schwob_logo

marcel
actie
Charles-Ferdinand Ramuz - De grote angst in de bergen

2019 | Van Oorschot | € 21,50 | paperback met flappen, 192 blz. | vertaling en nawoord door Rokus Hofstede

Charles-Ferdinand Ramuz

De grote angst in de bergen (Van Oorschot)

Boek

De grote angst in de bergen is de onverbiddelijke kroniek van een aangekondigde catastrofe.

Een groep herders leidt de koeien van een Zwitsers bergdorp voor de zomermaanden naar Sasseneire, een braakliggende alpenweide, vlak onder de gletsjer, waar zich twintig jaar eerder vreemde ongelukken hebben voorgedaan. Volgens de oudere dorpsbewoners is die weide vervloekt, maar onder druk van de jongeren gaat de kudde er toch heen. Als de koeien besmet raken met de ‘ziekte', worden vee en herders in quarantaine geplaatst. De bange, bijgelovige, van de buitenwereld afgezonderde herders verliezen gaandeweg hun menselijkheid. Dan slaat alles om - de grote angst grijpt om zich heen.

Biografie

Charles-Ferdinand Ramuz

De grote angst in de bergen geldt als het meesterwerk van Charles-Ferdinand Ramuz (1878-1947). Ramuz schreef tragische verhalen over boeren uit de wijndorpen en herders uit het hooggebergte, en gebruikte daarbij een uiterst vernieuwende, beeldende taal.

Vertaler

Rokus Hofstede (1959) is essayist en vertaler van Franse literatuur. Hij is de vaste vertaler van Pierre Michon. Voor zijn vertaaloeuvre, en in het bijzonder voor de bundel verspreide teksten Ik ben geboren van Georges Perec, kreeg Hofstede in 2005 de Dr. Elly Jaffé Prijs.

Fragment

I

De voorzitter voerde nog steeds het woord.

Het was tien uur ’s avonds en de vergadering van de dorpsraad was al vanaf zeven uur bezig.

De voorzitter zei: ‘Dat zijn verhalen. We hebben nooit echt goed geweten wat er daarboven is gebeurd, en het is nu twintig jaar terug, en het is van vroeger. Eén ding is duidelijk als je ’t mij vraagt, namelijk dat we al twintig jaar achter elkaar mooi gras laten verpieteren, genoeg om de hele zomer zeventig stuks vee te weiden. Dus als jullie denken dat de gemeente rijk genoeg is om zich die luxe te permitteren, zeg het dan, maar ík denk van niet, en ík ben verantwoordelijk..’

Onze voorzitter Maurice Prâlong was namelijk door de jongeren benoemd, en de partij van de jongeren stond achter hem. Maar er was ook de partij van de ouderen.

‘Dat is het ’m juist,’ zei Munier, ‘jij bent te jong. Wij niet, wij weten het nog.’

Toen heeft hij nog maar eens verteld wat er twintig jaar terug was gebeurd, op die hoge alpenweide, Sasseneire geheten, en hij zei: ‘Ons gras gaat ons net zo goed aan het hart als jullie, en net zo goed als jullie trekken wij ons de gemeentefinanciën aan. Maar telt geld nog, als ons leven op het spel staat?’

Dat lokte gelach uit, maar hij: ‘Jazeker, net zoals ik zeg, en dat zeg ik, en dat zeg ik nog eens...’

‘Kom, kom!...’ zei de voorzitter.

De jongeren waren nog steeds op zijn hand, maar de ouderen tekenden opnieuw protest aan; en Munier: ‘Het leven, zeg ik, het leven van de beesten, het leven van de mensen...’

‘Kom, kom,’ begon de voorzitter weer, ‘dat zijn verhalen... Nee, dan mijn neef Crittin, die is betrouwbaar, we kunnen staat op hem maken. En zoals ik zeg, minstens zeventig stuks vee zouden zo de hele zomer lang kunnen worden ondergebracht, en dat terwijl we al niet meer weten hoe we ze hier moeten voeden, met al dat gras dat daarboven groen wordt, groeit, rijpt, verdort, en niemand die er wat aan heeft... En toch hoeven jullie alleen maar ja te zeggen...’

Munier schudde zijn hoofd.

‘Ik zeg nee.’

Verschillende ouderen zeiden ook nee.

 

Munier was weer opgestaan: ‘Hoor eens, al levert dat zaakje de gemeente vijfduizend frank, tienduizend frank, vijftienduizend frank per jaar op, al levert dat zaakje vijftigduizend frank per jaar op, dan nog zou ik nee zeggen, nee, nee en nog eens nee. Want het gaat om mensenlevens, en niet alleen om hun leven hier op deze wereld, maar ook om hun leven in de andere wereld, en dat is meer waard dan al het goud dat je kan opstapelen, al is die stapel hoger dan de daken van de huizen...’

 

De partij van de jongeren viel hem in de rede.

Ze zeiden: ‘Goed, goed, laten we stemmen dan!’

Er waren er die hun horloge tevoorschijn haalden: ‘We zitten er al drie uur over te praten!... Wie is voor? Wie is tegen?’

