Gabriela Adameşteanu

Târgu Ocna, 1942

Gabriela Adameşteanu

Gabriela Adameşteanu behoort tot de belangrijkste en meest vertaalde hedendaagse schrijvers uit Roemenië, waar zij als schrijver en journaliste werkt. ...

Jan Willem Bos

Driebergen-Rijsenburg, 1954

$naamvertaler

Jan Willem Bos (1954) vertaalde zo'n twintig boeken uit het Roemeens, het meest recent Moderne Roemeense verhalen (Atlas, 2008) en De Wetenden van Mircea Cărtărescu (Bezige Bij, 2010)....

Gabriela Adameşteanu

Verspilde ochtend

Vertaling Jan Willem Bos

Hoofdstuk 1 - Strada Coriolan

Als ze vroeger zo, dagen aaneen, binnen had gezeten zonder een enkele keer uit te gaan, zou ze gedacht hebben dat de muren op haar afkwamen. Ze maakte het huis aan kant en ging op pad. Zij ging om de beurt bij iedereen op bezoek, de ene dag bij de een, de andere dag bij de ander, nergens kwam ze met lege handen vandaan, je maakt een praatje, je hoort nog eens iets, want als je de hele dag zit opgescheept met een vent die stommetje speelt, krijg je zin om je bullen te pakken. Veel had ze nooit met hem te bespreken gehad, en bovendien: waar moet je het met je man over hebben?!

‘Je man hoeft jou alleen maar beneden de gordel te kennen…’ zei ze, en toen haar schoonzusje haar dat hoorde zeggen, trok ze gelijk een boze rimpel in haar voorhoofd.

‘Zulke dingen mag je niet zeggen, Vica, verdorie nog-an toe, straks hoort dat joch je nog… Je bent al oud en dan komt er nog allerlei onzin uit je mond…’

‘Maak ’t nou… En wat dan nog als hij het hoort…? Laat ’m het maar horen! Alsof hij nog lang aan je rokken blijft hangen…! Maak je maar geen zorgen, ik ben immers ook in belangrijke huizen geweest, ik weet best hoe dames praten… Overal waar ik geweest ben, kon ik prima met iedereen overweg, allemaal waren ze op me gesteld en waardeerden ze me, en bij madame Ioaniu, wat heb ik daarmee gelachen, met haar en met Ivona…’

Haar schoonzus is ook al geen prater, je moet de woorden met een tang uit d’r mond trekken… Wijlen haar broer, toen hij nog leefde, deed net als zij, want zo zijn mannen, ze doen net als hun vrouw. Alleen die vent van haar, ze kon hoog of laag springen, maar hij deed waar hij zelf zin in had. Toen ze nog jong was, trok ze zich alles wat hij tegen haar zei erg aan, wat ze toen niet heeft gejankt, wat een verdriet ze toen niet heb gehad, ze was zo vermagerd dat je haar kon omblazen. Tot haar peetmoeder, God-hebbe-haar-ziel, een keertje bij haar langskwam.

‘Wat is er met jou, Vica, dat je zo bent afgevallen?’

‘Nou, om die en die reden…’

‘Hou toch op, meisje,’ zei ze tegen haar, ‘en maak je niet meer zo te sappel…’

Zo was haar man, een binnenvetter, zij zat anders in elkaar, zij leek op d’r moeder, ze was net zo opgewekt als zij, als ze maar een echtgenoot had gehad die ook zo was, die graag lachte… Zulke kerels zijn er ook, maar daar is dan weer iets anders mis mee, want je moet niet denken dat de ene beter is dan de andere…

Tegenwoordig viel het haar steeds moeilijker om van huis te gaan, maar toch nam ze een of twee keer per maand haar leren voddenzak (die ze van madame Daniel had gekregen), propte erin wat ze maar voorhanden had liggen, trok haar warme jassen over elkaar aan, deed haar tanden in, knoopte twee doeken om haar hoofd, bond met een sjaal de stevige muts vast die ze negen jaar geleden had gemaakt uit de restjes van een jas, en ging de hort op. Zo noemde haar man het, dat ze de hort op ging: ‘Wat doe je, ga je weer de hort op…’ klonk hees uit het bed, vanonder de op het dekbed gestapelde dekens waar hij lag, zijn hoofd gewikkeld in een oude, aan flarden gescheurde trui; want de verschoten slaapmuts die hij gewoonlijk droeg, was nergens te vinden.

Wanneer hij praat, hijgt hij tussen de woorden in, een grote dikke vent, ruim honderd kilo weegt-ie. De huid van zijn hals hangt slap en lellend omlaag, maar zijn wangen zijn nog vlezig, bijna blozend, bedekt met een witte stoppelbaard die hij om de paar dagen afscheert.

‘… mooie gewoonte is dat van jou om rond te zwerven… Je hele leven heb je bij andere mensen de deur platgelopen…’

‘Tut, tut…’ antwoordt ze.

Ze gunt hem geen blik waardig. Ze staat op het punt om te vertrekken, dik ingepakt met al die kleren die ze heeft aangetrokken, ze staat te rommelen in de gelagkamer, schuift de weckpotten opzij om nog wat te pakken: een pot paprika’s, wat uien, want daar heeft ze er deze winter genoeg van, een paar bollen knoflook, een restje pruimenjenever dat ze overgiet in een kleiner flesje, waar hoestsiroop in heeft gezeten. Ze propt ze in haar tas, boven op de lege plastic tasjes. Ze komt niet graag met lege handen en een mens kan in huis alles gebruiken. ‘… tut, tut…’ antwoordt ze.

En ze luistert niet naar wat hij verder nog tegen haar zegt. Hij mag wat haar betreft kletsen wat hij wil, totdat zijn mond tegen zijn oren plakt, hij zegt het, hij hoort het. Het geklets van een vent gaat van zijn mond rechtstreeks naar je kont, zoals ze ook tegen mevrouw Ioaniu had gezegd… En dan moest dat ouwe mens toch lachen…

Ze heeft haar lesje geleerd, zodra ze ziet dat hij zich opwindt, dat hij haar begint uit te foeteren, zoekt ze de gelagkamer op, krijg jij de klere, met je vader en al, verdomde rotvent, zegt ze tegen hem, op een fluistertoon… Ze praat voor zich uit, ze loopt van de gelagkamer de winkel in en praat aan één stuk tegen hem, al hij heeft geen idee wat ze allemaal te vertellen heeft. Sinds kort is hij ook hardhorend aan één oor, hij hoort alleen wat hem van pas komt, en zij ratelt maar door, totdat ze haar hart heeft gelucht. In de winkel is het donker. Er komt alleen een beetje warmte uit de gelagkamer, vroeger verwarmden ze de winkel met een potkachel, maar dat heeft nu geen nut meer, al vijfentwintig jaar niet meer, nee, zelfs nog langer - hoeveel jaar is het geleden dat ze de boel hebben opgedoekt? Nu staat er in de winkel, tegen twee muren, hout opgestapeld, en aan één kant ligt er steenkool - waarom zou je nog vuur maken als je ‘r toch je kont niet kunt keren? Het oude buffet, met de uit hun hengsels gevallen deuren, de grote potten met paprika’s, de zakken met aardappels, potten en pannen, de emmer met sop… Ze scharrelt ertussen rond en vindt iets om de tijd te doden, totdat hij het beu is en er het zwijgen toe doet. Pas dan gaat ze de kamer in, bukt kreunend en vult de kolenkachel, mooi zo, en laat het deurtje aan de onderkant openstaan; want op die vent kun je niet rekenen - het zou d’r niet verbazen dat als ze vanavond terugkomt, hij in de kou zit.

