schwob_logo

marcel
actie
Josepha Mendels - Rolien en Ralien

2017 | Cossee | € 18,99 | paperback, 224 blz.

Josepha Mendels

Rolien en Ralien (Cossee)

Boek

Mendels neemt ons in Rolien en Ralien mee terug naar haar eigen jeugd. Rolien wordt door haar twee oudere zusters niet serieus genomen. Ze voelt zich buitengesloten en verzint haar eigen speelkameraad Ralien om het leven aan te kunnen. Maar Ralien begint haar leven steeds meer te beheersen.

Als Josepha Mendels in december 1942 de vlucht uit bezet Frankrijk over de Pyreneeën begint, zit het manuscript van Rolien en Ralien in haar rugzak. Maar haar gids laat haar halverwege in de steek en neemt haar bagage mee. Via de Spaanse gevangenis weet ze een halfjaar later naar Engeland te ontkomen. Een kopie van Rolien en Ralien bereikt Mendels in Londen. Zij stuurt hem naar de criticus Jan Greshoff ter beoordeling. ‘Het is een voortreffelijk boek, dat bij herlezing wint. Het is vol, maar dan ook letterlijk vol kostelijke vondsten. Het is anders van schriftuur en opvatting dan alle andere Nederlandse verhalen over een jeugd. En het is zoo verbazend knap, dat ik mij niet kan voorstellen, dat dit een eersteling zou zijn.’ Greshoff nam niet alleen een hoofdstuk op in een bundel met werk van Nederlandse auteurs in ballingschap met onder meer Leo Vroman en Dola de Jong, hij legde ook het contact met Querido, waar de roman in 1947 verscheen. De pers vond het een ‘gevaarlijk boek’, maar prees de originaliteit. Simon Vestdijk las het als een bijzonder goed opgeschreven ziektegeschiedenis.

Biografie

Josepha Mendels (Groningen, 1902 – Eindhoven, 1995) groeide op in een orthodox-joods gezin. Ze werd gouvernante en begon te schrijven als journalist. In Je wist het toch, haar enige roman die zich tegen het decor van de Tweede Wereldoorlog afspeelt, schrijft Mendels over een leven in ballingschap, waarvoor ze uit eigen ervaringen kon putten. In 1986 ontving ze voor haar oeuvre de (toen nieuwe) Anna Bijnsprijs.

Fragment

1 Het huisgezin Kolar

De vader

In zijn rechter vestjeszak steekt een stalen zakkam. Zes puntige tanden met stofmuurtjes tussen alle zes zijn steeds zichtbaar. Wanneer hij zich bij toeval overdag kamt, valt er een regen van babysneeuwvlokjes op kraag, rug en schouders van zijn zwarte jasje. Gaat hij uit, dan beweegt er automatisch een borstel op die kraag, rug en schouders; een vrouwenstem zingt de begeleiding. Donderdagavond om acht uur belt de pedicure. Hij hangt zijn jas en hoed aan de kapstok en hieroverheen de jas en hoed van zijn cliënt, die boven in de badkamer naast het ijzeren bad zijn voeten in een kom sodawater weekt. Na afloop – zodra de twee verenigd zijn wordt de deur met het haakje en het slot gesloten – komt Griet met een stoffer en blik en veegt wat eens nagels, eksterogen en eeltknobbels waren, tezamen. Zij noemt dit met één woord: rotzooi.

Op zaterdagmiddag arriveert de manicure, een mager, roodharig meisje. Ook zij verdwijnt in de badkamer, waarvan nu de deur noch op het haakje, noch op het slot gaat en waar in plaats van de voeten de handen in sodawater te weken liggen. Moeder brengt een kopje thee en haalt na tien minuten het lege kopje weer terug. Dikwijls ook wordt Rolien juist op dat uur met een boodschap voor Vader belast. De eerste keer liep ze zonder meer naar binnen, waarop de Vader zei dat ze aan moest kloppen. Dus klopt zij en ziet dientengevolge nooit meer wat zij de eerste maal gezien heeft. Toen had het magere, rode meisje haar hoofd heel dicht bij Vaders hoofd, zodat zijn neus ongeveer in haar rossig gekrul schuilging en haar handen waren niet bezig met de handen van Vader. Toen was Vader brilloos, met een kinderachtig, zacht gezicht. Na afloop (het magere, rode meisje sluipt ongemerkt de trappen af) komt Griet weer met een stoffer en blik, en veegt wat eens nagels, nagelriemen en oneffenheden waren tezamen. Dit echter noemt zij met één woord: smurrie.

De zondagmiddagen brengt hij slapende op de ouderwetse canapé door. Soms snurkt hij zo heftig, dat zijn rug op en neer deint. Rolien gebruikt dan die rug als schommel voor Tom, de onbreekbare matrozenpop. Tom amuseert zich tot het snurken ophoudt, valt dan met een plof achterover. Geld geeft hij haar nooit, een klap zelden en snoeperijen dikwijls (als hij alleen met haar is).

De moeder

Haar moeder geeft geld noch klappen en schaarse snoeperijen. Zij ontvangt Rolien en haar zusjes ’s ochtends voor zij naar school gaan in de slaapkamer. Meestal ligt zij dan nog in bed, de blonde krullen als vreemde bloemen op het kussen verspreid. Ze is vriendelijk en maant met zachte stem goed op te letten. Rolien treuzelt wat, zodat zij nog even alleen met haar kan blijven. ‘Mag ik een beetje parfum?’ vraagt ze, of soms: ‘Mag ik vandaag die gouden broche van je aandoen?’ en dikwijls: ‘Als ik naar de grote school ga, mag ik dan twee vlechten dragen?’Om twaalf uur vindt zij haar moeder terug: ze ruikt de parfum en de gouden broche siert haar blouse. Het matinale verlangen, die geur en die glans zelf te bezitten, is verdwenen. Op haar bord ligt brood en koek en ernaast staat een zachtgekookt eitje. Ze speelt met het blank en warm ovaal tot ze het op moet eten. In de gang bij het fonteintje worden de zusjes herkamd en herwassen. Dan is het tijd voor Roliens middagslaapje.

Dit meest vernederende ogenblik van de dag gaat teniet door die ene, grote compensatie: het licht dat door de rode gordijnen om de blonde moeder schijnt. De blonde moeder, met haar blauwe ogen, haar kleine, rechte neus en haar mond, waaruit de woorden komen die steeds weer een ander verhaaltje aaneenrijgen van toen Rolien nog een heel klein meisje was.

‘Was ik heus zo klein?’

‘Ja, zo klein dat je wel tweemaal in het boodschappenmandje kon.’

‘Kon ik heus niet spreken?’

‘Alleen maar be, bre, broe.’

Wat later zoent die mond haar op wangen en voorhoofd. Dit is het allerheerlijkste. Twee handen woelen door haar krullen en Rolien verstopt haar vingers met tien afgekloven nagels in het blonde haar en denkt, of zegt soms hardop: ‘Niet weggaan, o, niet weggaan!’ O, wel weggaan. Want onafhankelijk van het feit of het avondlicht uit gloeilampen, opkomende maan of ondergaande zon is samengesteld, of dat het nog daglicht is met één nuance meer of twee nuances minder, onafhankelijk van al deze kleurschakeringen om de blonde moeder, staat zij als een ander, vreemd wezen te midden van de realiteit: het avondeten, het uur van de vereniging der familie. O, wel weggaan, denkt Rolien wanneer er harde, driftige klanken klinken van de ene kant van de tafel (waar de vader zit) en afwisselend te lage en te hoge van de andere kant (die, waar het vreemde wezen ‘Moeder’ zit) antwoorden.

Wel weggaan, wel weggaan. Maar er ligt groene groente op haar bord naast witte rijst en als ze met haar opscheppertje kanalen voor de jus graaft, waarin de rijstkorreltjes zinken, hoeft ze niet op te kijken. Soms dreunen die klanken zo hard dat het opscheppertje in haar hand trilt en haar hand trilt aan het opscheppertje en de pop Dora schokt op de canapé en de canapé schokt onder Dora. Een woord van de moeder in ik weet niet wat voor een taal – ‘lezanfan, Marius, lezanfan’ – komt meesttijds tussen de chocoladepudding met vanillesaus of griespap met klontjes en het ‘wel moge het u bekomen’ van de vader. En het duurt achttien uren voor Rolien weer denkt of soms hardop zegt: ‘Niet weggaan, o, niet weggaan!’

De zusjes

De zusjes Agnes en Mieke zijn uitsluitend zusjes van elkaar. Niet van Rolien. Zij horen bij het huis, bij de eettafel, speelkamer en haar smalle bedden. Niet bij Rolien. Ze zijn altijd samen en wanneer ze zich met haar bemoeien is het in de superieure rol van oudere: wijzere of stoutere.

 De wijzere van Agnes is behulpzaam en geduldig. Haar stem en gebaren zijn beschermend en doordrenkt van de eerste moederlijke gevoelens. Miekes wijzere daarentegen beveelt en snauwt, deelt klappen uit, trekt aan haren en verstopt de dierbaarste bezittingen van de jongste. Noch de een, noch de ander heeft duurzame invloed op Rolien. De reacties die Agnes teweegbrengt, zijn een mengelmoes van ontzag en verveling; Mieke geeft haar verachting en angst. Samen brengen ze haar op het spoor van de eigen wijzere.

Beider stoutere vertoont een opvallende gelijkenis. Ze geven zich ’s ochtends de moeite het water in de wasbakken te laten lopen zonder haar sponsen erin te plonzen, en haar handdoeken te bevochtigen, zodat de moeder ervan verzekerd kan zijn dat ze zich goed gewassen hebben. Intussen schieten zij met ondefinieerbare slaapwarme geuren vliegensvlug in de kleren. Zij nemen als de moeder hun de rug toekeert een tweede laag boter op hun boterhammen. Als de een moet schoolblijven, verzint de ander een leugen. Ze durven tegen te spreken en Rolien zonder bewijzen te beschuldigen. ’s Avonds in bed lezen ze bij het licht van een zaklantaarn en veinzen – wanneer er iemand bovenkomt – slaap met knipperende oogleden.

 Af en toe betrekken zij de jongste in haar stoutere cirkel. Rolien begrijpt nog niet dat zij haar nodig hebben en dus kan zij er alleen maar trots op zijn dat zij mee mag spelen, hetgeen vooral gebeurt wanneer de ouders uit zijn. Het spel, dat doorgaans verstoppertje heet, dijt hier uit tot een geweldige verstopper. Want in vergelijking met ademende hooibergen, met uitgestrekte bossen, waar ingetrokken heupen en buiken zich verschuilen achter boomstammen van te kleine omvang, waar hoofden achter heuvels duiken, een haarlint, een kuif of een klep van een pet verraad plegen, vergeleken bij smalle deurportieken, te smal om twee smoezelige knieën te verbergen, of bij ontijdig wegrijdende groentewagens, biedt het uit drie verdiepingen bestaande huis onbegrensde mogelijkheden. Het is een stilzwijgende afspraak dat Rolien ’m het eerste moet zijn. Ze telt tot honderd met de handen voor haar ogen. Gewetensvol, met het tikken van de gangklok mee, tot vijftig, dan vlug en van alle tientallen de negen overslaande. Want negen is een bruin getal, zo akelig bruin als de donderdag. Bij achtennegentig roept zij dus: ‘Ik kohom’ – en nog eens: ‘Hik ko-ho-hom.’ En dus komt ze. In de directe nabijheid der mogelijkheden. In kasten, onder tafels, onder en in bedden, achter en tussen gordijnen. Ze loopt van de ene kamer naar de andere, van de wc’s naar Griets alkoof. Hier bekijkt ze belangstellend de gekleurde foto van een baby die naakt op zijn rug ligt, en vlucht bij het openslaan van de dekens voor de slordige lucht die eruit opstijgt. Weer roept ze en nu hoort ze gegiechel. Het komt van de zolder. Ze opent lege koffers en volle kisten, luistert naar ingehouden lachen.

 Onverwacht klinken er dan van beneden twee plagende stemmen: ‘Een, twee, drie, verlos!’ en zij weet wat dit betekent: ze moet ’m dus weer zijn. Haar tranen vloeien over de wijzere van Agnes die haar beurt overneemt; een tweede verstopper begint. Bij de derde lekt de rest van die tranen langs die wijzere in beider stoutere, welke op Roliens halsstarrige weigering van nog eens ’m te zijn, haar belasten met het in orde brengen van het huis. Zij moet de bedden opmaken, koffers en kisten sluiten, Perzische tapijten rechttrekken zonder de franje aan te raken, en de franje kammen zonder de tapijtjes aan te raken. Als de moeder de diverse sporen van verstopper ontdekt, richt zij een paar onvriendelijke woorden tot de beide oudsten. Maar de zusjes durven tegen te spreken en zonder bewijzen te beschuldigen. En met deze daad stoten zij de jongste weer uit hun stoutere-cirkel. Want Agnes en Mieke zijn uitsluitend zusjes van elkaar. Niet van Rolien.

 

2 Speelgoed

De zon is al op als Rolien wakker wordt. Poes Nellie ligt aan het voeteneinde van haar bed. Zij trapt het dier zachtjes in de buik. Maar Nellie wil vandaag niets van haar weten, zij miauwt en krabt verlegen en voortdurend in de roze donsdeken. O, denkt Rolien, al die kostbare zijde gaat kapot. Zij springt uit bed en roept op de gang: ‘Moeder, Moeder, Nellie verwoest het roze!’

Als zij met haar moeder terugkomt, is Nellie bezig iets te likken. Dat iets leeft. Griet wordt er ijlings bijgehaald, die brengt het verwoeste roze en de nu al drie levende, afgevende, afgelikte ietsjes naar een onbewoonde alkoof. Als Rolien wat later daar op bezoek gaat, telt ze er vijf. Zo heeft ze bij al het speelgoed dat zij onlangs met de grote schoonmaak van de zusjes heeft geërfd, er nu nog vijf poesjes bij gekregen. ‘Dank je, lieve Nellie,’ zegt ze, ‘wil je alsjeblieft veel vaker geboortetje spelen?’

De poesjes groeien en de poppen lijden. Wel wor den de laatste op tijd gewassen, gekleed en gevoed, maar verder zitten ze soms twaalf uren achtereen met haar kaarsrechte ruggen en de schooltassen onder de arm op het onderstuk van de wastafel, om van hieruit zonder meer naar de noodwieg, een gebarsten kom, overgebracht te worden. En op de nachtzoen wachten ze nu tevergeefs en dat alleen maar omdat je het hart van Zwartje en van Spikkel in je hand kunt voelen kloppen en omdat zij uit verstopte flesjes onder Nellie drinken, en echte ba’s doen overal in de alkoof, zonder dat je die zelf hoeft te knutselen, en omdat zij vechten en krabben en heuse geluidjes maken. Maar waarom staren die duffe glazen ogen je nu zo aan dat je het vanbinnen vervelend krijgt? Die blonde Emmie, dat stille kind, kijkt minachtend onder haar lange wimpers door en Dora, de lievelingskarakterpop met het zwarte haar, doet net of ze er niets van begrijpt als zij haar vriendelijk vraagt of ze goed geleerd heeft.

Zo komt Rolien in opstand tegen die mensjes van zemel, hout en steen, tegen die onechte pruiken, die hard en dor aanvoelen naast het jonge donspoeshaar. Zo geeft ze Dora zonder reden een pak slaag op de plaats waar haar billen zouden moeten zitten: de scharniergewrichten verdedigen zich, en in die strijd verliest Dora haar rechterbeen. Om dit nu weer goed te maken gaat Rolien met al haar kinderen naar het circus, waar zij Beertje en Aap een voorstelling laat geven. En voor zij ze die avond in een kring in de gebarsten kom te slapen legt, wast zij haar geweten: ‘Want die katjes, dat moeten jullie goed begrijpen, die zijn toch zo klein en daarom houd ik zo veel van ze. Maar zij worden groter en jullie niet, en als zij groot zijn kijken zij niet meer naar me om, maar jullie, jullie hebben me altijd nodig, nietwaar?’ Dora buigt dubbel en zingt een klaaglijk: ‘Mamma... mamma...’

Leesclubs

zondag 28 januari, 14.00 uur, Castricum

Leesclub over Rolien en Ralien van Josepha Mendels bij Boekhandel Laan & Kantoor onder leiding van neerlandica Corien Hildebrant. Aanmelden kan via 0251 - 655 51 11 of via info@kantoorboek.nl.

 

Ambassadeurs van Rolien en Ralien zijn de auteurs Roos van Rijswijk (die ook het voorwoord bij deze uitgave schreef), Hanna Bervoets en Marjolijn van Heemstra.

 

Reacties

'Ik bewonder Mendels om haar eigenzinnigheid en vind dat Rolien en Ralien nog steeds een groot publiek verdient!'

          - Hannah Bervoets

'De charme van de tekst overheerst. Een roman om te blijven koesteren vanwege die (gespeelde) onschuld van het meisje Rolien, dat inmiddels zeventig jaar geleden de literatuur binnen is geslopen.'

     - Sylvia Heimans, Trouw