Eerst stemden ze bij handopsteken of ze zouden stemmen; toen stemden ze voor of tegen.

‘Wie voor stemt, steekt zijn hand op,’ zei de voorzitter.

Er werden achtenvijftig handen opgestoken, en maar drieëndertig niet.

 

II

 

Dus begonnen de onderhandelingen met Pierre Crittin, de landpachter, die afkomstig was uit de vallei.

In de vallei hebben ze zo hun ideeën, die niet altijd de onze zijn, omdat ze dicht bij een spoorweg wonen. Pierre Crittin was een neef van de voorzitter, via diens vrouw, en het hele zaakje was voortgekomen uit een gesprek dat de voorzitter in de winter had gehad met zijn neef, die zich erover verbaasde dat die alp ongebruikt bleef. De voorzitter had hem verteld waarom. Crittin had gelachen; en Crittin had gelachen, omdat hij uit de vallei kwam. Hij had tegen de voorzitter gezegd: ‘Die alp neem ik over wanneer je maar wil.’

‘O, als het alleen van mij afhing...,’ had de voorzitter gezegd.

‘Luister,’ had Crittin gezegd, ‘volgend jaar zomer ben ik La Chenalette kwijt. Ze moeten mij er te veel voor hebben, dus ik zoek iets anders... En het is zoals ik zeg: ik neem Sasseneire over zodra jullie maar willen... Je zou de zaak aan de dorpsraad moeten voorleggen. Het zou me verbazen als er nog tegenstand kwam, want jouw verhaal is een verhaal van vroeger. Zeg, jij gelooft daar zelf toch niet in?’

‘Welnee!’

‘Nou dan...’

Crittin hief zijn glas muskaatwijn: ‘Op je gezondheid...’

‘En het spreekt vanzelf,’ was hij verdergegaan, ‘dat ik jullie het eerste jaar niet veel kan geven, want de plek moet opnieuw bedrijfsklaar worden gemaakt. Maar als je weet hoe je het moet aanleggen, is zo’n alp opknappen best interessant, mij interesseert het... En voor jou is het ook voordelig, denk maar aan het aanzien dat je meteen zou krijgen als het dankzij jou beter ging met de gemeentefinanciën, want daarmee gaat het geloof ik niet zo best...’

‘Niet zo, nee.’

‘Zie je wel.’

Ze sloegen nog een glas achterover; en de voorzitter : ‘O, maar ik ben het met je eens, hoor, ik liep er al veel langer aan te denken. Het was alleen zaak een gegadigde te vinden. Intussen is het natuurlijk wel een kwestie die alleen in de dorpsraad en door de dorpsraad kan worden geregeld. En ik zou eerst eens een beetje moeten zien hoe de mensen erover denken... Ja, de meningen wat voorbewerken, als het ware. Daarna zou ik je een seintje geven...’

‘Akkoord.’

Ze dronken een glas.

‘Voor mij,’ zei Crittin, ‘is het zonneklaar dat de zaak in orde komt, als je maar weet hoe je het moet aanleggen, want eigenlijk gelooft niemand meer in die verhalen, behalve een handvol oudjes. Het beste voor jou is gewoon recht op je doel af gaan, als je ’t mij vraagt, dat kan je positie alleen maar sterker maken, zul je zien, want de jeugd staat achter je... Gezondheid!...’

‘Gezondheid!...’

‘En dan moeten we het alleen nog eens worden over de voorwaarden, maar daarover worden we het wel eens. Ik neem mijn neef Modeste mee, ik heb de ketel, ik heb al het nodige... Half mei zouden we met het herstelwerk kunnen beginnen... Eind juni zou alles klaar zijn...’

Dat gesprek tussen de voorzitter en zijn neef, rond Kerstmis, daarmee was het allemaal begonnen. En inderdaad was de tegenstand niet zo sterk geweest als de wat wankelmoedige voorzitter had gevreesd. Alles wat jonger dan veertig was had tegen hem gezegd: ‘O, maar als u iemand hebt!... Wij hadden er zelf ook wel aan gedacht net als u, het stomme was dat niemand zich aandiende. U weet wel, die verhalen... Alle drukte daaromheen... Maar als u nu iemand hebt, en iemand die betrouwbaar is, en iemand op wie je staat kan maken, dan gaan wij akkoord, wij stemmen voor...’

Een maand, twee maanden gingen voorbij. De voorzitter bleef zijn plan behoedzaam voorleggen aan iedereen die hij toevallig tegenkwam. Sommigen schudden het hoofd, maar de meesten hadden er niet veel tegenin te brengen; je zag wel dat die oude verhalen van twintig jaar terug inderdaad al zowat vergeten waren, en aan het einde hoefde de voorzitter maar een klein rekensommetje te maken: deze is voor, deze is voor en die is tegen; wat hem, vrijwel moeiteloos, een totaal gaf aan één kant en een ander totaal aan de andere, twee totalen, eerst in zijn hoofd, daarna op papier; toen had hij de dorpsraad bijeengeroepen.