‘Welnee, ik ga zeker hier zitten broeden, zoals jij, en naar jou zitten kijken… want na veertig jaar ben ik toch niet helemaal gek geworden…’

Haar antwoord had zo lang op zich laten wachten dat hij haar alleen maar met grote ogen zit aan te staren en zwijgt. Hij zwijgt en vraagt zich af wat haar zo ineens bezielt. Ik weet hoe ik jou moet aanpakken - dat zegt ze niet meer hardop - want je was altijd al een rotzak… Daarom heb ze ook niet van hem gehouden, al kan ze niet zeggen dat ze hem niet leuk vond toen ze hem leerde kennen.

Zij stond achter de toonbank, in dat winkeltje op piaţa Iancului, en een klant was met hem komen aanzetten, om ze aan elkaar voor te stellen. Negentien was zij toen, Vica, en ze was een vrolijk meisje, iedereen mocht haar graag. En hij was een knappe en goed gebouwde vent, hij had een rechte neus en dunne lippen en stijl achterover gekamd haar, met een scheiding aan één kant - kijk, net als op de foto die aan de muur hangt. Die foto stamt ook uit die tijd, toen ze getrouwd waren en hij bij de banketbakkerij van Zamfirescu werkte…

Wat een patisserie had die Zamfirescu toen, niet ver van waar nu het standbeeld van Kogălniceanu staat, en wat haar man allemaal niet meenam uit de banketbakkerij! Niet alleen chocola, maar ook bonbons van allerlei soorten en maten, en fondanten… Die deelde Zamfirescu uit aan iedereen die bij hem werkte, en met de feestdagen, en met Pasen, wat een chocolade-eieren, wat een grote repen, geweldig, ach, wat ze er niet voor zou geven om die nog een keertje te proeven! En in die tijd had ze haar buik er zo vol van dat ze die dingen niet meer kon zien…! Kijk, zo zijn de mensen… En Zamfirescu, wat een heer was dat, het was niet voor niks dat hij op een gegeven moment deel uitmaakte van het entourage van de koningin en dikke maatjes was met de Brătiunu’s. Drie jaar heb d’r man voor Zamfirescu gewerkt, veel opleiding had-ie niet genoten, maar hij kon zo mooi schrijven, moet je zien wat hij nu nog voor handtekening zet, en eronder maakt hij zo’n krul…

Met wat hij van zijn verdiensten bij Zamfirescu opzij had kunnen leggen, samen met de bruidsschat die ze van d’r vader hadden gekregen, hebben ze toen de winkel geopend. En toen ze het geld van de bruidsschat telden, konden ze hun ogen niet geloven. Ze zagen dat vader zich had vergist, hij, die nog geen cent uit zijn zak haalde als je hem erom smeekte, had 15.000 te veel neergeteld! En hij, die stomkop, die vent van haar, die ouwe schooier, kwam angstig naar haar toe: ‘Wat moeten we doen,’ zegt hij, ‘je vader heb zich vergist toen hij het geld voor me heb uitgeteld… Wat doen we,’ zegt dat onbenul, ‘zullen we het hem teruggeven? Pak aan, neem jij het geld maar en geef het hem terug…’

‘Hier met die centen,’ zei zij toen, ‘en geen woord meer daarover, want dit is mijn geld. Dat is alles wat ik van hem ga krijgen…’

En zo was het ook, want d’r vader heb alles nagelaten aan zijn kinderen uit zijn tweede huwelijk, die ellendeling… Maar met de bruidsschat plus wat haar man had gespaard bij Zamfirescu, hadden ze genoeg geld bij elkaar om de winkel te openen aan strada Coriolan. En je had eens moeten zien hoe die ouwe schooier het heertje ging uithangen, toen hij eenmaal die winkel had… Je had moeten zien hoe hij in een volgeladen rijtuig aan kwam rijden, uitsluitend een eersteklas rijtuig, en hij languit op de kussens achterin. Een keer bracht hij een gouden armband en een ander keertje een saffieren medaillon aan een kettinkje voor haar mee. Daarna hield hij dat voor gezien: ‘Waarom zou ik nog zoiets voor je meebrengen?’ zei hij. ‘Als jij ze toch nooit draagt…’

Wanneer moest ze die dingen dragen als ze de hele dag achter de toonbank stond? En het ging allemaal langs hem heen! Hij ging naar de bioscoop, hij ging naar het voetballen, er is geen wedstrijd gespeeld bij Juventus die hij heeft gemist! Je zou denken dat hij bedrijfsleider was bij Venus… Nu komt hij alleen nog buiten als het mooi weer is, om een wandelingetje naar Cişmigiu te maken. Hij heeft zo’n stijve manier van lopen met zijn buik vooruit, zijn handelaarsbuik, zoals zijn ouwe vader, dat onderdeurtje uit Oltenië, nooit had gekregen. Dat zat d’r man dwars. Wat stel ik voor als handelaar als ik geen buik heb? jammerde hij almaar tegen haar toen hij op leeftijd was gekomen. Maar d’r man was zijn hele leven zo geweest: groot en met een buikje. En hij liep op een stramme manier, met nadrukkelijke passen, zijn buik vooruit, en dan keek hij smachtend naar de banketbakkerij op de hoek en naar de flessen met Cico-limonade. Zij stopte weleens een briefje van vijfentwintig in zijn zak, maar ze hoefde zich geen zorgen te maken, ze wist dat hij er niet aan zou komen; hij vond het gewoon fijn om te weten dat hij geld op zak had, want zo zijn mannen.

‘Jij gaat weg en laat mij alleen…’ klaagde hij, met een iel stemmetje.

Hij kwam overeind op zijn ellebogen, tussen de kussens, maar bleef naar de televisie staren. Het was dezelfde film als gisteravond, een herhaling, maar hij keek er gewoon nog een keertje naar. En bijna in één adem, maar op een andere toon: ‘Vica, breng me een glas water…’

‘Krijg nou het heen en weer, je kunt best zelf in beweging komen, alsof daar bij jou op het platteland je moeder jou op je wenken bediende…’

Maar toch zet ze haar tas neer, loopt terug naar de gelagkamer en brengt hem een vol glas dat ze hem aanreikt. Hoewel er al bijna een uur is verstreken sinds ze zich warm heeft ingepakt om uit te gaan, blijft ze naast hem zitten wachten totdat hij het heeft opgedronken, zodat ze het glas weg kan zetten, op de tafel.

‘Wat zei jij daarnet allemaal?’ vraagt hij, en hij strekt zich gapend weer uit in bed. ‘Wat had je daarstraks te vertellen…? Je mopperde en mopperde maar…’

‘Laat maar zitten…! Hou je klep…!’ roept zij.

En ze grijpt haar tas en verlaat het huis. De ramen van de gelagkamer ratelen ervan.

Ze stapt langzaam tussen de scheve keien op de binnenplaats, waarover de ochtendlijke ijzel is gevallen. Ze voelt steken in haar opgezwollen benen hoewel ze die gisterenavond met petroleum heeft ingewreven en vandaag dikke wollen kousen heeft aangetrokken. Het weer gaat duidelijk omslaan. Ze blijft een ogenblik staan om op adem te komen, ze is eventjes duizelig van de koude lucht en haalt haar klauwerige hand uit haar zak, die is ingepakt in een gebreide want waarvan het uiteinde is gerafeld, en leunt daarmee tegen het afgebladderde luik. In de twintig jaar sinds ze de winkel hebben gesloten, is dat bedekt geraakt met roest en stof, het luik is nu nauwelijks meer van de muur te onderscheiden. WIJNEN VAN DE DAGERAADSHEUVEL staat rechts beneden geschreven, naast het luik, dan kwam de trap die ze heeft weggehaald toen ze de winkel sloot. Ze heeft het luik vastgezet, de trap weggehaald - waarom zou ze hem daar laten staan als er toch geen mens meer door de voordeur naar binnen komt? Magazijn voor spiritualiën - maar dan de vleeswaren die ze hadden! En de kazen! Er kwamen klanten uit strada Coriolan, en uit de Sabinelor, en uit alle straten in de buurt… Er kwamen mensen om te kijken, te kopen, een praatje te maken, een glaasje te drinken, een hapje te nuttigen. Wat een zuivel, wat een sardines, wat een kruidenierswaren, wat een delicatessen ze te koop hadden!

