bij zes geweest…’
‘Ook bij die aan wie u necessaires schenkt?’ vroeg Lisiecki.
‘Necessaires…? O, nee. Onze dokter zou nog geen speld aannemen. Hij is een deugdzaam man… Is het echt waar, meneer Rzecki, dat het al half tien is? Mijn horloge is stil blijven staan.’
‘Het is bij-na ne-gen uur…’ antwoordde meneer Ignacy met de nodige nadruk.
‘Pas negen uur…? Nou, nou, wie had dat gedacht! En ik had me nog wel voorgenomen om vandaag als eerste in de winkel te zijn, nog voor meneer Klejn…’
‘Om vervolgens voor achten de winkel weer te verlaten’, bemoeide meneer Lisiecki zich ermee.
Mraczewski staarde hem met zijn felblauwe ogen aan, waarin opperste verbazing verscheen.
‘Hoe weet u dat…?’ antwoordde hij. ‘Nou, erewoord, die man heeft een profetische gave! Inderdaad vandaag, erewoord… moet ik voor zeven uur in de stad zijn, al zou ik het leven erbij laten, al zou ik… ontslag moeten nemen…’
‘Begint u daar dan mee,’ barstte Rzecki uit, ‘dan kunt u nog voor elf uur vrij zijn, zelfs nu, op dit moment, meneer Mraczewski. U zou graaf moeten zijn, geen koopman, en ik verbaas me erover dat u niet meteen voor dat beroep hebt gekozen, waarbij je altijd tijd hebt, meneer Mraczewski. Natuurlijk!’
‘Kom, kom, u zult in uw tijd toch ook wel achter de meisjes hebben aan gezeten’, zei Lisiecki. ‘Waarom dan de moraalridder spelen.’
‘Ik heb nooit ergens achter aan gezeten!’ schreeuwde Rzecki, terwijl hij met zijn vuist op de lessenaar sloeg.
‘Eindelijk komt hij er dan een keer voor uit, dat hij zijn leven lang een klungel is’, mompelde Lisiecki tegen Klejn, die in een glimlach zijn wenkbrauwen hoog optrok.

Een tweede gast, die overschoenen verlangde, betrad de winkel. Mraczewski liep op hem toe.
‘De waarde heer wenst overschoenen? Welk maat als ik mag vragen? Ach, de waarde heer weet het zeker niet meer! Niet iedereen heeft de tijd om na te denken over de maat van zijn overschoenen, dat is onze taak. De waarde heer vindt het goed als we even passen…? Zou u zo vriendelijk willen zijn even op het krukje plaats te nemen? Paweł! Breng een handdoek, doe meneers overschoenen uit en poets zijn schoenen…’
Paweł kwam met een doek naar binnen gerend en stortte zich op de voeten van de nieuwkomer.
‘Maar meneer, neemt u me niet kwalijk…!’ zei de verbouwereerde klant in een poging zich te verontschuldigen.
‘Staat u me toe’, sprak Mraczewski snel. ‘Dit is onze plicht. Volgens mij zijn deze goed’, ging hij verder, waarbij hij een paar met een touwtje aan elkaar gebonden overschoenen overhandigde. ‘Schitterend, ze zien er fantastisch uit; de waarde heer heeft ook zo’n normale voet dat het ondenkbaar is dat je je in de maat zou kunnen vergissen. De waarde heer wenst zeker ook dat we zijn initialen erin aanbrengen; wat mogen dat voor lettertjes zijn…?’
‘L.P.’, mompelde de klant die het gevoel had kopje onder te gaan in de bruisende spraakwaterval van de beleefde winkelbediende.
‘Meneer Lisiecki, meneer Klejn, wilt u zo vriendelijk zijn de lettertjes aan te brengen. De waarde heer wenst dat de oude overschoenen worden ingepakt? Paweł! Veeg de overschoenen af en wikkel ze in wat vloeipapier. Of wenst de waarde heer misschien niet te worden gehinderd door een overbodige last? Paweł! Gooi de overschoenen in de kist… Dat is dan twee roebel en vijftig kopeken. Uw overschoenen met initialen zullen nu door niemand kunnen worden verwisseld, want het is hoogst onaangenaam om in plaats van net aangeschafte spullen ouwe troep aan te treffen… Twee roebel vijftig kopeken te voldoen bij de kassa, met dit kaartje. Meneer de kassier, vijftig kopeken wisselgeld voor de waarde heer…’

Voordat de klant goed en wel was bekomen had men hem de overschoenen al aangedaan, het wisselgeld teruggegeven en hem met diepe buigingen naar de deur begeleid. De cliënt bleef nog een tijdje op straat staan, gedachteloos naar de etalage starend van waarachter Mraczewski hem een zoete glimlach en een stralende blik toewierp. Uiteindelijk maakte hij een wegwerpgebaar en vervolgde zijn weg, misschien wel denkend dat in een andere winkel overschoenen zonder initialen hem tien zloty zouden hebben gekost.

