schwob_logo

marcel
actie
James Baldwin - Als Beale Street kon praten

2018 | De Geus | € 22,50 | paperback, 330 blz. | vertaald door Harm Damsma

James Baldwin

Als Beale Street kon praten (De Geus)

Boek

Harlem, begin jaren zeventig, de tijd van Aretha Franklin en Ray Charles. De 19-jarige Tish is zwanger van haar grote liefde Fonny, een jonge beeldhouwer. Hij zit vast, beschuldigd van een verkrachting, ingerekend door een racistische agent. Terwijl hun beider families hun best doen om Fonny’s naam te zuiveren, wordt het jonge paar heen en weer geslingerd tussen hoop en wanhoop. Een liefdesverhaal als de blues, gepassioneerd, melancholiek en onvergetelijk.

Biografie

James Baldwin

Het werk van James Baldwin (1924-1987), Amerikaans intellectueel, schrijver, stem van de civil rights movement, staat wereldwijd enorm in de belangstelling. Meer dan dertig jaar na zijn dood zijn de onderwerpen waarover hij schreef – ras, seksualiteit, religie – onverminderd actueel, en zien we pas goed hoezeer hij zijn tijd vooruit was. Bij De Geus verschijnen daarom nieuwe vertalingen van zijn boeken, te beginnen met Niet door water, maar door vuur en Als Beale Street kon praten.

Vertaler

Harm Damsma is van huis uit neerlandicus en onderwijskundige. In 1986 besloot hij vertaalwetenschap te gaan studeren, waarna hij 10 jaar als docent vertalen Engels-Nederlands aan de UvA werkte. Sinds 2000 is hij fulltime literair vertaler. Daarbij vormt hij een vast koppel met Niek Miedema. Recente publicaties: De wichelroedelopers van Rick Moody en Ivanhoe van sir Walter Scott.

Fragment

Ik bekijk mezelf in de spiegel. Ik weet dat ik destijds ‘Clementine’ ben genoemd, en dus zou het logisch zijn als ze Clem tegen me zeiden, of gewoon Clementine, want ja, zo heet ik nou eenmaal, maar dat doen ze niet. Ze zeggen Tish. En och, dat is ook eigenlijk best logisch. Ik ben moe, en begin zo langzamerhand te denken dat alles wat er gebeurt eigenlijk best logisch is. Want ja, als het niet logisch was zou het ook niet gebeuren, toch? Maar dat is echt een afschuwelijke gedachte. Die alleen maar kan voortkomen uit narigheid – narigheid die volstrekt onlogisch is.

Vandaag ben ik Fonny wezen opzoeken. Hij heet ook niet zo, hij is destijds ‘Alonzo’ genoemd, en dus zou het logisch zijn als ze Lonnie tegen hem zeiden. Maar nee, we hebben altijd Fonny tegen hem gezegd. Alonzo Hunt, zo heet hij voluit. Ik ken hem al mijn hele leven, en ik hoop dat ik hem nog heel lang zal blijven kennen. Maar ik zeg alleen Alonzo als ik echt iets kloterigs tegen hem moet zeggen.

Vandaag zei ik: ‘Alonzo?’

Hij keek me aan met die prikkelende blik die hij me toewerpt wanneer ik hem bij zijn echte naam noem.

Hij zit in de gevangenis. En dus zat ik, in de ruimte waar we elkaar spraken, op een bank achter een tafel, en hij ook op een bank achter een tafel, en keken we elkaar aan door de glazen afscheidingswand tussen ons in. Je hoort echt helemaal niks door dat glas heen, en dus moet je je behelpen met zo’n microfoontje. Daar moet je in praten. Ik weet niet waarom iedereen altijd omlaagkijkt wanneer hij in dat microfoontje praat, maar dat doet iedereen. Je moet jezelf er echt toe dwingen om recht vooruit te kijken naar degene met wie je praat.

Ik dwing mezelf daar tegenwoordig altijd toe, omdat hij in de bak zit en ik dol ben op z’n ogen, en omdat ik elke keer dat ik hem zie bang ben dat ik hem nooit meer terug zal zien. En dus pak ik zodra ik daar ben dat microfoontje en blijf ik de hele tijd naar hem kijken.

Dus toen ik ‘Alonzo?’ zei, keek hij eerst omlaag, maar daarna recht vooruit, terwijl hij afwachtend naar me lachte, met het microfoontje in de aanslag. Ik hoop dat niemand ooit door zo’n glazen scheidingswand heen heeft hoeven te kijken naar iemand van wie hij hield.

En ik zei het niet op de manier waarop ik het had wíllen zeggen. Ik had het heel nonchalant willen zeggen, zodat hij niet te veel zou schrikken, zodat hij zou snappen dat ik het niet verwijtend bedoelde. Want zie je, ik ken ’m. Hij is heel trots en zit de hele tijd maar te piekeren, en dát is, als ik er goed over nadenk, de belangrijkste reden dat hij in de bak zit, al beseft hij dat zelf niet. Hij zit dus al genoeg te piekeren, en ik wou niet dat hij zich ook nog eens zorgen ging maken om mij. Eigenlijk wou ik dus helemaal niet zeggen wat ik te zeggen had.

Maar ik wist dat ik het moest zeggen. Hij hoorde het te weten.

Bovendien dacht ik dat hij, als hij zich maar eenmaal over zijn bezorgdheid heen had gezet, als hij ’s avonds op z’n brits lag, als hij helemaal alleen was, misschien wel blij zou zijn bij de gedachte. En dat het hem zou helpen.

Ik zei: ‘Alonzo, we krijgen een baby.’

Ik keek hem aan. Ik weet dat ik naar hem lachte. Maar het was alsof hij een plets water in zijn gezicht kreeg. Ik kon hem niet aanraken. Ik wilde hem aanraken. Ik lachte opnieuw, en mijn handen werden klam om het microfoontje, en toen zag ik hem even niet en schudde ik mijn hoofd, en mijn gezicht was klam en ik zei: ‘Ik ben er blij om. Ik ben er blij om. Maak je geen zorgen. Ik ben er blij om.’ Maar hij was ineens heel ver weg, helemaal alleen. Ik wachtte tot hij weer terug zou komen. Ik zag het in een flits op z’n gezicht afgetekend: is het wel van mij? Ik wist dat die gedachte bij hem zou opkomen. Waarmee ik niet wil zeggen dat hij aan mij twijfelde; elke man denkt nu eenmaal zo. En die paar tellen dat hij daar helemaal alleen zat, ver weg van mij, was de baby het enige in de wereld wat echt was, echter dan de bajes, echter dan ikzelf. Voor alle duidelijkheid: wij zijn niet getrouwd. Dat weegt voor hem zwaarder dan voor mij, maar ik snap wel waarom. We hadden trouwplannen, maar ja, toen belandde hij in de lik.

Fonny is tweeëntwintig. Ik ben negentien.

En ja, toen stelde hij de belachelijke vraag: ‘Weet je ’t zeker?’

‘Nee, natuurlijk niet. Ik wou je alleen een beetje stangen.’

Hij grinnikte. Hij grinnikte omdat hij het toen zeker wist.

‘Wat moeten we nou?’ vroeg hij, als een klein kind.

‘Nou, we gaan het in elk geval niet verzuipen. Dus zit d’r niks anders op dan dat we ’t groot gaan brengen.’

Fonny wierp zijn hoofd achterover en lachte. Hij lachte tot de tranen hem over de wangen liepen. Toen wist ik in elk geval dat het met het eerste waar ik bang voor was geweest wel goed zat.

‘Heb je het Frank al verteld?’ vroeg hij. Frank is zijn vader.

Ik zei: ‘Nee, nog niet.’

‘En jouw ouders? Heb je ’t hun wel verteld?’ ‘Nee, ook nog niet. Maar zit daar maar niet over

in. Ik wilde het gewoon het eerst aan jou vertellen.’ ‘Ja’, zei hij. ‘Dat snap ik. Jeetje, een baby.’

Hij keek me aan, en daarna weer omlaag. ‘Maar goed, wat ga je nu doen?’

‘Gewoon wat ik altijd heb gedaan. Ik blijf werken tot aan de laatste maand. En dan nemen mama en Zus de zorg voor mij op zich. Maak je maar geen zorgen. En trouwens, tegen die tijd ben jij alweer op vrije voeten.’

‘Zeker weten?’ Dat kleine lachje van hem. ‘Tuurlijk. Wat dacht je dan?’

Ik weet wat hij dacht, maar daar mag ik niet bij stilstaan. Niet nu, nu ik hem recht aan zit te kijken. Nu moet ik zeker van mijn zaak zijn.

Op dat moment dook de bewaker achter Fonny op, wat betekende dat het tijd was om op te stappen. Fonny lachte en stak zoals altijd zijn vuist in de lucht, en toen ik mijn vuist ook in de lucht stak, stond hij op. Elke keer dat ik hem hier zie, verrast het me weer dat hij zo lang is. Maar goed, hij is natuurlijk nogal afgevallen, misschien dat hij daardoor langer lijkt.

Hij draaide zich om en liep weg door de deur, waarna de deur zich achter hem sloot.

Reacties

‘Een ontroerend, pijnlijk verhaal, zo levendig en menselijk, zo duidelijk voortkomend uit de werkelijkheid, dat het tijdloos wordt.’ – Joyce Carol Oates in The New York Times

‘Een van de beste boeken die Baldwin ooit heeft geschreven. Misschien wel het allerbeste.’ – Philadelphia Enquirer