Nieuws
De boekentafel van juni
Er zijn natuurlijk ook mooie en bijzondere boeken uit alle windstreken die wel in het Nederlands verschijnen. In de rubriek ‘De boekentafel’ presenteert schwob.nl regelmatig boeken die net zijn verschenen of die binnenkort uit de winkels verdwijnen.
‘De Beren’ van Vsevolod Garsjin
Al tijdens zijn leven was Garsjin een echte publiekslieveling. Een tijdgenoot herinnert zich een voorleesoptreden van de schrijver: ‘Toen hij het podium opkwam zwol het applaus, dat al begonnen was voor hij verscheen, tot een ongekend rumoer aan: het publiek stond op […] en wel twintig minuten lang hielden het geklap en geroep aan.’
Schwob.nl publiceert in drie afleveringen het verhaal ‘De Beren’ van Vsevolod Garsjin, in de vertaling van Hans Boland. Uitgeverij Atheneaum - Polak & Van Gennep. Prijs € 19,95 (paperback). Bestel nu bij boekhandel Pegasus waar het boek op 26 mei feestelijk werd gepresenteerd, De Beren en andere verhalen.
Aflevering 1
‘De Beren’
Belsk is een steppestadje en ligt aan de rivier de Rochla, die hier een paar flinke lussen maakt met een web van beekjes en slootjes ertussen. Het lijkt een kluwen van blauwe linten, wanneer je op een heldere zomerdag vanaf de rechteroever neerkijkt op het rivierdal, meer dan honderd meter beneden je. Als je naar boven klimt, naar waar de eindeloze steppe begint, moet je je vasthouden aan de struiken - kardinaalsmuts, brem, pimpernoot - want de helling is heel steil, alsof hij met een reuzenmes is afgesneden.
Vanaf de top kun je wel veertig kilometer ver kijken. Rechts, naar het zuiden toe, en links, naar het noorden, rijgen de heuvels langs de Rochla zich aaneen, sommige even steil als die onder je voeten, andere zachtglooiend, en nu eens wit van kleur, waar de krijtlaag van de toppen en kloven is kaalgeschuurd, dan weer begroeid met merendeels lage, schrale vegetatie.
Aan de overzijde van de rivier vormt de steppe een heel geleidelijk klimmende, onafzienbare vlakte, met gele hooischelven waartussen wolfsmelk woekert, groene korenakkers, zwartpaars versgeploegd braakland en zilvergrijze grasvlakten. Op het eerste gezicht lijkt het een land zonder enig reliëf, maar een geoefend oog ontdekt verscholen contourlijnen die een slenk of kloof verraden.
Ook tekent zich hier en daar een prehistorische grafheuvel af, als een kleine, in de aarde vastgegroeide en in het akkerland opgenomen terp; het archaïsche stenen vrouwenbeeld dat er ooit bovenop moet hebben gestaan, de ‘baba’, is verdwenen en siert mogelijk als Scytisch artefact de tuin van de universiteit van Charkov, als het niet door een of andere boer is geïntegreerd in de omheining van zijn veekraal.
Het riviertje in de diepte meandert van noord naar zuid, waarbij het zich telkens van de hoge oever verwijdert en dieper de steppe in duikt, om even later weer terug te komen en vlak onder de steilte verder te stromen. Het water wordt omzoomd door grienden met hier en daar wat dennetjes, die dichter naar de stad toe plaatsmaken voor tuinen en omrasterde weitjes.
Op enige afstand van de linkeroever loopt een strook fijn zand, waarboven de kruipwilg zijn rood-zwarte twijgen vlecht, afgewisseld door dichte tapijten van geurige, lila steentijm. Ook bevindt zich daar, op een kilometer of twee buiten de stad, het kerkhof, als een kleine oase waaruit de houten klokketoren van een kapel omhoogsteekt.
De stad zelf heeft niets bijzonders te bieden en verschilt in het geheel niet van andere provinciesteden, behalve dan dat de straten er opvallend schoon zijn, wat niet zozeer te danken is aan de ijver van het plaatselijk bestuur als wel aan de zandbodem waarop de nederzetting is gebouwd en die ook bij hevige regenval alle neerslag direct opslurpt.
Voor de varkenspopulatie is dat erg lastig - naar de modderige rivieroevers waar de beesten hun gerief zoeken is het een paar kilometer sjouwen.
In september 1875 beleefde Belsk roerige dagen. De stilte waarin het stadje doorgaans was gehuld werd wreed verstoord. Overal, op de sociëteit, op straat, op de bankjes onder de huispoorten, binnenshuis, overal waren de mensen in druk gesprek verwikkeld.
Men had kunnen denken dat de op handen zijnde sessie van de plattelandsraad, waar verkiezingen zouden worden gehouden, aanleiding was voor de onrust, maar dergelijke raadsbijeenkomsten, inclusief verkiezingen en het bijbehorende geharrewar, hadden wel eerder plaatsgehad, zonder dat de inwoners van Belsk daarvan nu zo onder de indruk waren geraakt.
Bij dat soort gebeurtenissen wisselden de burgers, wanneer ze elkaar op straat tegenkwamen, hooguit een paar korte zinnetjes: ‘Bent u er al geweest?’ De vraagsteller wees met zijn blik op het gebouw waar de plattelandsraad zetelde.
‘Jazeker.’ Het antwoord ging gepaard met een handgebaar dat de onzin van het hele gebeuren uitdrukte. De ander had dan ook geen woorden nodig om de mening van zijn kameraad over de gang van zaken te peilen.
‘Wie wordt de voorzitter?’
‘Ivan Petrovitsj.’
‘En wie wil hij naast zich?’
‘Ivan Parfjonytsj.’
Na zo’n dialoog lachten de twee droogjes en vervolgden elk hun weg.
Maar nu was er iets heel anders aan de hand. De stad bruiste als tijdens de jaarmarkt. De kinderen renden op en neer naar de gemeenschappelijke stadsweide, en ook solide heren in wijde zomerkostuums van henneplinnen of grove zijde spoedden zich daarheen.
Jongedames met parasolletjes en fleurige paniers - die dat jaar in de mode waren - liepen dezelfde weg, gearmd over de gehele straatbreedte, zodat Rogatsjov, een jonge koopman, zijn cabriolet vlak langs de lemen muren van de huizen moest zien te loodsen, rukkend aan de teugels van zijn appelschimmel, een zeer onstuimig beestje.
De meisjes werden begeleid door plaatselijke cavaliers in grijze overjassen met zwartfluwelen kraag, een rottinkje in de hand en een strohoed dan wel legerpet met kokarde op het hoofd.
De gebroeders Izotov, de gangmakers van elk publiek festijn - ze wisten hoe je tijdens de quadrille ‘Grand rond!’ en ‘Au rebours!’ moest roepen - waren uiteraard ook van de partij en hadden het druk met het doorspelen van de laatste nieuwtjes aan de dames.
‘Er is een groep aangekomen uit de buurt van Valoeiki. De halve stadswei is bezet, tot aan de rivier,’ wist de oudste, Leonid, te melden.
‘Ik heb het in ogenschouw genomen vanaf de Muurberg,’ voegde de jongste, Konstantin, eraan toe. Hij drukte zich graag chic uit. ‘Een heel bijzonder gezicht!’
De Muurberg was de naam van de heuvel die uitzicht bood over de stad en de wijde omgeving.
‘Weet u wat, u brengt me op een idee: we laten de grote brik aanrukken om ons erheen te brengen. Leuk toch? Een soort picknick. Dan kunnen we alles goed zien.’
Dit voorstel kwam van de leading lady van Belsk, de vrouw van de broer van de rekenmeester (de hele stad noemde haar man, Pavel Ivanovitsj, ‘de broer van de rekenmeester’). Zij was een jaar of acht eerder uit Sint-Petersburg naar deze contreien gekomen en gold daarom als dé autoriteit op het gebied van de mode en de goede smaak.
Het plan kon rekenen op algehele bijval. Er werd een dik roodbruin trekpaard voor een kar gespannen van het soort dat men alleen in provinciesteden aantreft, bestaande uit weinig meer dan een wagenboom met twee lange voetenplanken. Er kunnen twee rijen van zes of zeven man op plaatsnemen, met de ruggen naar elkaar.
Even later begaf de brik zich met een gezelschap van twaalf personen op weg. Ze reden over de zandige straten van de stad, haalden troepen kinderen, jongedames en allerhande ander volk in die op weg waren naar de stadsweide, en staken de brug over naar de steile rechteroever.
De knol stapte onverstoorbaar voort; er kwamen dikke plooien in de glimmende huid van zijn billen toen hij de twee kilometer lange kronkelweg naar boven aflegde.
Een halfuur later zaten de passagiers al aan de rand van de hoge, met struweel begroeide helling, vanwaar ze het uitzicht in zich opnamen dat ze allemaal door en door kenden. In de diepte stroomde de rivier, dicht langs de heuvelwand, onhoorbaar, en aan de overkant daarvan strekte zich de stadswei uit waar alle aandacht op was gericht.
Het terrein leek op een reusachtige bonte lappendeken. Er stonden een heleboel vuilwitte tenten en karren, waartussen zich een kleurrijke mensenmenigte bewoog, met donkere mannen in kaftans en grijze ongewassen hemden, en vrouwen in felgele en rode rokken en blouses: allemaal zigeunerfamilies, waar de inwoners van Belsk naar kwamen kijken.
Het was een prachtige, zij het iets te warme, windstille dag, en het gedruis van de duizendkoppige menigte drong door tot de toeschouwers op de Muurberg: het gegons van stemmen, het zware galmen van hamers op gloeiend ijzer, het gehinnik van paarden en het gebrul van tientallen tamme beren - de kostwinners van de zigeuners - die hier vanuit meerdere regio’s bijeen waren gedreven.
Olga Pavlovna tuurde door een binocle naar het spektakel, dat haar in verrukking bracht.
‘Tjee, wat interessant! Moet u kijken, Leonid, daar, aan de rechterkant, wat een grote beer! En die zigeunerjongen ernaast, een echte adonis!’
Ze reikte haar kijker aan de jongeman. Ook hij ontdekte de figuur van de goedgebouwde, maar smerige jongeling, die bezig was met zijn beer als was het een troeteldier. Het beest stond van de ene poot op de andere te schommelen.
‘Mag ik ook even kijken?’ vroeg een zeer gezette, gladgeschoren meneer. Hij droeg een pak van zeildoek en had een strooien hoed op. Toen hij het tafereel lang genoeg en met aandacht had gadegeslagen draaide hij zich om naar Olga Pavlovna en verzuchtte: ‘Ja ja, Olga, een adonis. Maar wat een eersteklas paardendief zal er van hem worden! Dat kan ik u wel vertellen.’
‘Mon dieu! U moet ook altijd het minste beetje poëzie in proza vertalen. Waarom nou weer een paardendief? Dat weiger ik te geloven, hij is zo knap om te zien.’
‘Knap is-ie zeker. Maar hoe zal hij dat mooie lijf van hem onderhouden als hij zijn beer kwijt is? Morgen wordt de hele kudde afgemaakt, en dan moet de helft van al die duizend zigeuners daar het maar uitzoeken.’
‘Ze kunnen toch ook ijzer smeden en de toekomst voorspellen?’
‘De toekomst voorspellen! Gisteren kwam er een bij me langs, Ilja de Paardenman. U had ‘m moeten horen. “Die grauwe schimmels van u zijn prachtbeestjes, Foma Fomitsj,” zegt-ie. “Ik zou maar oppassen voor mijn collega’s, als ik u was.” “Hoezo, je bent zelf toch niks van plan hè?” zeg ik. En een grijns op z’n smoel! De toekomst voorspellen! Het zijn me de voorspellingen wel!’
Van de brik werd een enorme mand getild waaruit etenswaren en drank verschenen. Het gezelschap begon zich te goed te doen, onderwijl vrolijk babbelend en nauwelijks meer aandacht schenkend aan het schouwspel in de diepte.
De zon ging onder, de machtige schaduw van de heuvel gleed in snel tempo over de stad, de weide en de steppe; alle vormen vervaagden en al gauw, zoals dat gaat in het Zuiden, was de dag overgegaan in de nacht.
Ver weg blonk de bochtige Rochla in het koude maanlicht, en in de stad begonnen lichtjes te twinkelen. In het zigeunerkamp brandden vuren, rood opgloeiend van achter de nevel die opsteeg van de sluimerende rivier onder de Muurberg. Konstantin en Leonid verhaalden om strijd van de grappigste voorvallen.
Olga Pavlovna liet bij tijd en wijle een nogal hooghartig glimlachje zien, terwijl het overige damesvolk druk giechelde of het zelfs uitproestte. Er werden kaarsen aangestoken waar een stolp overheen werd gezet. De voerman en de dienstmeid waren achter het struikgewas in de weer met de samowar, en af en toe klonk er een onderdrukt gilletje uit die richting. De dikke Foma Fomitsj zweeg heel lang, maar op zeker moment onderbrak hij Leonid, op het spannendste punt van diens vertelling.
‘Voor wanneer is de datum vastgesteld dat de beesten worden afgemaakt?’ vroeg hij.
‘Voor woensdagochtend,’ antwoordden de gebroeders Izotov als uit één mond.
Aflevering 2
De ongelukkige zigeuners waren uit vier regio’s naar Belsk gekomen, met hun hele hebben en houwen, hun paarden en hun beren - waarvan er meer dan honderd op de stadsweide stonden en lagen, zowel jonge, nog onvolgroeide exemplaren alsook hele grote en oude dieren, met vale, dunne plekken in hun vacht.
Angstig wachtten de zigeuners de noodlottige dag af. Velen van hen - de eersten die waren komen opdagen - hadden hun tenten hier al een week of twee geleden opgeslagen. De bestuurderen zaten nog te wachten tot alle zigeuners die op dat moment stonden geregistreerd zouden zijn gearriveerd, zodat ze de dieren in één keer tegelijk konden laten doden.
De berentemmers was vijf jaar belastingvoordeel in het vooruitzicht gesteld toen de wet passeerde die een eind aan hun beroep maakte, en nu was deze termijn verstreken. De zigeuners dienden zich te melden op de daartoe aangewezen verzamelpunten, om hun eigen kostwinners af te maken.
Voor de laatste maal deden ze hun ronde langs de dorpen, met de bekende geit en trommelaar die de beren steevast begeleiden. Voor het laatst renden de kleine jongetjes en meisjes hun al van een kilometer afstand tegemoet wanneer ze uit de steppe opdoken en in de kloven afdaalden, waar de meeste nederzettingen van de Oekraïense bevolking zich bevinden. Juichend, in een ordeloze stoet, werden ze dan naar het dorp meegetroond en kon het echte feest beginnen.
Want een feest was het! De zigeuners hielden halt bij de herberg, of bij een wat rijkere hut, of voor het huis van de landheer, als dat er was. Vervolgens gingen ze aan het werk: berentemmers, kwakzalvers, kooplui met ruilhandeltjes, waarzegsters, hoef en wagensmeden, wat niet al, de hele zomerdag door, tot in de avond, wanneer ze buiten het dorp op het grasland neerstreken met hun tenten, of gewoon een lap over de disselboom hingen om onder te slapen.
Dan staken ze houtvuren aan waarboven ze hun eten bereidden. Ze werden tot laat in de avond omringd door een nieuwsgierige menigte.
‘Het is tijd, de hoogste tijd,’ hoor ik als klein jongetje mijn vader zeggen.
‘Toe nou, nog heel even…’
Vader wou eigenlijk zelf ook nog niet weg. We zaten met z’n tweeën op onze droschke. De oude ruin Vaska staarde naar de vlammen, af en toe snuivend en met gespitste oren vanwege de beren, maar toch vredig.
De kampvuren verspreidden een roodachtig licht, waarin vage schaduwen beefden. IJle mist dreef boven de kloof achter ons; voorbij het kamp strekte zich de steppe uit. Het silhouet van een windmolen donkerde tegen de hemel, in de geheimzinnige, zilverig-grauwe duisternis van de eindeloze ruimte.
De stille, pure geluiden van de steppenacht werden niet gesmoord door het rumoer van het kampement: nu eens klonk van de kant van de plas, ver weg, een triomfant, luid kikkerkoor, dan weer liet de schriek zijn ritmische, vlugge ‘crex-crex’ horen of zetten de kwartels hun ‘kwik-me-dit, kwik-me-dit’ in.
Soms hoorde je, zonder te weten waar het vandaan kwam, onduidelijke, onbestemde klanken, gedempt maar vol van een wonderlijke harmonie. Wat was dat? Het bonzen van een verre kerkklok dat werd aangedragen op de wind, of de stem van de natuur, een taal die wij niet verstaan?
Maar nu wordt het stil in het kamp; een voor een doven de vuren, je hoort de beren onder de wagens waaraan ze zijn vastgebonden grommen of met hun ketting rammelen als ze hun draai niet kunnen vinden, en de zigeuners leggen zich ter ruste.
Er is er een die een eindje verderop gaat staan zingen, met een kelige tenorstem, een raadselachtig lied in zijn eigen taal, in niets gelijkend op de liederen van operettezangeresjes of van de zigeuners uit Moskou, totaal anders, ongepolijst, klaaglijk, nergens thuis te brengen, afkomstig uit een onbekende, schemerige verte.
Geen mens weet waar het is ontstaan, welke steppen, wouden en bergen het hebben voortgebracht - als een levende getuige van lang vervlogen tijden die ook de zanger zelf is vergeten, nu hij zingt onder een vreemde sterrenhemel, in een vreemde steppe.
‘Kom, we gaan,’ zegt vader.
Vaska heeft lang genoeg stilgestaan en zet er monter de pas in. De droschke rolt langs de zigzagweg naar beneden, het dal in, en van onder de wielen wolkt stof op dat meteen weer op het bedauwde gras neerzakt, alsof het niet in zijn slaap wil worden gestoord.
‘Papa, is er iemand die zigeuners praat?’
‘Zijzelf natuurlijk wel, maar ik heb nooit iemand gezien die geen zigeuner is en toch hun taal spreekt.’
