schwob_logo

marcel
actie
Christiane Ritter - Een vrouw in de poolnacht

2018 | Querido Fosfor | € 20,00 | paperback, 224 blz. | vertaald door Elly Schippers

Christiane Ritter

Een vrouw in de poolnacht (Querido Fosfor)

Boek

Een niet eerder in het Nederlands vertaalde klassieker over de schoonheid en kwetsbaarheid van de Noordpool, geschreven door een vrouw die de sociale conventies van haar tijd trotseerde.

In de zomer van 1934 reist Christiane Ritter haar man, die onderzoeker is, achterna naar de Noordpool. Het is hun grote droom: ze wonen een jaar lang in een primitieve hut op de afgelegen noordelijkste punt van Spitsbergen, bijgestaan door Karl, een Noorse jager. Ze hebben geen technische hulpmiddelen: behalve de natuur en de leegte is er niets. Tijdens de maanden durende poolnacht, als de mannen lange periodes weg zijn voor de jacht, komt Christiane de hut alleen uit om die na een sneeuwstorm uit te graven.

In dit reisverhaal beschrijft ze aanstekelijk hoe ze standhield in de ijzige kou en begon te houden van de overweldigende natuur en de ontzaglijke stilte – ver, ver weg van de westerse wereld.

Biografie

Christiane Ritter

De Oostenrijkse Christiane Ritter (1897-2000) is de eerste Europese vrouw die overwintert op het noordelijkste puntje van de wereld. In 1934 volgde ze haar man, de onderzoeker Herman Ritter, naar Spitsbergen. Haar dagboek is een non-fictieklassieker geworden dat sinds zijn verschijning in 1938 in Duitsland altijd leverbaar is geweest en in diverse vertalingen een half miljoen lezers heeft bereikt.

 

Vertaler

Elly Schippers (1945) is literair vertaalster uit het Duits. Daarnaast is ze docente aan de Vertalersvakschool in Amsterdam en begeleidt ze beginnende literair vertalers. Ze studeerde Duitse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en legde zich al vroeg toe op het vertalen van Duitse literatuur. Ze vertaalde werk van onder anderen Elias Canetti, Jenny Erpenbeck, Charles Lewinksy, Joseph Roth, Arthur Schnitzler. Ze was ook werkzaam als redacteur van Nederlandstalige auteurs en verzorgde vele jaren de eindredactie van het literaire tijdschrift Deus ex Machina.

Fragment

Mijn man droomde er altijd al van om in een hut op de Noordpool te wonen. Als we in ons huis in Europa een probleem hadden, kortsluiting, een gesprongen leiding, of als de huur werd verhoogd, zei hij steevast dat zoiets in een hut op de Noordpool nooit gebeurde.

Op een dag bleef hij na een wetenschappelijke expeditie op Spitsbergen, viste met zijn kotter op de ijszeeën, en als ’s winters alles bevroren was, joeg hij op het vasteland op pelsdieren. Er kwamen brieven en telegrammen uit het Hoge Noorden: ‘Laat de boel de boel en kom ook naar de Noordpool.’

Maar zoals voor alle Midden-Europeanen stond de Noordpool voor mij gelijk met kou lijden en je eenzaam voelen. Ik ging dus niet meteen.

Gaandeweg begonnen de dagboeken die in de zomer uit het Hoge Noorden kwamen me echter te fascineren. Ze vertelden over reizen op het water en over het ijs, over de dieren en de bekoring van de wildernis, over het wonderlijke licht dat in de verlatenheid van de poolnacht op het landschap viel en op jou als mens. In de aantekeningen was bijna nooit sprake van kou en duisternis, van storm en ontberingen.

Ik zag de kleine winterhut in een steeds vriendelijker licht. Als huisvrouw hoefde je de gevaarlijke tochten ’s winters tenslotte niet mee te maken. Je kon in de hut bij de warme kachel blijven zitten, sokken breien, vanachter de ramen het landschap schilderen, ver van het werelds gewoel dikke boeken lezen en niet in de laatste plaats uitslapen zo lang je wilde.

Mijn besluit om een overwintering te wagen begon te rijpen. Ik trof uitgebreide voorbereidingen, want ik wilde goed bepakt voet op de Noordpool zetten, als het ware vanuit een warme bioscoopstoel alle gebeurtenissen en de onbekende schoonheid van de poolnacht aan me voorbij laten trekken. Moeders, oma’s en tantes breiden warme kleren, vaders, ooms en broers schonken me de nieuwste verwarmingsapparatuur. Wel kreeg ik steeds weer te horen dat het volslagen idioot was om als vrouw naar de Noordpool te gaan.

Toen werd het voorjaar en kwam er opnieuw een brief van mijn man:

 

Ik hoop dat je doet wat je beloofd hebt en dit jaar komt. Ik heb voor de komende winter een kleine hut aan de noordkust van Spitsbergen gehuurd. Die schijnt goed en stevig gebouwd te zijn. Al te eenzaam zal het niet voor je worden, want in de noordwesthoek van de kust, ongeveer 90 kilometer verderop, woont nog een jager, een oude Zweed. Hem kunnen we in het voorjaar, als het licht terugkomt en de zee en de fjorden dichtgevroren zijn, een keer gaan opzoeken.

Behalve je skischoenen hoef je niets mee te nemen. Een skiuitrusting is er nog van een vorige kameraad. Ik zorg voor proviand en wat er verder allemaal nodig is voor een overwintering. Neem vooral niet meer mee dan je zelf in een rugzak kunt dragen. Er doet zich een gunstige gelegenheid voor om op onze plaats van bestemming te komen. We roeien met jager Nøis vanuit de Adventfjord dwars over de Isfjord. Hij wil ons dan met zijn hondenslee nog over de gletsjers brengen, daarna gaan we alleen verder, door de Wijdefjord, almaar rechtdoor. We moeten wel een paar gletsjerrivieren oversteken. In een dag of veertien kunnen we bij onze hut aan de noordkust zijn.

Telegrafeer onmiddellijk met welk schip je komt. Ik laat je dan later, wanneer je aan boord bent, weten waar je aan land moet gaan.

 

P.S. Als je nog plaats in je rugzak hebt, breng dan naalden mee en genoeg tandpasta voor twee man voor een heel jaar.

 

Een paar uur nadat die brief kwam, had ik een passagebiljet gekocht en mijn man de naam en de vertrektijd van mijn schip getelegrafeerd. Daarna drong het pas goed tot me door dat ik geen bagage mee mocht nemen. Wat had ik niet allemaal klaargelegd? Behalve een veren dekbed en kruiken ook boeken en schriften, een tekendoos en films, bakpoeder en allerlei kruiden, garen en stopwol. Wat zou ik niet allemaal nodig hebben gedurende een jaar in de Arctische wildernis bij een man die de afgelopen jaren god mag weten hoezeer verwilderd was...

En waarom moest hij juist de noordkust als overwinteringsplaats kiezen? Uitgerekend de kust die bij mijn weten bijna het hele jaar door drijfijs werd ingesloten, voor schepen moeilijk toegankelijk was en zo’n 250 kilometer van de laatste menselijke nederzetting lag, aan de andere kant van de gletsjers en fjorden?

Met een bezwaard gemoed stopte ik het meest noodzakelijke in een rugzak. De reusachtige stapel die overbleef, deed ik in oude koffers en plunjezakken en... nam ik ook mee. Mochten mijn spullen niet door een gelukkige samenloop van omstandigheden op de plaats van bestemming komen, dan moesten ze na de ontscheping maar aan een eenzame kust van Spitsbergen blijven staan.

Het was een snikhete dag in juli toen ik in skipak en op spijkerschoenen, met een torenhoge rugzak op mijn rug, bij ons stationnetje stond, omringd door afscheidnemende ouders, broers en zussen, kokkin, tuinman en wasvrouw. Allemaal schudden ze nog steeds hun hoofd over het waagstuk, maar ze stopten toch kleine pakjes in mijn zakken, verschillende onmisbare kleinigheden voor de Noordpool, zeiden ze, die ik per se moest meenemen en pas op het schip mocht bekijken.

‘En als de kachel in de jagershut het niet goed doet, kom dan met het laatste schip in de herfst weer terug,’ riep mijn bezorgde mama toen de trein zich al in beweging zette.

 

[…]

 

Ik ben alleen in het razende trommelvuur van een orkaan. Ik geloof dat zoiets in de Arctische literatuur ‘blizzard’ wordt genoemd. In elk geval heb ik iets dergelijks in Europa nooit meegemaakt. Binnen in de hut klinkt het alsof je constant in sneltreinvaart over ijzeren bruggen en door galmende tunnels rijdt waar geen eind aan komt.

Negen dagen en negen nachten raast de storm aan één stuk door. En wat het ergste is: de mannen zijn op pad. Een paar uur nadat ze waren vertrokken, barstte de storm los.

Oorspronkelijk was het de bedoeling dat een van de mannen bij me zou blijven, juist vanwege de kans dat het een hele tijd zou gaan stormen. Maar ik heb het nadrukkelijk afgewezen. Ik wist dat ze met z’n tweeën vlugger op zouden schieten met het werk in het jachtterrein.

Ik was net wakker toen mijn man door de deur naar binnen riep: ‘We gaan! We kunnen niet meer wachten tot het beter weer wordt. Over dertien dagen hopen we terug te zijn. Maak je geen zorgen als we langer wegblijven. En als in de tussentijd het pakijs komt en een beer de hut nadert, dan kun je hem het beste in zijn borst schieten, en ook al lijkt hij dood, schiet hem dan voor de zekerheid nog een keer door zijn kop. Patronen hebben we voor je op tafel gelegd. En goed stoken zodat de vossenhuiden gaan zweten, en vergeet niet de temperatuur af te lezen.’

En weg waren ze. Ik hoorde alleen nog een paar langgerekte skibewegingen toen ze zich van de hut verwijderden. Daarna was het stil. Buiten was het nog schemerig en grijs. Dikke vlokken dwarrelden uit de lucht. Ik was blij dat ik niet mee hoefde en sliep rustig door.

Toen ik tegen de middag wakker werd, was het nog niet lichter geworden. Af en toe rukten er harde windvlagen aan de muren van de hut.

De wind wakkerde snel aan. Met het hoge suizen vermengde zich de doffe, diepe ondertoon die typerend is voor de storm. Nee, dit was niet het goede weer voor die twee daarbuiten.

Met schrik dacht ik opeens aan alle dingen die buiten voor de storm in veiligheid moesten worden gebracht. Ik kleedde me vlug aan en rende zonder erbij na te denken de hut uit.

Zo had ik Spitsbergen nog niet gezien. Het hele landschap was in beroering. De sneeuw joeg als een brede stroom over het land, over de hut en in wolken over de inktzwarte zee. Ook de golven deinden zeewaarts. Hoog in de lucht bulderde de storm als een diepe, langgerekte orgelklank.

De luiken waren al bedolven onder de sneeuw. Ik moest ze uitgraven en zette ze in de gang. Maar de ski’s stonden stevig op een beschutte plek. De boot lag schuin op de wind, al halfvol gewaaid. In de boot zag ik grote stenen uit de sneeuw steken, hij was dus al tegen de storm gezekerd. De thermometer stond op min 10.

Er was niet veel brandstof in de hut. Ik begon de gezaagde blokken die tegen de buitenmuur lagen klein te hakken. Volgens de verhalen van de mannen kon zo’n storm wel drie weken duren. Ik hakte alsof mijn leven ervan afhing. Hoewel ik in de luwte van de hut stond, was het werk vandaag geen pretje. De stuifsneeuw vloog in mijn gezicht en mijn anorak, waarvan ik de capuchon in de haast niet had dichtgeknoopt en die als een hardbevroren buis om mijn hoofd stond. Ten slotte gooide ik al het brandhout waar ik bij kon naar binnen, bijl en hakblok erachteraan.

Daarna wilde ik ontbijten. Maar dat kreng van een kachel wilde vandaag absoluut niet branden. Hij trok als een gek, waardoor elke vlam werd uitgeblazen. Het kostte veel geduld, petroleum en zeehondenspek voor het vuur eindelijk brandde. En toen was het hetzelfde liedje als altijd wanneer het stormde: de hitte ontsnapte door de schoorsteen en de rook drong naar binnen. Uiteindelijk was het buiten pikkedonker voordat ik een kop warme koffie in mijn handen hield.

De storm wakkerde nog meer aan. De doffe, suizende ondertoon was aangezwollen tot een aanhoudend gebulder. Tussendoor hoorde je buiten op de rotskust de eerste doffe slagen van de naderende grote branding. In de hut was het onbehaaglijk. De kachel rookte en ondanks al het stoken was en bleef het koud. De wind floot door de houten muren en die afschuwelijke vossen bewogen zachtjes in de wind. Ondanks mijn bontvest en mijn bontmuts zat ik te rillen, en de blauwvos die van de margarine had gegeten en als eerste het slachtoffer was geworden van haar vraatzucht, zweette niet meer.

Ik vroeg me af hoelang het zou duren voor die krankzinnige noordoosterstorm het pakijs naar onze kust dreef. En of tegelijk met de eerste ijsschotsen de ijsberen zouden komen aanzeilen. Karl beweerde van wel. Zou ik gordijntjes naaien om voor de ramen te hangen, zodat ik de beren tenminste niet naar binnen zag kijken? Om het gezellig te houden kon ik dat wel doen.

Ik zocht dus meteen de blauwgeruite stof, het zeil dat ik in de Vestfjord had gevonden, en begon haastig te naaien. Maar mijn handen waren stijf van de kou en zwart van het roet. Tot overmaat van ramp ging ook mijn lampje nog uit. Daar zat ik dan te midden van dat helse spektakel in het donker. Ik zocht op de tast de petroleumflessen, vond ze ook, maar ze waren allemaal leeg. Voor zover ik me herinnerde, stond het petroleumvat buiten tussen de hut en het strand. Met de slang werd de petroleum in flessen overgebracht. Maar ik had geen zin om dat in het donker te doen, en wie weet of ik dan de weg naar huis weer zou vinden.

Dus bleef ik bij het schijnsel van het haardvuur zitten. Mij schoot het vreselijke lot van een jagersvrouw te binnen die een hele winter alleen in een hut zonder licht had doorgebracht.

Voor het eerst besef ik dat de dingen in de eenzaamheid van de machtige natuur een andere betekenis hebben dan wij er in onze wereld vol intermenselijke betrekkingen aan hebben gegeven. Het vermoeden komt bij me op dat het op de Noordpool soms moeilijker kan zijn om gewoon mens te blijven dan in de strijd met de elementen fysiek te overleven.

Reacties

‘Je krijgt het er al lezend koud van.’ – Iris Hannema in de Volkskrant

‘Christiane Ritter heeft de gave om het lijden onder barre omstandigheden in volle glorie te beschrijven.’ – Iris Hannema in de Volkskrant

‘Dit boek heeft met de opwarming van de aarde wellicht zelfs aan actualiteit gewonnen omdat het je doet ervaren wat er verloren dreigt te gaan.’ – De Morgen

‘De mannen gingen op jacht, Christiane was op zichzelf aangewezen tussen de sneeuwstormen en ijsberen. Een vrouw in de poolnacht is haar meeslepende reisverslag.’ – Margriet