Meneer Ignacy wendde zich tot Lisiecki en schudde zijn hoofd op een manier die getuigde van bewondering en tevredenheid. Mraczewski zag deze beweging vanuit een ooghoek, liep tot bij Lisiecki en zei toen halfluid: ‘Moet u nou toch eens zien, lijkt die oude van ons en profil nu niet sprekend op Napoleon III? Die neus… die snor… dat puntbaardje…’
‘Dan toch Napoleon met galstenen’, antwoordde Lisiecki.
Bij het horen van deze grap reageerde meneer Ignacy afkeurend met een vertrokken gezicht. Overigens mocht Mraczewski voor zeven uur ‘s avond vertrekken en een paar dagen later kreeg hij in het memorandum van Rzecki de volgende notitie: ‘Hij zat bij De hugenoten op de achtste rij stalles naast ene Mathilde(???)…’
Hij zou troost kunnen vinden in de gedachte, dat in datzelfde memorandum eveneens aantekeningen stonden over zijn beide andere collega’s, maar ook over de kassier, de bodes, ja zelfs over de huisknecht Paweł. Hoe kwam Rzecki aan al die details uit het leven van zijn medewerkers? Dat is een geheim dat hij aan niemand toevertrouwde.

Rond een uur ‘s middags verdween meneer Ignacy, nadat hij de kassa had overgedragen aan Lisiecki, die hij ondanks het voortdurende getwist het meest vertrouwde, naar zijn kamertje om zijn bij een restaurant gehaalde middagmaal te nuttigen. Tegelijk met hem verliet Klejn de winkel en kwam om twee uur weer terug; daarna bleven hij en Rzecki in de winkel en gingen Lisiecki en Mraczewski eten. Om drie uur was iedereen weer op zijn plek.

Om acht uur ‘s avonds ging de winkel dicht; de winkelbediendes gingen uit elkaar en alleen Rzecki bleef achter. Hij deed de dagelijkse afrekening, controleerde de kassa, maakte het werkplan voor de volgende dag en probeerde zich te herinneren: is alles gedaan wat vandaag eigenlijk gedaan had moeten worden? Voor elke verwaarloosde kwestie betaalde hij met lange slapeloosheid en naargeestige dromen over de teloorgang van de winkel, de totale ondergang van de Bonaparte-dynastie en dat alles waar hij in zijn leven op had gehoopt enkel flauwekul was.
‘Er komt allemaal niets van terecht! We zijn reddeloos verloren!’ verzuchtte hij dan woelend in zijn harde beddengoed.

Verliep de dag goed dan was meneer Ignacy content. Dan las hij voor het slapengaan De geschiedenis van het consulaat en het keizerrijk of krantenknipsels die de Italiaanse oorlog van het jaar 1859 beschreven of ook, maar dat gebeurde niet zo vaak, haalde hij weleens zijn gitaar van onder het bed tevoorschijn en speelde daarop de Rákóczimars en zong daarbij met een tenor van twijfelachtige kwaliteit.
Later droomde hij dan van de uitgestrekte Hongaarse laagvlaktes, de blauwe en witte lijnen van in rookwolken gehulde legers… De volgende dag had hij last van een somber humeur en klaagde hij over hoofdpijn.

Tot de meer aangename dagen behoorde wat hem betreft de zondag; dan immers maakte hij de plannen voor wat er een week lang in de etalage moest komen, om vervolgens deze plannen uit te voeren.
In zijn opvatting waren de etalages niet alleen een samenvatting van het aanbod van de winkel, maar moesten ze ook de aandacht trekken van de voorbijgangers door ofwel de meest modieuze waar dan wel een prachtige uitstalling of een aardigheidje. De rechter etalage, die was voorbestemd voor de luxe artikelen, herbergde meestal een bronzen beeld, een porseleinen vaas, de volledige inrichting van een boudoirtafeltje, waaromheen albums, kandelaars, portemonnees, waaiers waren uitgestald, aangevuld met wandelstokken, parasols en een ontelbare hoeveelheid kleine, maar elegante voorwerpen. In de met stropdassen, handschoenen, overschoenen en parfums gevulde linkeretalage nam speelgoed, dat meestal kon bewegen, een centrale plaats in.