‘Ik zou het wel willen leren. Dan zou ik weten waarover hij zong. Zijn het heidenen, papa? Misschien zong hij wel over hun goden, hoe die leefden en oorlog voerden.’
We zijn thuis; ik lig al onder mijn deken, maar in mijn kinderhoofd, dat zich op het kussen heeft gevlijd, is mijn fantasie nog hard aan het werk en creëert er vreemde beelden.
Tegenwoordig trekken de zigeuners niet meer met hun beren langs de dorpen. Ze trekken überhaupt niet meer zo veel. Het merendeel van hen woont op de plaatsen die hun zijn toegewezen en komt nog maar zelden, gehoorgevend aan een eeuwenoude traditie, naar de grasvlakte buiten de dorpen om er hun beroete tenten op te slaan. Dan leven ze met hele families van het hoefsmeden, de veeartsenij en allerlei gesjacher.
Ik heb zelfs wel zigeuners gezien, in de gouvernementshoofdstad, die hun tenten hadden verruild voor hokken van rommelig aan elkaar gespijkerde planken. Ze stonden niet ver van het ziekenhuis en het marktplein, op een onbebouwd terrein langs de grote weg. Er was een heel stadje ontstaan.
De gebronsde gezichten, de grote ogen, de krullerige haren, de vuile kleren van de mannen en de even vuile maar kleurige vodden van de vrouwen, de blote, zonverbrande kinderen: het complete beeld van het voorbije vrije leven van een zigeunerstam verrees weer voor mijn ogen.
Uit sommige hutjes klonken de geluiden van een smidse, en toen ik in één ervan binnenkeek zag ik een oude man hoefijzers smeden. Het viel me op, terwijl ik hem bij zijn werk gadesloeg, dat het niet meer de zigeunersmid van vroeger was, maar een gewone ambachtsman, die de opdracht waarvoor hij werd betaald zo gauw mogelijk af wilde hebben om aan de volgende klus te kunnen beginnen.
Het ene hoefijzer na het andere gooide hij, zodra hij het klaar had, in een hoek van zijn hut op een hoop. Zijn gezicht had een barse, geconcentreerde uitdrukking: hij had grote haast. Dat was overdag. Toen ik er ‘s avonds laat weer langs kwam en een kijkje in dezelfde hut nam was de oude man nog steeds aan het werk. Een fabrieksarbeider, meer niet.
Het was een rare gewaarwording, dat zigeunerkamp min of meer midden in de stad, ingesloten door het streekziekenhuis, de markt, de gevangenis en een exercitieplaats waar soldaten marcheerden en voortdurend bevelen klonken (‘Presenteer geweer!’ ‘Op de plaats, rust!’), met de provincieweg erlangs, waarvan de stofwolken over de planken hokken woeien en over de houtvuren met ketels waarin zigeunerinnen met felgekleurde hoofddoeken een of ander prutje kookten, en dan de zigeuners zelf, met hun naakte kroost.
Zo gingen ze dan de dorpen af om voor de laatste maal hun voorstellingen te geven.
Voor het laatst vertoonden de beren hun artistieke kunsten: ze dansten, worstelden, beeldden jongetjes uit die erwten jatten, en hoe een jonge deerne loopt en een oud wijf, en ze werden voor het laatst beloond met een glaasje wodka, dat de beer, zich oprichtend op zijn achterpoten, aannam met beide voorpoten, naar zijn harige muil bracht en naar binnen goot, terwijl hij zijn kop ver achterover hield, waarna hij zijn lippen aflikte en zijn genoegen te kennen gaf middels een zacht, met vreemde zuchten gelardeerd gegrom.
Voor het laatst werden de zigeuners benaderd door bejaarden van beiderlei kunne die op de oude vertrouwde manier wilden worden genezen van hun kwalen, namelijk door op de grond te gaan liggen onder een beer: met zijn buik boven op de patiënt en met zijn vier klauwen uitgestrekt op de bodem moest die net zo lang in deze houding volharden als de zigeunerbaas voor de seance nuttig achtte.
Voor de laatste maal werd van de beren gevraagd de hutten binnen te gaan: als het dier meegaand was en makkelijk gehoorzaamde kreeg hij de ereplaats en was iedereen blij, omdat dit als een goed voorteken werd beschouwd; maar als de beer het ondanks alle aanmoedigingen en troetelwoordjes vertikte de drempel over te gaan deed dat de huisbaas en zijn gezin groot verdriet en zeiden de buren:
‘Tja, wat kan je eraan doen! Hij weet het ‘t beste!’
Het grootste deel van de zigeuners was afkomstig uit de westelijke regio’s, zodat ze de twee kilometer lange kronkelweg van de Steenberg naar Belsk moesten afdalen en van verre zicht hadden op het oord waar het vonnis zou worden voltrokken.
Zodra ze in de diepte het stadje met zijn deels strooien, deels plaatijzeren daken en zijn twee of drie klokketorens ontwaarden, begonnen de vrouwen te jammeren en barstten de kinderen in huilen uit, terwijl de beren, uit medelijden of, wie weet, omdat ze uit de gesprekken van hun bazen hadden begrepen welk bitter lot hun beschoren was, zo’n gebrul aanhieven dat de tegemoetkomende karren uitweken in de berm om de ossen en paarden niet al te veel schrik aan te jagen.
Als er honden meeliepen doken die jankend en bevend van angst onder de wagen, waar de Oekraïners hun teerpot en kwast bewaren.
* Voor het huis van de politiechef had zich een handvol oude zigeuners verzameld. Ze hadden hun best gedaan om er voor zo’n gewichtige ontmoeting fatsoenlijk uit te zien en waren op hun paasbest uitgedost: in een zwarte of donkerblauwe lakense mantel, een zijden blouse met een smalle bies langs de kraag, een wijde fluwelen broek, een met niëllo versierde riem, hoge laarzen waarvan de schachten bij sommigen waren geborduurd en opengewerkt, en een muts van lamsvel.
Die kledij werd alleen op hoogtijdagen gedragen.
‘Slaapt hij?’ vroeg een lange, kaarsrechte, van ouderdom geel geworden zigeuner aan een diender - een van de elf ordebewakers van Belsk - die op dat moment de poort uit kwam.
‘Hij is opgestaan en bezig zich aan te kleden. Jullie zullen zo worden geroepen,’ luidde het antwoord.
De oude mannen, die tot dan toe onbeweeglijk op hun plaats hadden gezeten of gestaan, begonnen zich te roeren en zachtjes met elkaar te overleggen. De oudste haalde iets uit zijn broekzak; de anderen kwamen om hem heen staan en keken naar het papier dat hij in zijn hand hield.
‘Het is zinloos,’ zei hij ten slotte. ‘Hij kan toch niets voor ons doen. Hij heeft het niet zelf verzonnen. Het is een bevel uit Sint-Petersburg, van de minister in eigen persoon. Overal worden de beren omgebracht.’
‘Toch moeten we het proberen, Ivan, je weet het nooit,’ antwoordde een van de anderen.
‘Proberen kan altijd,’ zei Ivan mismoedig. ‘Maar hij zal alleen ons geld aanpakken, verderhelpen kan hij ons niet.’
Ze werden bij de politiechef ontboden. Op een kluitje schuifelden ze naar binnen, en toen er een besnorde man in politie-uniform in de ontvangstzaal verscheen - de knopen van zijn jas stonden nog open, zodat zijn hemd van een slechte kwaliteit rode zijde te zien was - vielen ze voor hem op de knieën. Ze richtten hun smeekbeden tot hem en boden hem hun geld aan; een heel aantal van hen weende.
‘Uwe edelachtbaarheid,’ begon Ivan. ‘Oordeelt u zelf. Waar moeten we heen? We hebben altijd beren gehad en in vrede geleefd, we zaten er nooit iemand mee in de weg. Natuurlijk, edelachtbaarheid, sommige van onze jongens zijn op het verkeerde pad geraakt, maar zijn er soms geen Russische paardendieven? Heel wat, zou ik denken.
Onze beren hebben nooit een mens kwaad gedaan, iedereen was er dol op. Wat moet er nu van ons worden? We zijn nou eenmaal zwervers, maar we hoeven toch niet als dieven en landlopers te leven? Onze vaders en grootvaders hielden al beren. Het land bewerken hebben we nooit geleerd, wij zijn ijzersmeden, we hebben dat altijd graag gedaan, rondtrekken en als smid ons geld verdienen, maar dat wordt steeds moeilijker.
Onze jongens worden in feite gedwongen tot diefstal, het worden vanzelf paardendieven als er niets anders voor ze te doen is. Uwe edelachtbaarheid, ik spreek me uit alsof ik voor Gods aangezicht sta, ik verberg niets voor u: door onze beren van ons af te nemen wordt ons en alle goede mensen grote schade berokkend. Misschien kunt u helpen. God zal het u vergelden als u goeddoet.’
De oude man wierp zich, net als de anderen, aan de voeten van de majoor. Die keek somber en streek zijn grote snor op met zijn ene hand, terwijl hij de andere in de zak van zijn blauwe rijbroek had gestoken. De oude man haalde een flink gevulde portefeuille tevoorschijn en bood die aan.
‘Hou maar bij je,’ zei de politieman nors. ‘Ik kan niks voor jullie doen.’
‘Neemt u het nou maar aan, edelachtbaarheid,’ werd van verschillende kanten aangedrongen. ‘Misschien kunt u iets… Wilt u niet schrijven?’
‘Ik neem het niet aan,’ herhaalde de majoor met nadruk. ‘Echt niet. Ik kan niks doen. Het is de wet. Jullie hebben vijf jaar de tijd gehad. Wat is er nu nog aan te doen?’
Hij spreidde zijn armen. Er kwam geen antwoord, en hij vervolgde: ‘Ik weet dat het een ramp voor jullie is, en voor ons ook, want nu moeten we als idioten op onze paardjes gaan letten. Maar wat kan ik doen?
Stop je geld weg, baas, ik wil geen geld zonder er iets voor terug te kunnen doen. Als ik jullie jongens met gestolen paarden betrap, dan moet je niet boos worden, maar zomaar geld opstrijken, dat doe ik niet.
Berg het alsjeblieft op, man, jullie zullen het binnenkort zelf hard genoeg nodig hebben.’
‘Uwe edelachtbaarheid,’ zei Ivan, die de portefeuille nog altijd niet had opgeborgen, ‘mag ik nog één ding vragen? Staat u toe dat er morgen’ - zijn stem beefde - ‘dat er morgen een eind aan wordt gemaakt. We zijn op, we kunnen niet meer. Ik sta hier al twee weken met mijn familie, we hebben amper meer te eten…’
‘Nee, nee, we moeten nog even wachten, er ontbreekt nog één clan. De hele stad is toch al compleet uit zijn doen door al dit gedoe. Het moet gewoon allemaal tegelijk gebeuren.’
‘Ze zijn inmiddels gearriveerd, edelachtbaarheid. Toen wij hierheen liepen zagen we ze van de berg af komen. Wees genadig, heer, kwel ons niet langer dan nodig.’
‘Goed dan, als ze er zijn kom ik morgen om een uur of tien naar de wei. Hebben jullie geweren?’
‘Sommige van ons wel, maar niet iedereen.’
‘Goed, dan zal ik de legercommandant verzoeken om extra wapens. Ga nu met God. Ik vind het heel treurig voor jullie, echt waar.’
De hele groep liep al naar de deur, maar de politiechef riep ze terug: ‘Wacht even! Dit wilde ik jullie nog zeggen: ga even langs bij de apotheker, Foma Fomitsj. Jullie weten de apotheek toch wel, naast de kerk?
Zeg hem maar dat ik jullie gestuurd heb. Hij zal ongetwijfeld bereid zijn het berenvet op te kopen. Hij maakt er smeerseltjes van. De huiden wil hij misschien ook wel. Hij zal er een goede prijs voor geven. Het is zonde als die producten verloren gaan, zo is het toch?’
De zigeuners bedankten en begaven zich gezamenlijk naar de apotheek. Hun hart brak, en ze onderhandelden nauwelijks over de prijs van de stoffelijke resten van de kameraden die ze te koop aanboden.
Foma Fomitsj kocht de hele vetopbrengst voor veertien kopeken het pond en beloofde dat hij te zijner tijd nog wel een bod wilde doen op de vachten. De koopman Rogatsjov, die toevallig ook aanwezig was en hoopte er zijn eigen slaatje uit te kunnen slaan, zou de schenkelstukken krijgen, voor een stuiver het pond.
Diezelfde avond vielen de Izotovs buiten adem het huis van de broer van de rekenmeester binnen.
‘Mevrouw, mevrouw, het gaat morgen plaatsvinden! Iedereen is er! De commandant heeft de benodigde wapens al geleverd,’ berichtten ze Olga Pavlovna, elkaar in de rede vallend. ‘Foma Fomitsj heeft het vet opgekocht, voor veertien kopeken per pond, en Rogatsjov het vlees…’
‘Kalm aan, Leonid, niet zo druk,’ onderbrak Olga Pavlovna hem. ‘Wat moet Foma Fomitsj met dat vet?’
‘Hij maakt er een pommade van voor de haren, daar groeien ze goed van.’
Konstantin kwam op de proppen met een interessante geschiedenis over een kaalhoofdige man die zijn schedel met berenvet insmeerde, waarvan het haar op zijn armen ging groeien.
‘Die moest hij toen om de andere dag scheren,’ besloot Leonid, en de twee broers schaterden het uit.
Olga Pavlovna glimlachte en verzonk in gepeins. Ze droeg al een hele tijd een chignonnetje, en wat ze hoorde over het berenvet sprak haar enorm aan. Toen de apotheker later in de avond een partijtje préférence kwam spelen met haar man en haar zwager, de rekenmeester, bracht ze het gesprek op slinkse wijze op de berenpommade en liet zij Foma Fomitsj beloven haar een portie toe te sturen.
‘Daar kunt u op rekenen, mevrouw, absoluut. Geparfumeerd, als u wilt. Wat heeft u liever, patchoeli of ylang-ylang?’
Aflevering 3
De volgende ochtend was het echt septemberweer: vochtig en kil, met af en toe motregen. Desondanks verzamelde zich op de plek des onheils een grote menigte mensen van beide geslachten en van alle leeftijden.
Heel Belsk was uitgelopen om het spannende schouwspel maar niet te hoeven missen. Alle rijtuigen die de stad rijk was - één enkele koets op stand en een stuk of wat faëtons, droschkes en brikken - reden af en aan om de nieuwsgierige inwoners naar het tentenkamp te vervoeren. Al voor tienen was iedereen er klaar voor.
De zigeuners koesterden geen enkele hoop meer. In het kamp werd geen lawaai gemaakt. De vrouwen hadden zich met de kleine kinderen in de tenten verstopt om geen getuige te hoeven zijn van de slachting, en slechts een heel enkele keer slaakte een van hen een wanhoopskreet.
De mannen waren koortsachtig bezig de laatste voorbereidingen te treffen. Ze rolden hun platte wagens naar de rand van het terrein en bonden daar de beren aan vast.
De commissaris liep met Foma Fomitsj langs de rij gevonnisten. De dieren waren onrustig ten gevolge van de buitengewone situatie, het onverklaarbare gedrag van hun bazen, de verzamelde mensenmassa, het feit dat zijzelf op één plek bij elkaar waren gedreven: dat alles maakte dat ze opgewonden waren, aan hun kettingen rukten en erop knauwden, met een dof gegrom.
De oude Ivan stond naast zijn kolossale beer, die blind was aan één oog. Zijn ook niet meer zo jonge zoon - er zat heel wat zilvergrijs tussen zijn zwarte haar - en zijn kleinzoon, dezelfde adonis die de aandacht van Olga Pavlovna had getrokken, maakten de beer vast, zenuwachtig, met brandende ogen en een uitdrukking van reddeloosheid op hun gezichten. Hier stond de majoor stil.
‘Nou, ouwe,’ zei hij, ‘geef maar bevel te beginnen.’
Het publiek kwam in beweging, er ging een gegons op van stemmen, hier en daar werd wat geroepen. Korte tijd later werd alles weer stil. Toen klonk te midden van de algehele stilte een tamelijk zachte, maar plechtige stem. De oude Ivan sprak.
‘Met uw permissie, goede heer, neem ik het woord. Broeders, ik vraag jullie toestemming om als eerste het vonnis uit te voeren. Ik ben de oudste onder jullie, volgend jaar word ik negentig, en van kinds af heb ik beren gehad. In het hele kamp is geen beer zo oud als de mijne.’
Hij liet zijn grijze krullenhoofd op zijn borst zakken, schudde het innig bedroefd heen en weer en veegde zijn ogen met een vuist droog.
Daarna richtte hij het hoofd op en vervolgde hij luider en vastberadener: ‘Daarom heb ik het recht er als eerste een einde aan te maken. Ik had gedacht dat ik deze verdrietige dag niet zou hoeven beleven, en mijn lieve beer ook niet, maar dat is ons blijkbaar niet vergund.
Ik moet hem, mijn kostwinner en weldoener, eigenhandig doden. Maak hem nu los, laat hem vrij. Hij loopt niet weg, we zijn allebei oud en kunnen de dood niet ontlopen. Bind hem los, Vasja, ik wil hem niet afmaken als een rund aan een touw. Wees maar niet bang,’ richtte hij zich tot de menigte, waar ongeruste stemmen opgingen. ‘Hij doet niemand kwaad.’
De jongen maakte de beer los en liet hem een klein stukje van de wagen vandaan op de grond zitten, plat op zijn zitvlak, met hangende voorpoten. De beer wiegde heen en weer, slaakte diepe zuchten en maakte hese keelgeluiden. Hij was inderdaad heel oud, zijn tanden waren geel, zijn dunne vacht had een rosse tint.
Met zijn ene oogje keek hij zijn oude baas vriendelijk en droevig aan. Doodse stilte heerste. Het enige wat je kon horen, aan het droge klakken van de loop en de holle klap van de laadstok tegen de pen, waren geweren die werden geladen.
‘Geef me m’n geweer,’ zei de oude met vaste stem.
Zijn zoon reikte het hem aan; de oude man drukte het tegen zijn borst en nam nogmaals het woord. Dit keer richtte hij zich tot de beer:
‘Ik ga je doodmaken, Potap. God geve dat mijn hand niet trilt en dat de kogel je recht in je hart treft. Ik wil je geen pijn doen, want dat heb je niet verdiend, ouwe beer van me, goeie vriend van me.
Ik heb je als jong beestje gekregen, je ene oog was uitgestoken en er zat een etterende wond op je snuit van de neusring, je was ziek en zwak. Ik heb je verzorgd en me om je bekommerd als om een zoon, en je werd een grote, sterke beer. Er is in het hele kamp maar één zo’n prachtbeest als jij.
Je werd volwassen maar vergat niet dat ik goed voor je was geweest: geen mens was zo’n dierbare vriend van me als jij. Je was goedhartig en zacht van karakter, je begreep altijd alles, je hebt alles geleerd wat er te leren viel. Nooit heb ik een liever en slimmer dier gezien. Wat zou ik zonder jou zijn geweest? Jij verdiende de kost voor het hele gezin.
Dankzij jou bezit ik twee driespannen en een onderkomen voor de winter. Ja, je hebt nog meer voor me gedaan: dankzij jou had ik het geld om mijn zoon uit het leger te houden. Onze familie is groot, maar jij hebt ons allemaal, jong en oud, gevoed en behoed.
Ik hield heel veel van je en ben nooit hardvochtig tegen je geweest. Als ik jou iets heb misdaan, vergeef me dat dan, ik buig me voor jou ter aarde.’
Hij zakte voor de beer op zijn knieën. Het dier gromde zachtjes en klaaglijk. De oude man snikte het uit, zijn hele lichaam schokte.
‘Toe, vader, schieten,’ zei zijn zoon. ‘Maak het ons niet te moeilijk.’
Ivan kwam overeind. Er stroomden geen tranen meer uit zijn ogen. Hij veegde een dikke grijze haarlok van zijn voorhoofd en ging verder, luid en helder:
‘Nu moet ik je dan doodmaken, ouwe. Ze hebben mij bevolen dat ik jou eigenhandig moet afschieten. Je mag niet langer leven. Zo is dat. Laat God in de hemel over ons mensen oordelen.’
Hij spande de haan en richtte met vaste hand op de borst van het dier, vlak onder de linkerklauw. De beer begreep het. Aan zijn muil ontsnapte een mistroostig, wanhopig gebrul, hij ging languit op zijn achterpoten staan, hief zijn voorpoten omhoog en legde die voor zijn ogen, alsof hij het vreselijke wapen niet wilde zien.
Er ging een gekrijs op onder de zigeuners, een heleboel mensen konden alleen nog maar huilen, en de oude man wierp zijn geweer snikkend op de grond en stortte zich erbovenop, beroofd van al zijn krachten. Zijn zoon probeerde hem op te laten staan; zijn kleinzoon greep het geweer.
‘Afgelopen!’ riep hij met een woeste, overslaande stem en blikkerende ogen. ‘Het is genoeg geweest! Schieten, mannen, het moet!’
Hij rende op de beer af, legde de loop van het geweer tegen een van de oren en schoot. Het dier sloeg om, een levenloze vleesmassa; zijn muil zakte open alsof hij moest geeuwen en alleen zijn klauwen sidderden nog. Overal in het kamp kraakten schoten, die werden overstemd door het uitzinnige geschreeuw van vrouwen en kinderen. Een zuchtje wind blies de rook in de richting van de rivier.
* ‘Hij is losgebroken! Daar gaat-ie!’ werd ergens gegild.
De menigte stoof uiteen als een kudde verschrikte schapen. De politiechef, de dikke Foma Fomitsj, de kleine jongetjes, Leonid en Konstantin, de jongedames - iedereen ging er in paniek vandoor, struikelend over de tenten en zigeunerwagens, over elkaar heen tuimelend, luide kreten slakend.
Olga Pavlovna zou in zwijm zijn gevallen als haar angst haar niet de benodigde kracht had gegeven om met de zoom van haar japon in haar hand over het gras weg te ijlen, zonder te denken aan de verfomfaaide toestand waarin haar kleding verkeerde ten gevolge van de overhaaste vlucht.
De paarden die voor de rijtuigen waren gespannen in afwachting van hun bazen sloegen op hol en stormden alle kanten uit.
Maar al die schrik was zwaar overdreven. Eén van de dieren, een nog jonge donkerbruine beer, was er krankzinnig van angst vandoor gegaan, met een brok van zijn ketting nog om zijn nek; het was verbazend hoe licht hij zich voortbewoog. Alles week voor hem uiteen en hij joeg voort als de wind, recht in de richting van de stad.
Een paar zigeuners holden achter hem aan met een geweer in de hand. De schaarse voet-gangers die zijn pad kruisten drukten zich tegen een muur aan of wisten te ontkomen onder een poort. Luiken werden dichtgegooid; alles wat leefde hield zich schuil en zelfs van de honden was opeens geen spoor meer te bekennen.
De beer galoppeerde langs de kerk, over de hoofdstraat, af en toe opzijduikend, alsof hij een schuilplek zocht - maar hij kon geen kant uit.
Hij rende langs de winkeltjes, waar hij werd onthaald op het overspannen gebrul van winkeliers die hem bang probeerden te maken, en verder, langs de bank, langs het voorbereidend gymnasium en langs de kazerne van de hier gelegerde compagnie, naar de andere kant van de stad, waar hij ten slotte terechtkwam op de weg die naar de rivieroever liep. Daar stond hij eventjes stil.
Zijn achtervolgers waren tijdelijk achteropgeraakt, maar algauw doemden ze weer op. Ook de politiechef en de legercommandant deden nu mee; ze reden voorop in een droschke, het geweer in de hand, met een leger soldaten en zigeuners in draf achter hen aan. Leonid en Konstantin deden ook mee met de achtervolging.
‘Daar heb je hem!’ brulde de majoor. ‘Geef hem van katoen, kom op!’
Er klonken schoten. De beer werd door een van de kogels geraakt en zette het opnieuw op een lopen, nog harder dan eerst, in doodsangst. Ongeveer een kilometer buiten de stad, stroomopwaarts langs de Rochla, de kant uit waar het dier heen rende, staat een grote watermolen die van alle kanten wordt ingesloten door bosachtig, moeilijk begaanbaar gewas; daar zocht de beer zijn toevlucht.
Eerst raakte hij verstrikt in een web van slootjes en dammetjes, zodat hij niet wist hoe hij verder moest. Een wijde watervlakte scheidde hem van de dichte eikenopslag waar hij, zo niet redding, dan toch uitstel van executie had kunnen vinden. Maar hij waagde zich niet in de stroom.
De oeverwal is aan deze kant overwoekerd met een vreemd soort struiken, dat alleen in Zuid-Rusland wordt aangetroffen en boksdoorn wordt genoemd. De lange, taaie en soepele takken vormen een massa waar een mens zich slechts met de grootste moeite een weg doorheen kan banen, maar dicht tegen de grond, bij de wortels, is de begroeiing dunner.
Daar kruipen altijd honden onder die verkoeling zoeken tegen de hitte, waardoor er langzaam maar zeker een heel labyrint van gangetjes en paadjes is ontstaan. Hier hoopte de beer veilig te zijn. Van de bovenste verdieping van de molen zagen de molenknechts hem aan komen hollen. De commissaris gaf bevel het terrein waar het dodelijk vermoeide, zwaar hijgende slachtoffer van de klopjacht zich verschool te omsingelen.
Het ongelukkige dier trok zich diep in het dorenbos terug. Er zat een kogel in zijn dij, en de wond bezorgde hem veel pijn. Hij rolde zich op met zijn snoet tussen zijn poten, onbeweeglijk, verdoofd, uitzinnig van angst en niet in staat zich te verweren. De soldaten schoten op goed geluk tussen de struiken, in de hoop hem te raken, zodat hij zichzelf door zijn gebrul zou verraden, maar hun kogels troffen geen doel.
Hij werd pas laat in de avond gedood, nadat men hem uit zijn schuilplaats had weten te verjagen door het struikgewas in brand te steken. Iedereen die over een geweer beschikte achtte het zijn plicht een kogel in het stervende dier te jagen, en toen zijn huid werd afgestroopt deugde die nergens meer voor.
* Onlangs kwam ik weer eens door Belsk. Er was weinig veranderd, alleen de bank had zijn deuren moeten sluiten, en het voorbereidend gym had de status van volwaardig gymnasium gekregen. De politiechef was wegens zijn kordate aanpak van problemen overgeplaatst naar de gouvernementshoofdstad met de rang van districtscommissaris.
De gebroeders Izotov brulden nog even enthousiast ‘Grand rond!’ en ‘Au rebours!’ en draafden als vanouds door de stad met de laatste nieuwtjes.
De apotheker, Foma Fomitsj, was nog dikker geworden; hoewel hij destijds een voordelig handeltje had afgesloten, toen hij het berenvet dat hij voor veertien kopeke het pond had gekocht bleek te kunnen verkopen voor meer dan het vijfvoudige, wat hem een heel bedrag had opgeleverd, sprak hij nog altijd met de nodige irritatie over de slachtpartij van toen.
‘Ik had het Olga Pavlovna wel gezegd - dat die adonis van haar voor paardendief opgroeide. Had ik geen gelijk? Er was amper een week voorbij of de schurk had mijn grauwtjes ontvoerd.’ ‘Hoe weet u dat hij de dief was?’ vroeg ik.
‘Wie anders? Vorig jaar is hij tot dwangarbeid veroordeeld wegens struikroverij en het stelen van paarden.’ ‘Ik had echt met hem te doen,’ voegde Olga Pavlovna er op droevige toon aan toe.
De arme vrouw was in de afgelopen paar jaar een stuk ouder geworden. Foma Fomitsj vertrouwde mij - strikt in het geheim - toe dat ze wel vier pond berenpommade op haar schedel had gesmeerd, maar dat ze er geen dichtere haardos van had gekregen, integendeel, de haaruitval was alleen nog maar toegenomen. Gelukkig zie je daar dankzij de chignon niets van.
1883
[…] “maar ik overdrijf niet als ik zeg dat ik er al mijn ongelukkige zenuwen bij heb opgebruikt en dat elke letter me een druppel bloed heeft gekost.”
Vsevolod Garsjin in een brief aan een oude legermaat, vertaling Hans Boland.
Vsevolod Garsjin (1855-1888) is een zoon van een Russisch officier en kent al vanaf zijn kinderjaren periodes van extreme levenslust en vrolijkheid die worden gevolgd door ernstige depressiviteit. Garsjins vader wordt op latere leeftijd blijvend krankzinnig, een oudere broer pleegt al jong suïcide. Van zijn moeder erft Garsjin zijn hartstocht voor literatuur.
Na het gymnasium schrijft Garsjin zich met enige tegenzin in voor een studie Mijnbouw. Tijdens zijn studie meldt hij zich als vrijwilliger voor de Russisch-Turkse oorlog van 1877-1878. De oorlog laat diepe sporen na, privé en in zijn werk. Zoals in de schitterende novelle ‘De rode bloem’ (1883), waar de in een gesticht opgenomen hoofdpersoon in zijn medepatiënten gesneuvelde soldaten ziet die weer tot leven komen. Ook het verhaal waarmee Garsjin in 1877 grote bekendheid verwerft, ‘Vier dagen’, gaat over oorlog: de beproeving van een gewonde soldaat in de strijd.
Op 33-jarige leeftijd springt Garsjin in de huurkazerne in Sint Petersburg waar hij met zijn vrouw is gaan wonen, zijn dood tegemoet. Garsjin laat een klein en relatief onbekend oeuvre na van ongeveer 20 verhalen. Maar wat hij schreef, behoort tot het allerbeste van de Russische literatuur. Garsjin wordt beschouwd als voorloper van Anton Tjechov, die bij wijze van in memoriam het verhaal ‘Zwakke zenuwen’ voor hem schreef. Ook Tolstoj en Toergenjev roemen Garsjin als groot schrijver, wiens verhalen getuigen van een zeldzaam diep medelijden met de mensheid.
Reageer