‘Nou, nou, madame Delcă,’ zei iemand weleens, ‘wat Dragomir Niculescu heeft, kan niet tippen aan wat u hebt!’

En kijk, achter die natte metalen toonbank heeft zij haar jeugd gesleten! Ze draafde de godganse dag van hot naar her, terwijl er om d’r heen met wijnglazen en borrelglaasjes werd geklonken en ze werd opgejut door het geroep van de clientèle: ‘Vrouw Vica…! Hoor je me niet…? Vrououw Viiica…!’

Haar man lag languit op bed, net als nu, in de achterkamer. Hij kwam alleen af en toe tevoorschijn om een dronkelap buiten de deur te zetten of om met scheve blik te kijken of iemand zijn vingers naar haar uitstak. Als je het totaal niet verwachtte, verscheen hij plots achter je rug! Al was hij een beer van een vent, je hoorde hem niet dichterbij komen. Hij kwam binnen en spiedde overal, dat deed hij altijd graag, zijn hele leven lang, niets aanpakken, maar alleen inspecteren. Maar er was eigenlijk niemand die hem kon horen als hij zijn opwachting maakte, want het was er vrolijkheid troef! En zodra ze hem zagen, viel er plotseling een stilte. Iedereen was als de dood voor hem.

‘Kom, m’neer Delcă, drink ook een glas met ons,’ riep een nieuwe klant, die nog niet wist wat voor vlees hij in de kuip had, weleens tegen hem. Maar hij, met dat schrille stemmetje van hem: ‘Nee, bedankt, ik ben het niet gewoon…’

En dan bleef hij nog even rondhangen, gemelijk, alsof hij hun lol wilde verpesten zodat de drank in hun strot zou blijven steken, en dan trok hij zich weer terug. Hij maakte zich klaar, doste zich uit en ging uit: naar het voetballen, naar de bioscoop, aan de boemel in de stad. En zij bleef achter met de leveranciers, met het uitladen van de goederen, met alle sores en al het gedoe op haar schouders. Zij was een struise vrouw, niet zoals die magere grietjes van tegenwoordig, zo mager als een lat zijn ze, zonder kont, zonder iets waar een vent zijn handen vol aan heeft… Zij was een struise vrouw, stevig gebouwd en met een flinke voorgevel, de vloer denderde onder haar voeten wanneer ze langsliep, haar krulhaar samengebonden in een knotje in haar nek, met een vlezig en blank gezichtje… Als ze had gewild, had ze van alles kunnen uithalen, maar zo stak zij niet in elkaar, zij was er niet zo eentje… Er was een lange vent met een dun zwart snorretje en een lepe blik, alsof ze hem nog voor ogen heeft, die bij de prefectuur van politie werkte. Wanneer die kwam kopen, nam hij alleen kaviaar, steur, fijne vleeswaren en wijnen. Hij bracht het in zijn volgeladen rijtuig mee terug voor een van de feestmalen van die lui. En hij verslond haar met zijn blikken, mevrouw Vica zus, mevrouw Vica zo… Hij droeg ringen aan al zijn vingers en op zijn pink een steen, zo groot was-ie…

‘Vind je hem mooi?’ zei hij een keer tegen haar. ‘Als je ‘m mooi vindt - zie je ‘m? - is hij van jou.’

‘Hou hem maar mooi bij je…’ antwoordde ze hem. ‘Ik heb zoiets niet nodig, ik heb mijn eigen vent…’

Wel een knappe man, maar het moet een duivelse kerel zijn geweest, dat zag je aan de manier waarop zijn ogen heen en weer schoten… Toen de communisten kwamen, was hij in één keer verdwenen: hij liet zijn vrouw, zijn huis en zijn kinderen in de steek en weg was hij; niemand heeft ooit nog iets van hem vernomen! Als ze hem te pakken hadden gekregen, zouden sommigen hem levend hebben gevild, want met die ringen van hem was het vast geen zuivere koffie… En dat gold niet alleen voor hem! Zoveel anderen! Maar haar hoofd stond niet naar al die onzin, zo was ze niet opgevoed, en bovendien was ze afgesloofd. Het was zoals madame Ioaniu tegen haar had gezegd, en dat was een wijze vrouw, madame Ioaniu, die had twee echtgenoten versleten: ‘Vica, neem het maar gerust van mij aan, een afgesloofde vrouw is geen goede echtgenote…’

Ze loopt gebogen, alsof ze een bochel heeft, met haar verschoten blauwe jas, gebukt onder het gewicht van alles wat ze eronder heeft aangetrokken en met de tas in haar hand. Ze loopt met haar hoofd omlaag, kijkt niet op of om, misschien is het wel vijftien jaar geleden sinds ze voor het laatst in het centrum is geweest, en ze heeft daar ook eigenlijk niets te zoeken. Je hebt hier alles wat je nodig hebt: de spaarbank en de kapperszaak op de hoek, de drogist en de schoenenwinkel, de telefoon naast de groenteman waar ze heen loopt met muntjes in haar hand als buurvrouw Reli niet thuis is, de snackbar waar ze altijd gegrilde worstjes koopt voordat ze op huis af gaat. Ze legt het kartonnetje op een van de lege kraampjes op het plein, zet haar tas ernaast, haalt de worstjes door de mosterd en peuzelt ze op. Iedere keer piekert ze of ze d’r eentje moet bewaren om mee te nemen voor haar man. Laat ook eigenlijk maar, zegt ze dan uiteindelijk bij zichzelf, en ze veegt met haar zakdoek haar mond af, laat maar, want hij is zo al dik genoeg, en als hij naar Cişmigiu gaat, koopt hij voor zichzelf altijd een kaasbroodje…


Ze loopt gekromd, ze passeert de kleuterschool waar de vijfenzestigplussers in de zomer zitten te schaken. Een stel kraaien zit te krassen op het standbeeld van die blote vrouw, haar broer Ilie, God-hebbe-zijn-ziel, wist hoe die heette, telkens als hij hier langskwam, noemde hij haar naam… Hoe noemde hij haar ook alweer? Nief… of was het niet Nimf? Zelfs met een blinddoek voor zou ze haar weg kunnen vinden van huis naar de tram, zo goed kent ze alles hier, ze kan je ieder huis noemen, iedere kuil in de weg, hoewel er achter die hekken best veel nieuwe mensen zijn komen wonen, maar van de oude bewoners kent iedereen haar.

‘Goedemorgen, madame Delcă, hoe gaat het ermee, goedemiddag,’ roepen ze zodra ze haar zien.

Iedereen is op haar gesteld en waardeert haar. En zij blijft staan om een praatje te maken wanneer ze iemand tegenkomt: iedereen met zijn problemen, de een met zijn lever, de ander met zijn galblaas, weer een ander met zijn bloeddruk. Met wat ze hun allemaal op de pof heb verkocht, had ze rijk kunnen zijn, en nu is er niet eentje die tegen haar zegt: ‘Pak aan, mevrouw Vica, vijfentwintig lei, dat kun je vast wel gebruiken…’

Zo gaat het op deze wereld, als je wat hebt om te geven, ben je een goeie, zo niet, dan ben je geen knip voor je neus waard, dat weet ze maar al te goed, wat zij niet allemaal heeft beleefd en meegemaakt, daar kennen anderen nog een hoop van leren. De school des levens, avondcursus, zoals ze tegen madame Ioaniu zei, en dan moest dat ouwe mens toch lachen… De school des levens, want afgezien daarvan, wat wist zij verder nog, behalve werk en nog eens werk? Niks anders als werk en nog eens werk…

Moeizaam hijst ze zich in de tram. Ze vist de muntjes, die ze al klaar had, uit haar zak en baant zich een weg naar de stoelen voorin, tussen de tegen elkaar geperste lijven door.

Werk en nog eens werk, daaruit had haar leven bestaan, vanaf haar elfde, toen mama was gestorven en ze alleen op de wereld was achtergebleven, als oudste van een hele sliert broertjes en zusjes. Want vader was vertrokken naar de oorlog en een jaar later, in de zomer, kreeg mama koortsaanvallen, ze had tyfus of zo opgelopen, ze wist zelf het beste wat het was, en toen is die arme mama gestorven. En ook Sile, de kleine, is toen doodgegaan, want er was niemand anders om ‘m de borst te geven, en ook de tweeling heb het niet overleefd, maar Ilie, Niculaie en zij zijn blijven leven, want zij waren wat ouder en hadden nog levensdagen. En zij bleven in hun eentje wonen in het ouwe huis in Pantelimon, naast de Caprakerk, waar mama ligt begraven, ze woonden er in hun eentje, zij en al haar broertjes en zusjes. Wie was blijven leven, was blijven leven; wie dood was gegaan, was dood, afhankelijk van hoe het lot ieder van hen gezind was. En heel af en toe kregen ze bezoek van oma, die Griekse die de grote dame uithing… Het was of ze haar nog zag in die zilvergrijze jurk van fijne stof, hoog gesloten met knoopjes en aan de mouwen afgezet met kant. En met een bontje over d’r schouders. Ze kan haar zich nog voor de geest halen: een stevig gebouwde en gezette dame met grote borsten, zoals alle vrouwen in de familie. Daarom snoerde ze zichzelf ook stevig in in een korset, ze droeg zo’n korset met baleinen. Alleen kan ze zich geen bochel herinneren: had oma ook een bochel gehad? Dat was pas een dame, haar oma, de Griekse, die had een krantenkiosk naast haar huis - een kast van een huis, met een glazen wand, in de buurt van de kerk van de Heilige Apostelen. Ze was een dame, maar zij, haar kleinkinderen konden haar niet luchten of zien, want waarom had zij mama na haar geboorte afgestaan? Als ze mama niet had laten adopteren, zou ze samen met de jongen en het andere meisje zijn opgegroeid, ach, dan zou die arme mama een ander leven hebben gehad! Dan had zij ook op kostschool kunnen gaan en zou ze zijn opgevoed als een jongedame en zou ze niet met een Olteniër zijn getrouwd en had ze niet achter de toonbank gestaan en niet alle modderstegen van Pantelimon hoeven afsjouwen met zeven kinderen aan haar rokken. Arme mama! Als haar moeder, die Griekse, haar niet had afgestaan, zou ze een ander leven hebben gehad en zou ze misschien ook niet op haar dertigste dood zijn gegaan, een flinke vrouw in de kracht van haar leven! Kijk, zo kletsten de buurvrouwen wanneer haar oma, de Griekse, zich in Pantelimon liet zien om haar kleinkinderen te komen opzoeken. De buurvrouwen konden haar niet uitstaan, net zo min als dat zij, haar kleinkinderen, haar konden uitstaan, en wanneer zij tegen ze zei dat ze haar grootmoeder moesten noemen, noemden die verdraaide kinderen haar doodmoeder…

Moge God ook doodmoeders ziel behoeden, ach, want zij ligt ook alweer heel wat jaartjes in haar graf! Haar foto bewaart ze nu nog in de lade, een foto die is gemaakt bij Friedrich Binder, en daarop zit doodmoeder toch parmantig, met haar bontje om haar hals en haar hooggehakte laarsjes. Elegante laarsjes, die kraakten onder het lopen, die moest je inwrijven met harsolie en dichtmaken met haakjes. Want ze had haar hele leven goed voor zichzelf gezorgd, doodmoeder, dat was ook de reden waarom ze een van haar dochters had afgestaan, want ze wilde niet al te veel kinderen in huis hebben! Dat was ook de reden waarom ze zich niets aantrok van d’r kleinkinderen, dus als die arme kleintjes het moeilijk hadden, renden ze gauw naar hun oom, Koolwasser, die tegenover de kerk woonde: die had een groot huis met een hoog hek eromheen en wijnkelders, en valse honden. Maar dat was me ook een gierigaard, een gierigaard en een vrek, daarom noemden de mensen hem Koolwasser…

‘Zet die mand eens een stukje opzij, vrouw, want sinds jij bent ingestapt, blokkeer je er het hele gangpad mee…’ roept naast haar een gedrongen mannetje met brede schouders.

De mand is een gevlochten ding waarin twee hennen met slap neerhangende kammen zitten te klokken. Twee haltes terug is een boerin daarmee ingestapt, ze had haar gezien toen ze voorin de tram inkwam.

‘En waar wil je dan dat ik hem neerzet?’ vraagt de boerin.

Ze pakt de mand op en begint ermee te zeulen tussen de benen van de mensen om haar heen door, de hennen fladderen en spartelen met hun aan elkaar gebonden poten.

‘Zo gaat dat in de tweede klas, ze stappen in met manden, met kool, met alles wat je maar wilt… Er zijn er die zelfs honden meenemen…’ zegt de man terwijl hij zich omdraait naar een mager oudje, met een pet op, die pal naast hem staat.

De ouwe zegt niets, hij knikt alleen, en de harde aderen in zijn hals zwellen op onder de dunne huid.

‘Zet hem hier maar neer, naast mij…’ zegt Vica.

En ze wringt de mand tussen de poten van haar zitplaats.

‘Mensen stappen in met wat ze bij zich dragen, want ze gaan echt niet lopen omdat anderen er last van hebben… Ze mogen meerijden als ze een kaartje betalen, als je dat maar weet…’ dient zij de man hardop van repliek.

Daar! Laat iedereen het maar horen, ook die lui die hun neus ophalen en alleen in de eerste klas willen reizen, omdat ze het in de tweede klas vinden stinken. Sinds zij de winkel heeft gesloten, heeft zij alleen zo gereisd, en daar is ze niet dood aan gegaan. Ze betaalt vijfentwintig bani en reist tweede klas, daar zitten ook mensen, net als aan de andere kant, en als ze het niet zuinig aan deed, zou ze het nog geen week kunnen uitzingen met wat haar man mee naar huis brengt.

Ze pakt haar tas op en stapt voorzichtig uit de tram.

Er hangt een vochtige geur in de lucht, de winter loopt op zijn einde, al zijn er nog mensen die, met hun boodschappennetjes in de hand, sleetjes waarop kinderen hangen voortsleuren over het laagje zwart uitgeslagen sneeuw. Tussen de bouwkranen - ongepleisterde flats, hopen met teer bedekt puin, afgesloten houten bouwketen. Ze hijgt en loopt iets langzamer dan gewoonlijk, ze is bang dat ze struikelt over een van de kabels die dat stelletje ellendelingen sinds de afgelopen herfst laat rondslingeren. Ze wou dat ze er al was, sinds enige tijd is deze tocht een hele opgave voor haar geworden, en ze heeft ook trek gekregen, al heeft ze voor ze van huis ging een grote mok thee gedronken met geweekt brood erin. Hoe dan ook doet ze niks op de lege maag, anders krijgt ze een appelflauwte en dan is ze geen mens, dan is ze de hele dag nergens goed voor. Ze durft te wedden dat die schoonzus van d’r op dat tijdstip nog niets heb gekookt… Zo is ze haar hele leven geweest, een slome, het duurde eindeloos voordat die ergens mee klaar was, en bij het minste of geringste begint ze te weeklagen: voordat ze hier was komen wonen, dat ze te klein behuisd waren, dat ze nergens plaats voor hadden, nu dat het te ver uit de buurt is, dat het een heel end met de bus is… Ze had een leven zoals het hare moeten hebben, veertig jaar lang in dat armoedige stulpje, met kolenkachels, met zorg om de gasfles, om nog maar te zwijgen over wat er later kwam… Als je bij hen komt, is het alsof je in de hemel bent beland, en dat heb ze hen ook verteld, toen ze daar drie jaar geleden naar toe zijn verhuisd en haar schoonzusje maar bleef mopperen: nu eens dat de ramen niet goed sloten, dan weer dat de deur scheef hing, dan weer dat het te ver weg was.

‘Je moet je mond houden,’ riep ze tegen haar, ‘je moet je mond houden, anders maak je God boos, want bij jullie is het gewoon het paradijs op aarde, en zo is dat…’

En moet je zien, het was alsof ze haar vervloekt had, want nauwelijks een jaar later kreeg die arme Ilie dat ongeluk en is hij overleden… Pas toen kreeg haar schoonzus het echt moeilijk, nu kon ze eens zien hoe het is als je alles zelf moet opknappen en overal alleen voor staat! Die arme Ilie, zijn hele leven heb-ie nooit een onvertogen woord tegen z’n vrouw gezegd, zelfs het geld in huis beheerde zij, en dan stak d’r broer haar stiekem een briefje van vijfentwintig toe wanneer ze vertrok: ‘Pak aan, Vica, dan heb je geld voor de tram als je weer eens bij ons langskomt…’ zei hij tegen haar vanuit de deuropening.

Met hun zoon, met Gelu, moet haar schoonzusje op haar tellen passen… Dat is een heetgebakerd heerschap, hij lijkt op haar, hij lijkt op haar familie, hij blaft haar af op de meest onverwachte momenten. Zij loopt hem de hele dag te vertroetelen: Gelu, jongen van me, nu eens dit, dan weer dat… Gelu laat alles van zich afglijden, die zit de hele dag met zijn neus in de papieren terwijl zijn moeder zich voor hem het vuur uit de sloffen loopt. Als zij kinderen had gehad, dan zouden die wel anders hebben gepiept, het is maar beter dat ze die niet heeft gekregen, wie weet wat daarvan geworden zou zijn, die kinderen van tegenwoordig zijn nergens bang voor, ze kennen geen schaamte meer.

[…]

Madame Ioaniu

Ze spreidde de krant die ze bij zich had uit op de treden en plofte erop neer. Ze voelde dat ze het ging afleggen als ze niet effetjes ging zitten, ze had gewoon kramp in d’r benen en ze was ook een appelflauwte nabij, het liep al tegen de middag en ze had de hele ochtend van hot naar her gesjouwd en dat allemaal op een zo goed als lege maag. Misschien dat die Ivona zich toch nog laat zien, verdomde lanterfant dat ze is! Een lanterfant heb d’r moeder op de wereld gezet… Wat is dat voor mens dat van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat de hort op is en het hele huishouden maar op z’n beloop laat! Daarom is die zoon van d’r ‘m ook gesmeerd, helemaal naar Duitsland, helemaal naar Amerika, hij weet zelf het beste waar-ie verzeild is geraakt. Daarom is die vent van d’r de hele dag bij Totebel, want niemand gaat van huis weg om het ‘r zo fijn is. Waarom zou-ie thuis blijven zitten? Om naar dat scharminkel van een Ivona te gaan zitten kijken, met die paardentanden van d’r en die puntneus, die zenuwpees die het hele tijd met d’r vriendinnen aan de telefoon zit te klessebessen met een peuk in d’r hoofd? Daar word je toch horendol van?

Ze zit op de krant en sabbelt op een droge broodkorst die ze bij haar schoonzusje heeft meegenomen, want haar gebitje heeft ze uitgedaan en in haar voddenzak gestopt. Vijfhonderd lei heeft die afzetter van een tandtechnicus d’r laten betalen, en het knelt zo erg dat d’r mond helemaal rauw is, stelletje dieven, Boekarest is erdoor overstroomd, je kunt je kont niet keren of ‘r staat er eentje met uitgestoken hand… En waar zou je het geld vandaan moeten halen, van 650 lei, voor z’n tweetjes, en dan de elektra, en de huur, en de televisie?

Ze zit nog effe te zitten, maar het moet niet te lang duren, want straks is het donker en dan zit ze nog bij andere mensen op de stoep. D’r man heeft nog gelijk ook, die andere lui komen nou nooit ‘ns bij haar aan. Hebben zij soms de builenpest of zo, dat er nooit ‘ns eentje z’n gezicht laat zien? Dat ze langskomen met z’n allen om een beetje tv te kijken en een hapje te eten, want zij heb altijd wat in huis. En dat ze d’r bij het afscheid een briefje van vijfentwintig toestoppen: ‘Pak aan, Vica, vijfentwintig lei, dat zal je best kennen gebruiken…’

Toen ze de zaak nog hadden, kwamen ze altijd over de vloer, en wie langs was geweest, ging bepakt en bezakt weer naar huis: ze zette alles wat ze had op tafel, haalde de lekkerste dingen uit de kast… Wie ‘r ook kwam, met de hele reutemeteut. En nu zijn ze dat allemaal vergeten. Zo zijn de mensen, als je wat geeft, ben je een tof mens, heb je niks te geven, dan word je behandeld als oud vuil…

Misschien komt Ivona toch nog en is ze alleen effe een boodschap doen om de hoek. Als ze maar niet naar een van die theekransjes van d’r is, met zo’n hele horde kletstantes, ze heb gezien hoe dat gaat bij Ivona, dan komen ze allemaal opdraven als hun man niet huis is, de ene keer bij de een, de volgende keer bij de ander, en dan zijn ze een hele week in de weer om allerlei lekkere hapjes klaar te maken, om die anderen de ogen uit te steken. En dan gaan ze lekker zitten koffieleuten, met een gebakje erbij, en dan maar kleppen, ze gunnen hun tong geen moment rust. Kletswijven die nooit hebben hoeven werken, moppert ze zachtjes, maar goed dat de communisten jullie hebben aangepakt! Ze hebben mij m’n zaak afgepikt, maar jullie zijn meer kwijtgeraakt! En moet je ze ‘ns zien, wie het vroeger goed had, die heb ook nu niks te klagen… En toen het effe tegenzat, hadden ze allerlei spulletjes om te verkopen, tapijten, en glaswerk, en sieraden, en dan hebben ze nog van alles overhouden, net zoals madame Ioaniu dingen heb overgehouden, want d’r huis staat nu nog berstens vol met glaswerk en tapijten.

Want madam Ioaniu was als een kat, die komt altijd op d’r pootjes terecht. Twee kerels is ze getrouwd en die heb ze alle twee begraven! Het was me d’r eentje, en op d’r tachtigste dirkte ze zichzelf nog op met rouge en wenkbrauwpotlood en dan ging ze naar de film met d’r dochter, naar de Paleiszaal, met z’n tweetjes: d’r schoonzoon kocht één keer in de week kaartjes voor ze, en hij naar z’n Totebel. Ze liet niet met zich sollen, die madame Ioaniu, ze stond bij het krieken van de dag op, zette koffie voor d’r eigen en ging dan de keuken inspecteren; zij maakte uit wat er op tafel kwam, hoeveel porties, wat ervoor nodig was, ze rekende het allemaal uit; ze drentelde van hot naar her, met die dikke kont en grote voorgevel van d’r, en met een sigaret in d’r mondhoek; die dochter van d’r, die Ivona, die heb het van d’r afgekeken, en ook om op de centen te zitten. Madame Ioaniu liet niet met zich sollen en zat op de centen, ze telde uit hoeveel aardappels er in de huzarensla gingen, twee de man, zei ze, en zo drentelde ze door de keuken, met een sigaret in d’r mondhoek, net een generaal. En als er toevallig eentje te veel aan tafel zat, dan bleef geheid iemand z’n bord leeg. Ze was me d’r eentje, en hoe ouder ze werd, hoe gieriger ze werd, vroeger, in de goede tijden, stopte ze nog weleens wat in d’r voddenzak wanneer ze ‘s avonds vertrok: een blikje paté of zoiets, een paar biscuitjes, een stukje kaas. Een keertje, ze weet het nog goed, had ze drie eieren gekregen, en toen ze thuiskwam, zat alles onder het struif. Maar Vica was niet zo kieskeurig als d’r schoonzus, die overal d’r neus voor ophaalde. Waarom zou ze d’r neus ervoor ophalen en ze niet aannemen? Wie schoot daar wat mee op? Toch helemaal niets? Nou dan?