Soms ontwaakte gedurende deze eenzame bezigheden in de oude winkelbediende het kind. Dan haalde hij alle mechanische speeltjes tevoorschijn en stalde hij ze uit op tafel. Er was een beer die in een paal klom, er was een kraaiende haan, een muis die kon rennen, een trein die over rails reed, een circusclown die op een paard galoppeerde en nog een andere clown meedroeg, en enkele paartjes die een wals dansten onder begeleiding van een onduidelijk stukje muziek. Al deze figuren werden door meneer Ignacy opgedraaid en allemaal tegelijk in beweging gezet. En als de haan begon te kraaien en te klepperen met zijn stijve vleugels, als de dode paartjes dansten waarbij ze voortdurend tegen elkaar op botsten en dan weer stilvielen, als de loden passagiers van het treintje zonder bestemming hem bevreemd begonnen aan te kijken en als die hele poppenwereld bij het flakkerende gaslicht tot fantastisch leven kwam, begon de winkelbediende zachtjes te lachen, terwijl hij met zijn hoofd op zijn ellebogen steunde en mompelde: ‘Hi hi hi! Waar gaan jullie heen, reizigers? Waarom haal je zulke halsbrekende toeren uit, acrobaat? Wat heb je eraan om elkaar zo vast te pakken, dansers? De veer loopt af en jullie gaan allemaal weer terug in de kast. Flauwekul, alles is flauwekul! En jullie, als jullie denken konden, zouden weleens kunnen denken dat dit heel wat voorstelt.’
Na deze en soortgelijke monologen pakte hij snel de speeltjes weer in en liep hij geïrriteerd in de lege winkel rond met die smerige hond achter hem aan.

‘Flauwekul de handel… flauwekul de politiek… flauwekul die reis naar Turkije… flauwekul het hele leven, waarvan we ons het begin niet meer herinneren en het eind niet kennen… Waar is de waarheid…?’
Aangezien hij dit soort zinnen soms hardop en in de openbaarheid uitsprak, werd hij als een zonderling beschouwd, en serieuze dames met huwbare dochters zeiden dan: ‘Dat komt ervan als een man vrijgezel blijft!’

Zijn huis verliet meneer Ignacy zelden en slechts voor korte tijd en normaal gesproken slenterde hij dan wat langs de straten waar zijn collega’s of ander winkelpersoneel woonden. Dan trokken zijn lange, donkergroene Algerijnse mantel of zijn tabaksbruine colbert, zijn asgrijze broek met de zwarte streep en zijn vale hoge hoed, maar vooral ook zijn schuchtere gedrag de volle aandacht. Meneer Ignacy wist dat en kreeg daardoor steeds meer een hekel aan wandelen. Op zon- en feestdagen bleef hij liever urenlang in bed liggen kijken naar het getraliede raam, waarachter hij de grauwe muur zag van het naburig huis, dat slechts gesierd werd door één eveneens getralied venster, waarin soms een kuipje boter stond of het levenloze lichaam van een haas hing.

Maar hoe minder hij naar buiten kwam des te vaker droomde hij van een verre reis naar het platteland of naar het buitenland. Steeds vaker doken in zijn dromen groene velden en donkere wouden op, waar hij zou willen ronddolen, terugdenkend aan zijn jonge jaren. Langzaam werd in hem het stomme verlangen naar deze landschappen wakker, dus besloot hij onmiddellijk na de terugkeer van Wokulski ergens voor een hele zomer naartoe te gaan.
‘Tenminste nog één keer voor ik doodga, maar dan wel voor een paar maanden’, zei hij tegen zijn collega’s, die om onduidelijke redenen glimlachten om deze projecten.

Vrijwillig gescheiden van mens en natuur, ondergedompeld in de woelige maar benauwende maalstroom van winkelbelangen voelde hij almaar sterker de behoefte om met iemand van gedachten te wisselen. En omdat hij sommigen niet vertrouwde en anderen niet naar hem wilden luisteren en Wokulski er niet was, ging hij dus maar in gesprek met zichzelf en hield hij in het grootste geheim een dagboek bij.

Tags: