Nieuws
De boekentafel van augustus
Er zijn natuurlijk ook mooie en bijzondere boeken uit alle windstreken die wel in het Nederlands verschijnen. In de rubriek ‘De boekentafel’ presenteert schwob.nl regelmatig boeken die net zijn verschenen of die binnenkort uit de winkels verdwijnen.
De Gezusters Materassi van Aldo Palazzeschi
“De Gezusters Materassi komt traag op gang, maar het geduld van de lezer wordt beloond. Hier is een schrijver aan het werk die tot in de zenuwharen van zijn personages weet door te dringen. Maar hij is bovenal een chirurg van het hart: dit is een diep tragisch liefdesverhaal, verteld door een alwetende verteller die het mededogen en de waarheid perfect doseert. Een vergeten meesterwerk.” - De Morgen
Schwob.nl publiceert in twee delen de pagina’s 93 t/m 100 van de roman Gezusters Materassi van Aldo Palazzeschi, in de vertaling van Anton Haakman, uitgeverij De Bezige Bij, prijs € 24,90 (hardcover). Bestel het boek nu bij boekhandel Huyser.
“Een jongen als de onze kan dit soort vrouwen inderdaad heel wat laten zien.” (pag. 162)
Aflevering 1
De ongehuwde zussen Teresa en Carolina Materassi ontfermen zich over hun armlastige14-jarige neefje Remo, wiens moeder Augusta zojuist is overleden. Remo keert met ze terug naar het dorpje Santa Maria, waar de gezusters samen met Giselda (zus nummer vier) en dienstmeid Niobe al sinds jaar en dag wonen.
Bij hun aankomst in Santa Maria, tot grote vreugde van de tantes die de jongen een eindeloos aantal dingen wilden tonen, deed Remo niets dan kijken.
Hij zei weinig, en daar waren de vrouwen niet zo blij mee, want ze hadden een hartelijker reactie van hem verwacht. Ze hadden gewild dat hij grote blijdschap en terechte trots zou uiten bij het zien van dingen die wel aangenaam voor hem moesten zijn en die in zekere zin van hem zouden zijn.
Maar zijn verlegenheid en vooral zijn verdriet verhinderden hem natuurlijk hartelijk te reageren en zijn gevoelens, zijn jeugdige enthousiasme de vrije loop te laten. Ze weten het helemaal aan zijn verlegenheid en zijn verdriet: die verlegenheid zou geleidelijk afnemen en het verdriet zou worden verzacht door de natuurlijke loop van het leven en de omstandigheden.
En ze deden hun best om op alle manieren te zorgen dat het zo spoedig mogelijk zou overgaan, waarbij ze wel zijn heilige gevoelens respecteerden.
Remo zei weinig en keek veel, terwijl om hem heen de eindeloze verhalen over de befaamde reis tot in details werden verteld, de achtenveertig tunnels, ‘vier uur onder de grond!’ En steeds met dat goed voorstelbare, beklemmende gevoel in de maag dat ze het licht van de Heer niet meer zouden terugzien.
Het overstappen in Faenza, met de angst dat ze de verkeerde trein zouden nemen en wie weet waar terecht zouden komen; hoe vaak hadden ze niet in paniek gevraagd: ‘Is dit de trein naar Florence? Is dit hem echt? Gaat deze werkelijk naar Florence?’ Totdat het toetertje van de hoofdconducteur had geklonken en de trein in beweging was gekomen om nog eens die infernale tunnels in te gaan.
Hun aankomst in Ancona, met dat zo bijtende, vijandige ‘in’ ervoor, zo antipathiek en onbeschaafd: de vochtige, koude nacht, de pikzwarte zee met zijn geraas waar je kippenvel van kreeg: de catastrofe.
Na vier en een half jaar en in nog veel meer kleuren en geuren, werd in Santa Maria de kroniek van hun reis naar Rome herhaald: het bezoek aan Zijne Heiligheid, met die viespeuk van een Messalina en de vestaalse maagden die zich vermaakten bij het toekijken hoe de christenen werden verscheurd door de wilde dieren; ‘Voor iedereen, voor iedereen.’
Bij deze nieuwe, zeg maar fatale reis was hun een ander tweemaal herhaald woord in de geest en het hart gedrukt: ‘Remo, Remo.’ De liefkozing van de heilige grijsaard, de wanhopige handdruk van de stervende zuster.
Ter wille van de goede naam van de familie verzachtten ze de ellendige omstandigheden waarin ze de arme vrouw hadden aangetroffen: ‘Ze woonde in een klein huisje… in een mooi klein huisje…’, maar ze wisten heel goed hoe dat zo lieflijke huisje in werkelijkheid was; ze schreven het trieste karakter ervan toe aan de treurige, bijna barbaarse omgeving, en aan de dood.
Tegen Giselda, tegen Niobe, ja zelfs tegen de boeren, tegen alle buren die waren toegestroomd om het nieuws te horen over de arme Augusta, die de ouderen en haar leeftijdgenoten zich goed herinnerden, praatten ze over haar uiterlijk, haar karakter, en daarbij riepen ze haar gelaat in de herinnering en hemelden ze haar goedheid op, haar ware, daadwerkelijke goedheid, die nu, na haar dood, tot onbereikbare toppen steeg: haar berusting in haar lot vol tegenslagen, de zwaarmoedigheid die uit haar gelaat sprak, alsof al bij haar geboorte haar bittere vonnis op haar voorhoofd was geschreven.
De jongeren, de jongsten die zich haar niet herinnerden of haar niet hadden gekend, de kinderen, raakten onder de indruk toen ze hoorden spreken over een hemelse figuur, een heilige in het paradijs, of een martelares; er kwam geen einde aan de zuchten, de herinneringen, de smeekbeden, de ten hemel geslagen ogen, de ineengeslagen handen.
Zo gaat het altijd, ook voor degenen aan wie niemand zich tijdens hun leven zich iets gelegen had laten liggen is er een beetje aandacht in het uur van de dood; zelfs als een hond niet de moeite had genomen hen te groeten met zijn staart, nam iedereen vol respect zijn hoed af wanneer ze met de voeten naar voren voorbijkwamen.
Maar laten we niet wegzakken in dit drijfzand. Allen kwamen toegestroomd om het te horen, om Remo te zien, de zoon van de heilige, de martelares, om te zien wat er op aarde was achtergebleven van zoveel hemelse deugdzaamheid, van al haar goddelijke goedheid.
Uit een gevoel van plicht als gasten en respect voor de overledene, en vanwege de goede banden die ze hadden met de gezusters, voelden ze zich sterk geneigd tot sympathie voor de jongen en daarna voelden ze zich verward en afgewezen omdat hij hun warme hartelijkheid, de uitingen van medeleven en genegenheid waarmee ze hem overvielen, niet met warmte beantwoordde, want hij keek met perfecte kalmte, zonder ook maar in het minst van zijn stuk te raken, naar dat spontane gebaar dat alle jonge en oudere vrouwen uit het gehucht tegenover hem maakten, en doordat ze verkilden door zijn houding observeerden ze hem uiteindelijk verbijsterd, gefascineerd, terwijl hun woorden wegstierven op hun lippen, zodat ze hun stortvloed omleidden naar de tantes vanwege het goede werk dat zij deden, waarvoor de Heer hen op aarde en in de hemel zou belonen, maar vooral in de hemel, doordat ze hun huis openstelden voor de wees die, hoe sterk hij er ook uitzag, toch nog zoveel zorg nodig had en vooral leiding, en waakzame liefde; hij was toch juist op de leeftijd waarbij waakzaamheid en liefde van dierbaren noodzakelijk waren;
en zij verheugden zich omdat hij daar alles zou vinden, alles zoals in het meest liefhebbende gezin; ze verheugden zich samen met de weldoensters omdat ze zich niet konden verheugen met de begunstigde, hoezeer ze dat ook hadden gewild, want hij was niet in staat een bevredigend antwoord te geven op al dat geven en nemen.
Een enkeling mompelde sluw en huichelachtig dat voor de twee gezusters dit goede werk net zo groot was als de opoffering die ze zich moesten getroosten klein was; en anderen voegden er met een knipoog aan toe dat in het huis van de Materassi’s één mond meer voeden een peulenschil was.
Weer anderen riepen op geheimzinnige, plechtige toon: ‘Ze zitten er mooi mee opgescheept. Ze zitten er hier mee opgescheept.’ Waarmee ze wilden zeggen dat alle rampen daar belandden, op die schouders: ‘Wat een vrouwen!’
Jarenlang hadden ze hun arme, zieke vader onderhouden, ze hadden hun zuster en hun moeder onderhouden, ze hadden het familiebezit terugveroverd, en hun zus was na vijf jaar huwelijk teruggekomen: ‘Altijd hierheen, al die monden om te voeden, allemaal op die schouders. Ze zitten hier voorgoed met hem opgescheept!’
En ten slotte was de enige persoon die hun nooit tot last had willen zijn jong gestorven en had als erfenis een jongen nagelaten om te eten te geven: ‘Ze zitten met hem opgescheept! Het is hun noodlot. Ze zitten voorgoed met hem opgescheept!’
Die bijzondere vrouwen hadden alles aangekund: ‘Wat een vrouwen!’ Ze hadden alle tegenslagen het hoofd geboden, alle ongeluk, en ze hadden alle schulden betaald: ‘Wat een vrouwen!’
Aflevering 2
Remo zei weinig, en hoe verhitter het gekwetter om hem heen werd, des te minder zei hij terwijl hij dat alles aanzag; hij keek veel en luisterde naar alles zonder zijn bedaardheid en kalmte kwijt te raken; zelfs wanneer er reden was geweest om die te verliezen, had hij dat nog duidelijker laten merken.
Hij bleef Olympisch gereserveerd zonder zich te mengen in het gekwebbel, in wat het hele dorp te vertellen had, en wist er door een vroeg ontwikkeld mannelijk gevoel voor te zorgen dat niemand vat op hem kon krijgen; hij mengde zich er niet in en trok zich evenmin terug, hij observeerde zwijgend en hield met natuurlijke charme zijn gedachten voor zich.
En de anderen, die niet meer wisten wat voor vlees ze in de kuip hadden, verklaarden dat ze hem in zijn verlegenheid en gereserveerdheid niet wilden kwetsen, het verdriet niet wilden verstoren waarvan hij - zo meenden ze - doordrongen was, en boordevol vervuld: ‘Groot verdriet is stom,’ had een enkeling wijs geopperd, en anderen hadden met apocalyptische stemmen besloten: ‘Het enige verdriet dat groter is dan dat van de zoon om zijn moeder is dat van de moeder om haar zoon.’
Hij wist zo welopgevoed te blijven dat hij zelfs geen behoefte toonde aan bepaalde gebruikelijke, korte contacten waar mannen vanaf jonge leeftijd hun toevlucht toe nemen wanneer ze horen dat hun rampen te wachten staan of hun eigen leven op het spel staat; net als de rest van zijn lichaam hield hij ook zijn handen in bedwang, en allen gingen hem aanstaren en bestuderen terwijl ze zich almaar afvroegen wat voor dier hij was, en of hij werkelijk leek op zijn moeder:
‘Arme Augusta. Ach! Ach!’, en in welk opzicht; en toen ze elk deel van zijn lichaam hadden geïnspecteerd besloten allen behalve degenen die in staat waren te ontdekken dat een rups op een stier leek, dat alleen zijn karakter leek op dan van zijn moeder, ja, op dat gereserveerde, gesloten, kalme, verlegen karakter…
En om die hypothetische affiniteiten te bevestigen, was de jongen daar zelf, want geen kletspraat, hoe onzinnig of intrigerend ook, kon zijn voorbeeldige houding veranderen, waarmee hij aantoonde hoe weinig effect lichte briesjes zouden hebben op een toren.
Maar zijn tantes observeerden hem uit vrees dat hij zich verloren zou voelen in een nieuwe omgeving, te midden van onbekende mensen: dat hij zich schaamde en leed, dat hij zich niet goed voelde en zich niet durfde uitspreken; en omdat ze meenden dat ze zijn verlangens aan zijn blikken aflazen, gaven ze hem inlichting op inlichting.
Wie die vrouw was of die man, wiens dochter, zoon, schoonvader, schoondochter, neef of moeder dat was; hoeveel kinderen hij had, welk beroep hij uitoefende, en dat alles om te zorgen dat hij de situatie meester bleef en zich thuis voelde.
Hij bekeek de dingen met evenveel belangstelling als de mensen: deuren, ramen, planten, en alles zonder merkbare nieuwsgierigheid; hij keek zoals iemand kijkt die aan het tellen of meten is.
Alleen de borduurramen van zijn tantes wekten zijn kinderlijke nieuwsgierigheid, en hij glimlachte er zichtbaar om: dingen die hem bizar leken en hem tegelijk bevielen; en toen de vrouwen er heel anders uitzagen dan in de trein en in hun witte schort en met hun bril met dikke glazen van de ochtend tot de avond gebogen zaten over de borduurramen en geheel opgingen in het maken van hemden en directoires voor dames, van combinations en onderjurken, bekeek hij ze als twee zeldzame dieren.
Zijn nieuwsgierigheid, die kinderlijk leek, verborg er een die veel dieper ging en nog niet geheel gevormd was in zijn adolescente geest. Wanneer hij in die kamer was met alleen zijn tantes en Niobe, keek hij half dromerig, half tevreden om zich heen als iemand die uit de hemel is gevallen en weer bij bewustzijn en op krachten komt en merkt dat hij goed is terechtgekomen tussen dat bijna mysterieuze en bijna geheime damesondergoed waar de kamer boordevol van was. Hij voelde dat hij zacht was neergekomen en was er inwendig tevreden over.
De belangstelling waarmee hij de dingen op de tafels bekeek of volgde hoe ze bewerkt werden bracht de twee vrouwen, die één geheel waren met die groteske apparaten, een beetje af van hun discipline: het leidde ze af, ze moesten erom lachen en het bracht hen voor het eerst uit hun concentratie.
Hij boog zich voorover achter hun rug om het ontwerp te zien, het borduursel te raden, en als ze voelden dat hun hals en hun gelaat licht werden beroerd door die frisse, jeugdige, naar fruit geurende adem, ervoeren ze een onbekend en onverwacht soort welbehagen dat een kortstondig soort verdoving, een lichte duizeling teweegbracht.
Op een dag maakte Remo een gebaar dat zo onthullend was dat het hen meer in verwarring bracht dan woorden hadden gekund: hij pakte van de tafel een roze directoire, die gereed was en klaarlag om te worden gestreken, en hield die zo omhoog tussen zijn vingers dat het leek alsof hij hem aan de wereld wilde tonen.
Dat beviel de vrouwen zozeer dat ze ophielden met werken en hun buik vasthielden van het lachen. Bezien door andere ogen en in die handen werd het ook voor hen iets nieuws, alsof ze de dingen die ze schiepen en waarmee ze omringd waren voor het eerst zagen.
Carolina, die droop van de draden, zette haar borduurraam op de grond en probeerde de broek uit zijn handen te trekken, maar de jongen wist haar op het moment dat ze hem wilde vangen heel handig te ontsnappen om in een ander deel van de kamer te gaan staan met de uitgespreide directoire; en hij liet haar om de tafel heen hollen totdat hij, moegespeeld, hem uit zichzelf weer neerlegde.
Carolina sloeg in een aandrang van tederheid haar armen om zijn hals en kuste hem net als in de trein, en daarna trok ze zich in verwarring terug. Remo reageerde niet met een snelle, frisse kus, en liet zich ook niet kussen op de afwezige, vluchtige wijze van jongens die je argeloos hun frisheid en onschuld gunnen, maar gaf zijn mond aan haar over en maakte geen aanstalten die terug te trekken, alsof hij haar een ding om te zoenen had gegeven en niet een deel van zichzelf.
Dit onbekende, vreemde gevoel dwong haar om hem te omhelzen en zich daarna terug te trekken in nog veel meer verwarring dan als hij haar had teruggekust.
Teresa, die zag dat er een herhaling plaatsvond van wat er in de trein had plaatsgevonden, hield op met lachen en begon geërgerd en ongeduldig met haar voeten te stampen, alsof de varkensverkopers nog steeds toekeken.
Ze kon voor zichzelf niet verklaren waarom die liefdevolle daad haar zo stoorde, die zo hoffelijk en onschuldig was en die voor iedere willekeurige moeder een dagelijkse gewoonte was die altijd uitdrukking gaf aan de liefde van moeder en zoon. Mocht een tante van vijftig die de moederrol op zich moest nemen haar neefje dan niet kussen dat nog kon worden beschouwd als een kind?
Aldo Palazzeschi (pseudoniem van Aldo Giurlani, 1885-1974) behoorde tot een welgestelde, bourgeois familie in Florence. Hij begon zijn literaire loopbaan als dichter na een studie boekhouding en handel. Op zoek naar nieuwe vormen flirtte hij kortstondig met het ‘futurisme’, een stroming die snelheid, strijd en techniek in de kunst introduceerde. Zijn romans en korte verhalen zijn traditioneler en doordrenkt van ironie. Gezusters Materassi (1934) is een van zijn belangrijkste werken en toont het falen van de burgerlijke moraal. Palazzeschi stierf in 1974 op hoge leeftijd in zijn appartement in Rome. Tegenwoordig wordt Palazzeschi gezien als een van de grootste Italiaanse auteurs van de twintigste eeuw. Zijn boeken zijn veelvuldig vertaald, verfilmd en tot toneelstukken bewerkt.
Reageer