‘Pak aan, Vica,’ had madame Ioaniu gezegd, ‘want die kun je vast wel gebruiken…’
‘Geef maar hier,’ zei zij dan, ‘geef maar hier, ik ben een vuilnisvat…’ En dan moest dat ouwe mens lachen! Ze lachte en schonk nog een kopje koffie in, of ze schonk een borrel in, en ze liet zich het eten goed smaken, buffelen dat ze kon… En hoe ouder madame Ioaniu werd, hoe gulziger ze werd.

Ze komt overeind van de koude steen, ze is zo stijf als een plank, haar benen doen nog meer zeer dan vanochtend. En ze moet ook nodig, ze kan het nauwelijks nog ophouden, als een mens een dagje ouwer wordt, heb je ook niet meer zo’n sterke blaas. Alleen daarom is ze nog niet opgestapt, misschien verschijnt dat rare mens nog om de deur open te doen. Ze doet een paar stappen, kijkt ‘ns naar de poort, misschien is die Ivona klaar met over straat te zwalken en komt ze eindelijk naar huis! Haar moeder heeft d’r stinkende best gedaan om die Niki aan de ketting te leggen, zodat dat warhoofd van een Ivona niet zonder vent zou blijven. Ze heeft stad en land afgesjouwd voor een schoonzoon. Vica weet best hoe Ivona was voor d’r trouwen - en nu is ze niet veel anders: zo mager als een lat, en met een puntneus, en met die paardentanden waar iedere kerel voor op de vlucht slaat! Hoeveel vrijers denk je dat er met haar wilden trouwen?

Daarom kon d’r moeder haar niet uitstaan, zelfs niet toen ze nog klein was. Ja, ze was een sluwe tante, dat ouwe mens, ze was sluw, madame Ioaniu, en zolang ze nog gezond was van lijf en leden, kreeg je niks uit ‘r. Ze was zo sluw als een vos en zweeg als het graf. Maar één keertje had ze het er toch uitgeflapt. Ze waren aan ‘t kletsen, zij zat achter de naaimachine, dat ouwe mens zat weggedoken in haar stoel, en dan kwamen de verhalen. Sinds ze wat ouder was, stond haar mond geen tel stil. En altijd over haar tweede man, over die Ioaniu. Jarenlang had ze geen piep gezegd en zelfs zijn naam was niet over d’r lippen gekomen, maar nu wel, want nu trok ze een pensioentje van hem, en zelfs de telefoon nam ze zo op: ‘Hallo,’ zei het ouwe mens dan. ‘Hallo! Met Sofia, de weduwe van generaal Ioaniu…’

‘Maak ‘t nou, je kunt me rug op,’ mompelde zij dan.
‘Wat zeg je? Wat zei je daar, Vica?’ wilde dat sluwe ouwe mens weten.
‘Nee, niks. Hoezo? Nee, ik zei niks. Ik mopperde alleen op die spoel.’
‘Nou goed, als je niks zei…’

En dan begon dat oude mens weer met d’r verhalen: hoe Ioaniu gewond was geraakt bij Predeal en Mărăşti en hij weet zelf het beste waar, en wat een lintjes hij allemaal had, en hoe ze elkaar hadden ontmoet toen zij weduwe was, lichamelijk en geestelijk een wrak en in het zwart gekleed vanwege haar eerste man. En hoe Ioaniu opnieuw verliefd op haar was geworden, want dat was-ie al eerder geweest, maar toen had hij ‘t haar niet durven vertellen. Zo lust ik er nog wel eentje: hij had het niet gedurfd! Er waren er zat die het gedurfd hadden, want dat oude mens had heel wat kerels versleten in haar leven, want waar rook is, is ook vuur, zeggen ze! Maar madame Ioaniu had geen trek om te gaan zitten opbiechten hoeveel lullen ze had binnengehaald. Bij haar was het altijd hetzelfde liedje, van dat Ioaniu manden met bloemen voor haar kocht, en parfums, en Franse poeder, en bontjes, en Parijse toiletten, en dat-ie zo jaloers was als hij met haar naar het bal ging, naar de Militaire Kring… En Lulu voor, Lulu achter, want hij heette Gheorghe van z’n eigen, maar dat ouwe mens noemde ‘m altijd Lulu. Lulu voor, Lulu achter, Lulu hier, Lulu daar…

‘Dat,’ zei madame, ‘waren de gelukkigste jaren van mijn leven! Ik heb me altijd weten te vermaken en ik weet niet hoe het heeft kunnen gebeuren, maar in mijn jonge jaren is dat er nooit zo van gekomen… Ik was nog maar net getrouwd en toen kreeg ik Ivona, ik was zelf nog een kind, en ik heb toch zo’n moeilijke bevalling gehad, ik ben daardoor mijn hele leven met angst blijven zitten… Ştefan wilde zo graag nog een kind maken, maar ik vertikte het! Het is hem niet gelukt me over te halen… Dertig uur ellende heb ik met Ivona moeten doorstaan, ik wist niet eens meer of het dag of nacht was. Ik ben in mijn eigen bed bevallen, de vroedvrouw had een tuigje gemaakt waarin ik me schrap kon zetten, ik trok aan dat tuigje en brulde het uit… Iedereen liep in huis op zijn tenen! Ik was nog zo jong, de angst was me om het hart geslagen en mijn hele leven wilde ik niets meer horen over kinderen krijgen…

‘Eeeh, kinderen zijn hinderen! Ik was maar wat blij dat ik als jonge meid geen kinderen kon maken… Ik was blij dat die sores me bespaard is gebleven. Wat moest ik met kinderen? Had ik dan soms niet m’n broertjes om voor te zorgen? Had ik geen neven en nichten?’

Maar die ouwe luisterde niet. Als ze eenmaal op d’r praatstoel zat, dan hoorde ze niks meer en ratelde ze aan een stuk door. Zo was het ook gegaan toen ze dat eruit flapte over d’r eerste man.

‘Ik vond het enig om uit te gaan, en om te ontvangen, ik was gek op dansen… Maar die arme Ştefan was nogal eenzelvig, dansen was niets voor hem, hij bracht het liefst lange uren door in de bibliotheek… En weet je wat ik deed? Soms zette ik ‘s ochtends een plaat op, deed de kamerdeur dicht en danste in mijn eentje, en dan bekeek ik mezelf in de spiegel… Ik bedacht hoe het geweest had kunnen zijn als ik een andere man had gehad, die beter bij me zou passen, nou ja, je weet wat jonge meiden zich soms in hun hoofd halen nadat ze getrouwd zijn… Maar ik was niet zielig, ik was een hartstikke opgewekt iemand, ik liep de hele dag te lachen, dat vond Lulu later ook zo leuk aan me, jij bent het zonnetje in huis, zei hij altijd. Ivona durfde ik gewoon niet aan te raken. Ik was zo verzwakt na haar geboorte, dat ik haar niet heb gezoogd, en dat arme kleine ding is toen ziek geworden… Ze was een zoet kind, maar wel ziekelijk, en dat is haar hele kindertijd zo gebleven….’

Madame Ioaniu vond haar dochter maar niks, ze leek te erg op haar eerste man, en dat was dan wel een goeie vent geweest, maar broodmager en ouwelijk, en met een puntneus; ze vond haar dochter niks en ze is d’r hele leven een last geweest. Maar ze liet niet met zich sollen, dat ouwe mens, sluw en geraffineerd was ze, tegen haar dochter zei ze niet eens van ga ‘ns een stukkie opzij; toen ze op leeftijd was gekomen, wist ze dat ze maar beter haar tanden op elkaar kon houden. Alleen tegen haar, want haar vertelde ze alles, alleen tegen haar heeft ze opgebiecht dat ze haar dochter maar niks vond.

‘Dan bracht het kindermeisje haar naar me toe, wat valt te zien aan zo’n klein ding. Een bundeltje witte kant, en daarin… Ik had geen idee hoe ik een luier moest verschonen, het was een ingewikkeld gedoe, en ik heb het nooit echt goed geleerd… Eerlijk gezegd durfde ik haar gewoon niet vast te pakken, want ik was bang iets te breken; ze was helemaal kaal en had een langgerekt, misvormd hoofdje, en ze huilde bijna de hele tijd, en op haar wangen zaten overal van die vlekjes… Die arme Ştefan was zo gelukkig, want in zijn ogen was ze altijd mooi… Ivona is interessant, ze is aardig, ze is intelligent, maar mooi is ze nooit geweest… Zo klein als ze was, had Ivona een zekere rijpheid, ze gedroeg zich alsof ze al volwassen was… Misschien lijkt het daarom, als ik aan haar denk, of ze nooit klein is geweest… Natuurlijk hield ik van haar, dat spreekt toch voor zich? Het moederinstinct, toch… dieren houden ook van hun jongen… Maar Ivona was als kind te zoet en een beetje raar… En voordat ik het goed en wel in de gaten had, was ze al een volwassen vrouw …

Dus zo zat het. Zij had evenveel zin om voor haar dochter te zorgen als ik om bisschop te worden. Die madame Ioaniu had allerlei nukken en kuren, zoals alle vrouwen die nooit de handen uit de mouwen hebben hoeven steken. Want ze had ze niet allemaal op een rijtje, waarom zou ze anders al die potjes en flesjes hebben bewaard…? Ze was dan wel zo gierig als de pest, maar wat moest ze met al die flesjes en al die ouwe rotzooi? Waarom kon ze het niet over d’r hart verkrijgen ze weg te mikken?

‘Ik ben altijd dol geweest op bloemen, Vica,’ zei madame Ioaniu. ‘Ik vond het heerlijk om een huis vol bloemen te hebben… Ik was dol op bloemen, maar nog meer op parfums…’

En dan kwam ze ineens overeind uit d’r stoel en schuifelde de kamer door, met die bochel op d’r rug; hoe ouder ze werd, hoe groter die bochel werd. Ze kwam ineens overeind en kwam dan terug met een lading flesjes in d’r armen. Zij weet waar ze die vandaan haalde, uit de wc, uit de lades, flessen en flesjes, sommige niet groter dan je vinger, andere als een karaf voor water, flesjes met een gouden dop, met zilverdraad, met glanzende etiketten. En de stoppen die ze hadden! En van dat blauwe of groenige rookglas, op d’r tachtigste kon dat ouwe mens zich er nog niet toe brengen om ze weg te gooien… Schuifel-schuifel kwam dat ouwe mens log aansjokken, met die stevige voorgevel van d’r, en zo krom als wat, hoe ouder ze werd, hoe krommer ze liep, en d’r neus was ook langer geworden. Ze had een haakneus gekregen. Dan zette ze die flesjes op tafel en ging ernaar zitten kijken.

‘Dat was toen…’ begon ze.
En dat wist ze allemaal nog, wanneer ze die had gekregen, niet te geloven, een geheugen als een ijzeren pot!
‘Deze heb ik van Lulu gekregen vóór ons trouwen, iedere dag liet hij de commissionair bloemen bezorgen. En Ivona stuurde hij gebakjes of gekonfijte vruchten en petitfours van Capşa. Ivona werd maar wat verwend, zowel door haar vader als door Lulu…’
‘Deze heeft hij me gegeven nadat ik abortus had laten plegen. Wat was die arme Lulu bezorgd toen hij me kwam ophalen! Ik mocht van hem een hele week niet uit bed komen… Het was de eerste keer dat ik een kind liet weghalen sinds ik met hem was, vandaar dat hij zo bezorgd was, maar ik had een goede dokter en het was bij lange na niet de eerste keer, per slot van rekening was ik een hele tijd getrouwd geweest, toch? Maar je man hoeft niet alles te weten, zeg nou zelf, heb ik gelijk of niet, Vica?’

‘Je man hoeft je alleen maar beneden de gordel te kennen,’ zei Vica. En dan moest madame Ioaniu toch lachen! Ze lachte en bekeek haar flesjes.

‘Weggegooid geld,’ smaalde Vica toen ze haar zo naar die flesjes zag kijken. ‘Weggegooid geld, waarom heeft hij die allemaal voor u gekocht? Hij had beter een stukje grond kunnen kopen om een huis op te bouwen, dit is geldverspilling…’

‘Nou ja, grond leek in die tijd dan wel het veiligste om je geld in te steken in Roemenië! Maar je hebt gezien dat grond niets waard bleek te zijn… Nou ja, het is beter zo! Die arme Lulu genoot ervan me te verwennen… Hij was niet meer een van de jongsten, maar hij was nog vrijgezel. Beroepsmilitair was hij, heel streng en heel correct, maar met mij was hij helemaal anders. Hij vond het enig om me te verwennen, om me in alles mijn zin te geven. Hij had een hart van goud, maar je moest wel tact hebben, want hij was best heetgebakerd en kon zomaar uit zijn slof schieten…’ Nou, nou, jij was een mooi nummer toen je jong was, zei ze bij zichzelf. Een mooi nummer, en erg op de centen, en je wist hoe je altijd weer op je pootjes terecht moest komen! Wat hebben sommige vrouwen toch een mazzel in hun leven, bedacht ze zich.

Plotseling bewoog er iets achter haar. Vica draait zich om, ze heeft een gevoel of haar hart uit haar borst wil springen.

‘Ksst, rotbeest,’ sist ze. ‘Ksst, kreng, maak dat je wegkomt…!’

Een mottige kater met een schurftige vacht, niet om aan te zien, laat zich tussen de takken van de perenboom omlaag zakken. Wat een boom was dat vroeger geweest, wat zaten daar een grote, sappige peren aan! Nu is hij verschrompeld en verdord, en van de zomer zat hij helemaal onder de rupsen. Daar kun je op wachten, toch, dat ze allemaal verdorren als niemand de moeite neemt om iets in de tuin te doen? Er is in de tuin geen bloem, geen rozenstruik meer te bekennen sinds Tudor, de zoon van Ivona, is vertrokken en madame Ioaniu is overleden…

Eigenlijk daarvoor al, toen ze aan het dementeren was. In de tijd dat ze nog gezond van lijf en leden was, had madame Ioaniu de zorg voor het huis, voor de bloemen en voor het tuinhuisje. Zij was er heer en meester, niemand dorst zich ermee te bemoeien. Ze stond d’r mannetje, en dat warhoofd van een Ivona en die lapzwans van een vent van d’r, die wisten maar al te goed dat het huis en de tapijten en het zilverwerk en de juwelen - wat er nog van was overgebleven - dat het allemaal op naam stond van dat ouwe mens; alles was van haar en daar kreeg ze nog een pensioentjes van d’r man bovenop. Die is in de bajes gestorven, gestorven in Sighet, gestorven in Jilava, gestorven in Piteşti, hij weet zelf het beste waar-ie gestorven is, maar uiteindelijk heeft dat ouwe mens toch dankzij hem een pensioentje opgestreken. Hij had immers ook in die andere oorlog gevochten en hij had handen vol met lintjes! Uiteindelijk heb het hem niet meegezeten, maar je kunt zeggen dat dat ouwe mens, die madame Ioaniu, best heb gemazzeld. Dat oude mens heb d’r tanden op mekaar gezet, ze verhuurde kamers, ze sjouwde de hele stad af om bijlessen Frans en Duits te geven, maar ze heb er van alles aan overgehouden: het huis met alles d’rop en d’raan. Uiteindelijk heb ze d’r toch zijn geld doorheen gejaagd!

