Nieuws
De boekentafel van mei
Er zijn natuurlijk ook mooie en bijzondere boeken uit alle windstreken die wel in het Nederlands verschijnen. In de rubriek ‘De boekentafel’ presenteert schwob.nl regelmatig boeken die net zijn verschenen of die binnenkort in de ramsj verdwijnen.
“De zwarte, absurdistische humor die Obaldia bezigt in De Graf Zeppelin of De lijdensweg van Emile is tegenwoordig nauwelijks meer te vinden in de Franstalige literatuur; film, strip en stand-up comedy zijn inmiddels geschikter voor dit soort humor. Toch lees je ook nu nog het verhaal van Emile, ‘broeder van blunders en mist’, met ongelofelijk veel plezier.” Margot Dijkgraaf, lees hier de hele recensie op haar weblog.
De eerste 50 pagina’s van De Graf Zeppelin of De lijdensweg van Emile verschijnen als feuilleton op schwob.nl. Vertaald door Mirjam de Veth en uitgegeven door Coppens & Frenks. Prijs € 22,- Bestel nu bij Athenaeum boekhandel het boek.
“Wie nadenkt over het mysterie van het vaderschap kan er gek van worden. En als de meeste vaders niet gek worden is dat omdat het dwazen zijn… of omdat ze geen vader zijn.”
Miguel de Unamuno
Zeker, Angélique’s buik werd razend dik. Hij begon eruit te zien als de heteluchtballon die uit Gambetta’s handen glipte zoals afgebeeld in sommige geschiedenisboeken, en al was Émile bijziend, er ontging hem niets van de buitensporige omvang van zijn echtgenote. Iedere nacht drukte de buik - maar was het wel echt een buik? - hem dichter tegen de muur aan. Een snel rekensommetje leerde dat men hem, de té meegaande echtgenoot, op een ochtend geplet tegen het bloemetjesbehang zou aantreffen, als een vlieg. En wie gaat er naar de begrafenis van een vlieg, dacht Émile, die zijn einde zag naderen.
Zeker, aan Angélique’s omstandigheden, die door de omgeving als ‘gezegend’ werden bestempeld, kon ieder moment een einde komen: het was geen waagstuk om te voorspellen dat die duistere chaos in haar schoot vrucht zou dragen. Sommigen zeiden ronduit van Angélique dat ze zwanger was… Maar Émile wist het zo net nog niet. Zijn hele leven (al veertig jaar!) had een innerlijke stem hem gewaarschuwd tegen de uiterlijke schijn. (Zo was hij zelf, Émile, Émile Colinet, in andermans ogen het schoolvoorbeeld van een man die zich ten dienste stelt van plicht, hygiëne en goede zeden…) Zeker, hij moest voortaan rekening houden met de bezetter; er was niet meer alleen Angélique, maar Angélique en de buik. Als deze vertoning nog een tijdje zou duren en hij aan de insectendood die hem bedreigde zou weten te ontkomen, dan zou Angélique degene zijn die er niet meer was: dan had de buik haar verzwolgen. Wanneer hij zou thuiskomen van kantoor, magerder dan Judas Iskariot na de herrijzenis, was Angélique foetsie en zouden de buik en hij met z’n tweetjes zijn.
‘Goedenavond, liefje.’ ‘Goedenavond,’ zou de buik antwoorden.
‘Wat hebben we te eten vanavond?’ Er zou niks te eten zijn. Émile zou boodschappen moeten halen, zich dan de vijf trappen weer op hijsen, aardappels schillen, ze stampen, melk warm maken, huilen bij een ui, een paar wijtingen slachten en dat allemaal onder het toeziend oog van de buik.
Zeker, in dichte duisternis waren er grote veranderingen op til - hij had een hekel aan veranderingen .
Maar om nu te geloven dat uit de buik, uit dat nieuwe Trojaanse paard dat ronddartelde in de twee piepkleine vertrekjes waaruit zijn appartement bestond, een andere Émile of een andere Angélique tevoorschijn zou komen zoals gladde tongen beweerden…! Ach, een ongerijmdheid meer of minder, dacht hij toen de buik hem in het nauw dreef. Is het leven niet rijk aan dergelijke ongerijmdheden? Kun je het niet vergelijken met een vuurwerk van ongerijmdheden waarvan de dood in zekere zin het klapstuk is? En zoals na een verschrikkelijke storm waarin de sleepboten beginnen te loeien en de vissen tegen de sterren slaan, de zee weer zo plat wordt als een pannekoek, zo achtte Émile het heel wel mogelijk dat hij Angélique ineens weer zo dun zou aantreffen als het penseel van de Japanse meester Kataka Yokata.
Intussen bleef de tijd, dat onvermoeibare vadertje, zijn werk doen: de afstand tussen de beide echtelieden werd steeds groter. Als Émile thuiskwam duwde hij heel voorzichtig de deur open; op hetzelfde moment dat de buik vlak voor hem opdoemde vroeg een stem vanuit de andere kamer: ‘Ben jij dat Émile?’ ‘Ja, ik ben het,’ bevestigde hij troosteloos. Wat had hij graag gewild dat het een ander was! (Georges bijvoorbeeld.) Zodra hij binnen was raakte hij bekneld. Bekneld, verkleind, verminkt; hij had te lijden van oververhitte muren en allerlei luchtjes, was gevangen in een verstikkend universum. Onmogelijk vrijuit te bewegen; hij moest zich uitputten in allerlei beleefdheidsbetuigingen wanneer hij dubbelgevouwen probeerde de kast te openen om er zijn spullen in op te bergen. Het zure zweet brak hem uit, zijn hemd plakte tegen zijn huid. De stoom van de aardappels die vlak voor hem op het gasstel stonden te koken joeg de koortshitte in het vertrek nog hoger op. Vanwege de wasem moest hij zijn bril afzetten en hem zorgvuldig droogvegen, hij zag niets meer, en op die duistere momenten werd hij soms overvallen door de zekerheid dat hij zelf in de schoot van Angélique huisde, dat hij zelf die monsterlijke blinde was verscholen in haar buik… Zou hij wachten tot een stroom bloed hem zou bevrijden? ‘We kunnen zo eten,’ zei de buik liefjes.
Op sommige dagen zou hij graag geschoten hebben op die kloppende schietschijf. Dan zou er kermismuziek losbarsten terwijl er allerlei kleine voorwerpen vrolijk in zijn gezicht zouden knallen zoals noga, Russische poppetjes, lolly’s, zaklantaarns, ulevellen, pakjes sigaretten… misschien zelfs wel een kilo suiker.
De buik deed hem soms ook in een flits denken aan een omvangrijke tante uit zijn jeugd, die zich alleen met behulp van krukken voortbewoog. (Waarom niet op stelten, had hij zich afgevraagd.) Ze woonde normaal gesproken in België en God weet waarom was ze met veel bombarie bij zijn ouders neergestreken op een avond van de veertiende juli. De volgende dag, aan tafel, was zijn vader tijdens een venijnige discussie waarvan de redenen hem nog steeds ontgingen zo bleek als een waskaars met een ruk opgestaan en had haar uitgemaakt voor spionne.
Tante Léontine - zo heette ze - had stikkend van woede met haar kruk gezwaaid en geprobeerd daarmee die ‘onbehouwen vlerk’ te meppen. ‘Spionne! Mij voor spionne uitmaken…!’ Hij herinnerde zich de gebroken fles Pommard en de kreet van zijn moeder toen de lamsbout van de schotel wipte en zijn vleugels uitsloeg… Spionne…! Waarschijnlijk maakt een dergelijke omvang iemand verdacht.
En als Angélique nu eens echt zwanger was, vroeg hij zich soms af. Als uit die waanzinnige bolster een ‘nazaat’, zoals de dichters zeggen, tevoorschijn zou komen? Nee, nee! Émile schoof dat absurde idee in zijn hoofd even resoluut terzijde als een terdoodveroordeelde de ochtend van zijn executie.
Angélique had niet het flauwste idee van de gedachten van haar echtgenoot. Wie zou trouwens een vermoeden gehad kunnen hebben van de gedachten van een man die op het eerste oog van geen enkele blijk gaf? Émile werkte bij een Verzekeringsmaatschappij, wat door zijn correcte gedrag, het eeuwige paar handschoenen dat hij in een hand geklemd hield, zijn hoed en zijn plu, zijn boord even smetteloos als zijn manchetten, zijn vest, zijn donkere das met dasspeld en zijn zwarte schoenen, maar al te zeer benadrukt werd. Hij was een verzekeringsman en een man van zekerheden, stomvervelend. Zijn hoge mate van bijziendheid (hij droeg een dubbelfocusbril) droeg eveneens bij tot het scheppen van die dorre sfeer rondom hem.
Wij, die de kop van een vlieg op vijftien pas afstand kunnen onderscheiden, vergeten licht dat de bijziende is uitgesloten van de buitenwereld die onze verhoudingen en onderling verkeer beheerst en dat de directe waarneming van voorwerpen en vormen hem ontgaat. Een dergelijke gesteldheid noopt tot voortdurende, innerlijke waakzaamheid.
Daarom leeft de bijziende altijd op de toppen van zijn qui-vive, op het randje van ieder moment iets onherstelbaars aan te richten. Zijn beste vriend kan op spuug afstand van hem vermoord worden en hij verroert geen vin, terwijl hij zich in de armen van zijn geschrokken vijand werpt om hem te omhelzen. Voor de lantaarnpaal aan de overkant van de straat begint wat hem betreft de Braziliaanse pampa. (Het is bekend dat in oorlogstijd het leger zijn beste deserteurs rekruteert onder bijzienden.) Daarom ziet men bij deze speciale gebrekkige vaak een zekere stijfheid, verlegenheid, geringe spraakzaamheid en dan ineens verbijsterende durf, vrucht van talloze vergissingen.
Men zal misschien gemakkelijker begrijpen hoe weinig vertrouwen Émile, broeder van blunders en mist, had in de uiterlijke schijn, zoals al eerder vermeld. Zijn bijziendheid was naar onze overtuiging minder het gevolg van een pathologische stoornis dan van een diepe geneigdheid van zijn natuur: het schild maakt niet de schildpad, maar dat behoedzame reptiel vormt zelf zijn schild.
Had hij vrienden? Zijn collega’s van de Verzekeringsmaatschappij (op Georges na) mochten hem niet erg. Granier, zijn chef, had een hekel aan hem vanwege zijn volslagen gebrek aan ambitie. Hoe kon die vent tevreden zijn met zo’n mager traktement, geen enkele poging doen om zijn positie te verbeteren, zich uitsloven met slaapwandelaarswerk dat nog beneden de waardigheid zou zijn van het minste mannetje van de meest achterlijke stam in Oceanië? (Hij legde papieren op volgorde, door elkaar, en weer op andere volgorde, worstelde met gekleurde systeemkaarten.) Zwijgzaam doch beleefd, dienstbaar bij gelegenheid (maar hij kreeg de gelegenheid niet) kweet hij zich met een duivelse bescheidenheid van zijn taak.
Allemaal speurden ze bij hem naar een verborgen afwijking, de smet die hem menselijk zou maken. ‘Hij eindigt op het schavot’, had Giraud, een heetgebakerde kale, voorspeld. Maar diens in het oog lopende zwak voor kleine meisjes deed afbreuk aan de kracht van zijn woorden.
Op den duur waren de brave collegae gestopt met hun aanhoudende gespeur en al genoot Émile dan niet hun gunsten, hun onverschilligheid stelde hem in staat te genieten van een vorstelijke rust: zijn stoel werd een troon.
Granier waagde het niet langer om hem, zoals hij in het begin geprobeerd had, langs te sturen bij enkele klanten wier mondelinge toestemming (de verzekering dat ze zich zouden verzekeren) hij al van tevoren had verwor ven, zodat zijn ondergeschikte alleen nog maar handtekeningen hoefde op te halen. Verlangend om al zijn klanten te treffen was Émile met etenstijd hun huis binnengevallen, had de grootmoeder voor de jonge maagd en de weduwe voor de kapitein aangezien, het formulier uitgespreid in de soep, de hond toegesproken, bij het weggaan de wc-deur geopend en meer van dergelijke fratsen. Van die uitputtende tochten had hij alleen de laatste krabbel van een stervende meegebracht die tot zijn laatste snik geloofde in de verhoging van zijn lijfrente.
Maar wat Granier misschien wel het meest horendol maakte was wanneer Émile deed of hij zich voor bepaalde zaken interesseerde. Je zou hebben gezworen dat het hem echt ter harte ging. Wat valt een personeelslid te verwijten die zucht wanneer u zucht, enthousiast is wanneer u enthousiast bent, kwaad wordt wanneer u kwaad wordt, zijn neus snuit wanneer u dat doet, het altijd met u eens is, zich kapot lacht wanneer u zich kapot lacht, kortom die u zo nadoet dat er een moment komt dat u niet meer precies weet wie de een is en wie de ander, maar u zeker weet dat een van beiden (de ander) de boel in de maling neemt en liegt als een verzameling moezjiks ten tijde van de tsaren… Granier had zich even voor de gek laten houden, maar hij had zich vermand, en een bloeddor - stige razernij onderdrukkend beet hij hem steevast toe: ‘Houdt u zich bij uw systeemkaarten, meneer Colinet en… vergeet de doden niet!’ Daarop trok hij zich terug, waarbij hij de deur zo hard achter zich dichtsmeet dat Giraud beweerde dat hij het gebouw aan de overkant zag trillen. Émile keerde terug naar zijn systeemkaarten, naar zijn onkreukbaarheid van het eerste uur, zwijgzaam (doch beleefd), dienstbaar bij gelegenheid…”
René de Obaldia werd in 1918 geboren in Hongkong, zijn vader was een Panamese diplomaat, zijn moeder een Française. Hij groeide op in Parijs. Hij debuteerde in 1949 als dichter, schreef daarna verhalend proza (Tamerlan des coeurs, Fugue à Waterloo, Le Graf Zeppelin ou La Passion d’ Émile, Le Centenaire), en toneel (onder andere Génousie en Du Vent dans les branches de sassafras). Zijn toneelstukken zijn in achtentwintig talen vertaald en worden nog steeds zeer veel gespeeld. Obaldia is sinds 1999 lid van de Académie Française. Al zijn werk is doordrenkt van absurde humor, speelse verbeelding en taalplezier, waarmee de tragiek van het menselijk tekort tegemoet wordt getreden. Voor Le Graf Zeppelin ou La Passion d’Émile ontving Obaldia in 1956 de Grand Prix d’Humour Noir Xavier Forneret.
Reageer