En dat vertelde ze allemaal, maar het viel haar zwaar om te vertellen wat ze had meegemaakt en waar Ioaniu aan zijn einde was gekomen. Reken maar dat de communisten d’r de stuipen op het lijf hadden gejaagd! Maar toch heeft ze een keer d’r mond voorbij gepraat over dat pension.

‘Tjonge, wat was ik slank in mijn jonge jaren, weet je nog wel, Vica? Later ben ik wat molliger geworden, en toen ik eenmaal veertig was, moest ik echt goed oppassen dat ik niet aankwam: wat vaker een appel, wat vaker zonder brood. Toen we al die narigheid over ons heen kregen, had ik helemaal geen tijd meer voor mezelf…’

‘Waarvoor zou je mager moeten blijven?’ viel Vica haar in de rede. ‘Dik is mooi! Als je vel over been bent, krijg je de ene ziekte na de andere… Dat zie je toch bij al die magere scharminkels? Dat zijn zenuwpezen en slapzakken…’

‘Weet je,’ zei het ouwe mens toen zonder nadenken, ‘ik ben begonnen aan te komen toen ik dat pension had… Dan proefde ik het eten om te zien of het gelukt was, ik paste de porties aan, want wat had ik verder nog voor lol in mijn leven? Neem dat maar van me aan, Vica, neem maar gerust van me aan dat het maar niets is als je geen vreugde in je leven kent… Dan ben de hele dag knorrig en slecht gehumeurd en dan maak je niet alleen je eigen leven zuur, maar ook dat van anderen. Het is goed als je plezier hebt in je leven, want daar wordt niemand minder van… Daarom heb ik me het eten altijd goed laten smaken toen ik dat pension had. Want sommige mensen eten van de zenuwen, anderen eten uit verveling, maar de minste zelfbeheersing hebben de mensen die eten omdat ze ervan genieten. En het laatste genot dat een mens in zijn leven nog heeft, is eten!’

Dat was de enige keer dat madame Ioaniu haar mond voorbij praatte en over dat pension begon. Vica had nog wel het een en ander gehoord van Ivona, andere dingen had ze gehoord van haar van Zaharescu, en die wist het weer van d’r man, die een hoge pief was geweest na de oorlog. Toen hebben ze de poten onder zijn stoel vandaan gezaagd en toen was hij niet zo’n hoge pief meer. Of misschien was hij gewoon aan de beurt om vervangen te worden, want dat was vaste prik bij de communisten: ze vervingen links en rechts mensen, net zoals ze steeds veranderden wat ze zeiden. Niet dat zij zich zorgen maakte over die hoge omes, want zelfs als ze de laan uit vlogen, ging het ze nog voor de wind. Over die lui hoefde je je niet (te) sappel te maken. Wel over die arme vent van d’r, want die is ook niet meer zo piep, hij loopt tegen de negenenzeventig, en sinds hij met pensioen is gegaan, heb-ie geen rooie duit opzij kennen leggen. En haar van Zaharescu gaat ‘t ook voor de wind, al loopt ze nog zo te jammeren, als ze haar moet geloven, zou je denken dat het regime haar van alles heb aangedaan… maar hun huis staat barstenvol met spullen die ze van over de grens hebben gehaald, en haar oudste dochter is voorgoed naar Engeland vertrokken. Volgens sommigen is ze daar gebleven om te spionneren, volgens anderen is ze gebleven omdat daar alles te krijgen was, volgens weer anderen is ze gebleven omdat haar vader niet dezelfde positie had als vroeger…

Nou ja, laten ze allemaal de kolere krijgen! Zo is het bij sommigen, die komen altijd op hun pootjes terecht. Je hoeft met hen geen medelijden te hebben, zij maakt zich over die lui geen sores. Ze is zo stijf als een plank van die kou hier, sinds ze op dat warhoofd zit te wachten. Ze zit hier voor die vervloekte vijftig lei, laat ze stikken in die vijftig lei van d’r, want ze gaat hier van d’r graat van de honger. Er zijn van die mensen waar de tegenslag gewoon geen greep op krijgt, het loopt van ze af als water van een gans. Dat geldt ook voor dat warhoofd van een Ivona: als een andere vrouw in de gaten kreeg dat d’r man de hele dag bij z’n Totebel zat, zou ze in zak en as zitten. Maar zij niet, hoor, het laat ‘r ijskoud, het kan ‘r geen moer schelen. Ze is niet voor niets een kind van d’r moeder, en madame Ioaniu had twee kerels en die heb ze alle twee naar het kerkhof gebracht. Maar zij bleef d’r eigen leventje leiden: ze dirkte d’r eigen op, speelde poker en zorgde dat ze de filmvertoning in de Paleiszaal niet miste.

Die man van d’r, die Ioaniu, die heeft toch ook best gemazzeld, want de communisten konden hem niets maken, hij had immers voor hen gevochten in de Tatra. Lekker veel is-ie daarmee opgeschoten! Hij is toch in de bajes gecrepeerd. In ‘50, ‘52, hij weet zelf het beste wanneer hij is gestorven, want dat ouwe mens hield d’r lippen stijf op elkaar. Maar zij heb ‘t gehoord van haar van Cristide, want die d’r man heb ook in de bajes gezeten. Zij heb d’r verteld dat ze daar bij bosjes doodgingen, iedereen die vroeger minister of advocaat was geweest, en wie veel poen had gehad, en wie familie van ze was geweest, en wie gewoon pech had gehad, die zijn daar allemaal het hoekje om gegaan. Want van de honderden of duizenden die daar hebben gezeten, hebben maar een stuk of twee het overleefd.

Maar zij wisten van niets, madame Ioaniu niet en d’r dochter niet, dat ook Ioaniu in de gevangenis was gestorven, pas een hele tijd later, tegen de zomer, kregen ze een papier. En toen zijn ze naar het kerkhof gegaan om het graf te verzorgen, maar hoe moesten ze ‘m daar vinden? Er was een hele akker vol met houten kruisen, zeiden ze, welke daar van hem was, God mag ‘t weten… Maar daar zijn ze d’rachter gekomen dat Ioaniu in de ziekenboeg is gestorven, dat-ie ziek was geworden en het vertikt had om te eten. Niemand trok zich iets van hem aan, want in hun ogen was hij niet meer als een hond. Die stijfkop vertikte het om te eten, want hij hoopte dat ze hem dan naar de ziekenboeg zouden brengen, maar die lui zeiden van mij best als jij niet wil eten, het kon ze geen moer schelen, en ze hebben hem naar de ziekenboeg gebracht toen hij op sterven na dood was. En voordat hij stierf, heeft hij nog wat gezegd en een van hen, die het had gehoord, heb het aan z’n vrouw verteld: dat hij nog helemaal bij z’n verstand was en dat-ie wist dat-ie doodging. En hij zei dat hij een laatste wens had: dat ze ‘m niet in dat streepjespak zouden begraven, want hij was geen boef geweest maar een man van eer. Hij was militair geweest en generaal en had geen mens kwaad gedaan, daarom had-ie ook zoveel lintjes gekregen. Hij heeft moeten bidden en smeken, vertelde hij, dat ze hem niet in dat streepjespak zouden begraven, en wie die lui ook mogen zijn geweest, ze hebben gedaan wat hij wou. En zo heb madame Ioaniu ‘m kennen vinden: een of andere doodgraver kon zich herinneren dat een van de dooien in z’n pyjama was begraven. En dat vond die doodgraver maar een rare bedoening: waarom hadden ze ‘m in z’n pyjama gebracht, midden in een sneeuwstorm, hartje winter? Maar als je eenmaal dood bent, maakt het je toch niet uit, dan weet je niks meer, wat heb je dan nog aan kleren?

Tags: