schwob_logo

marcel
actie
Jiri Weil - De hartslag van Moskou

2014 | Cossee | € 26,90 | gebonden, 416 blz. | vertaald door Kees Mercks

Jiri Weil

De hartslag van Moskou (Cossee)

Boek

Het laatste dat Ri ziet uit het raam van de treincoupé, wanneer ze haar geliefde Praag verlaat voor het winterse Moskou, is een fantastische neonreclame. Een koffiekannetje dat – op en neer, op en neer – een espressokopje met de overheerlijkste koffie vult. Ri houdt van espresso en van mooi servies, in haar koffers heeft ze van beide veel meegenomen, omdat zoiets in het ‘merkwaardige, vieze en onmogelijke land’ waar haar man Robert werkt niet te krijgen is.

Veel buitenlanders stromen naar de jonge Sovjet-Unie, want daar is werk voor specialisten als Robert. Ri is niet geïnteresseerd in politiek, en na een tijd in Moskou wordt thuis zitten en op je man wachten uiterst saai. Door bemiddeling van Robert kan ze aan het werk in een kogellagerfabriek. Zo begint een wonderbaarlijke carrière: van een beschaafde vrouw uit de bourgeoisie tot heldin van de arbeid.

Weil beschrijft op indringende wijze het Moskou van 1934. Ri wordt getuige van de beruchte showprocessen, het begin van de stalinistische terreur. Maar hoe ver ga je in de aanpassing aan de omstandigheden, als je hunkert naar werk en een zinvol bestaan?

Biografie

Jiří Weil

Jiří Weil was schrijver, journalist en vertaler. Hij overleefde de Duitse bezetting in Praag door zelfmoord te fingeren en onder te duiken. In de jaren vijftig werd hij uit de schrijversbond gezet en pas aan het eind van zijn leven werd hij gerehabiliteerd.

Jiří [jhirzji] Weil (1900-1959) groeit op in de buurt van Praag bij Joods Orthodoxe ouders. Hij studeert Slavische filologie en Literatuur en schrijft tijdens zijn studie onder het pseudoniem Jiří Wilde. Hij wordt in 1921 lid van de Jonge Communisten waarvan hij later de leider wordt. In 1933 verhuist Weil naar Moskou waar hij als journalist en vertaler werkt. Hij wordt in verband gebracht met de moord op Stalins protegé Sergei Kirov, wordt uit de Partij gezet en verbannen naar Centraal-Azië. In 1935 keert Weil terug naar Praag. Hij heeft dan alle politieke aspiraties verloren en gaat bij het Joods Museum werken. En hij richt zich op zijn schrijverschap. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog ontvluchten veel joden Praag maar Weil kan zich er niet toe zetten om afscheid te nemen van zijn thuis. In 1942 wordt hij opgeroepen om zich te melden voor een transport naar een concentratiekamp. Hij slaagt er echter in om zijn zelfmoord in scène te zetten en hij duikt onder tot het einde van de oorlog. Weil blijft schrijven tijdens deze periode en in 1949 verschijnt Leven met een ster dat na de communistische omwenteling wordt verboden.

Zowel Philip Roth als Siri Hustvedt braken een lans voor Jiří Weil in de Verenigde Staten. Hij schreef 16 boeken tot aan zijn dood in 1959. Zijn meesterwerk Mendelssohn op het dak verscheen in 1960, een jaar nadat Weil was overleden aan de gevolgen van kanker.

Vertaler

Kees Mercks (1944), combineerde een baan bij de UvA, waar hij Tsjechische literatuur doceerde, met het vertalen van Tsjechische literatuur (werk van L. Vaculík, J. Gruša, I. Klíma, V. Havel, K. Čapek, B. Hrabal, L. Klíma, J. Weil e.a.) Zijn vertalingen werden bekroond met de Aleida Schot-Prijs (1985) en de Martinus Nijhoff-Prijs (1987).

Fragment

Het laatste wat Ri had gezien toen ze Praag uit reed, was een kannetje dat aldoor maar koffie inschonk, het elektrische koffiekannetje van een neonreclame van een of andere fabriek. Ri dacht aan koffie – er is hier geen koffie, had Robert geschreven, neem vooral veel koffie mee, want Russen geven niet veel om koffie, maar het valt Robert zwaar zonder koffie. En wat zal Ri daar niet van zeggen, Ri die zo graag espresso drinkt in kleine cafeetjes en bijna dagelijks zo’n deftig koffiehuis bezoekt?

Wat zal Ri zeggen wanneer de koffievoorraad opraakt, ze kan moeilijk een hele kuub koffie meenemen, en wat kunnen ze haar van thuis toesturen? Hooguit een kilo. Ja, zonder koffie zal het haar zwaar vallen. En het zal haar toch al zwaar vallen in dat onbekende land, in dat vreemde, vuile, onmogelijke land waar Robert als ingenieur op contractbasis werkt. Ri zal van nu af aan in dat land gaan wonen, een land dat niet eens een echt land is, alleen maar een afkorting: de ussr, dat land dat vroeger Rusland heette.

En toch moet Ri wel gaan, want Robert stuurt haar dagelijks brieven waarin hij schrijft dat hij haar verwacht, en zegt in telegrammen dat hij zonder haar niet kan leven, dus nu is ze op weg naar dat vreemde land waar de mensen geen koffie drinken, niet uit dansen gaan, geen auto’s hebben, niet in de bergen skiën, niet naar deftige koffiehuizen gaan maar in plaats daarvan bezig zijn met de opbouw van het socialisme, waar Ri in de krant over leest. Robert troost Ri echter in zijn brieven dat het allemaal wel meevalt, dat buitenlandse ingenieurs het er goed hebben.
En Ri kan toch ook sober leven, ze is in Palestina geweest, in een joodse kolonie, waar het leven ook zwaar was. Voor Robert is het daar minder zwaar, hij is ingenieur, houdt van zijn werk en vergeet altijd alle narigheid als hij maar een schoon overhemd heeft en een schone pyjama. Voor Ri ligt dat anders, die moet een beetje van het leven kunnen genieten en zich kunnen vermaken, wat kan haar die politieke scholing schelen waar Robert over schrijft, als zij wil tennissen en op het strand wil liggen zonnen?
En thans is ze op weg naar dat onbekende land, zo dadelijk komt de grens en eindigt Europa. Ze is bang voor wat er aan de andere kant van die grens is, een soort Azië en toch ook weer niet – al kan Ri dat niet weten, ze kent nauwelijks Russisch, wellicht zal ze zich daar kunnen redden met haar Duits, Frans of Engels. Als Robert haar nu maar van het station op komt halen, maar dat is niet zo zeker, want wie weet of haar telegram wel is aangekomen? Het is een land waar van alles mogelijk is, en Ri staat daar straks op het station, men zal haar aangapen, ze zal bekijks hebben, ze zal worden nagewezen omdat zij uit Europa komt en anders is gekleed.
Om haar heen lag Polen, de trein hield halt op stationnetjes vol officieren, nonnen en priesters, politieagenten leken er op generaals, ze droegen gouden epauletten, op de akkers werkten haveloos geklede boeren, ze keken onverschillig en ietwat misprijzend naar de trein, niemand wuifde naar de passagiers, maar toch was dit Europa.
Je kon in een grote stad als Warschau uitstappen, zo’n deftig koffiehuis binnengaan en daar koffie met slagroom uit een glas drinken en je kon er door straten met blikkerende reclames wandelen, je kon er in de etalages geribbelde dameshandschoenen of pumps van salamanderleer bekijken, je kon er je neus tegen het glas van een etalageruit drukken en naar sieraden kijken, witte, melkwitte colliers, je kon er de geur van parfums opsnuiven en de stank van benzine, je kon er uit dansen gaan of naar de laatste foxtrot luisteren die tevens in Parijs, Berlijn en Praag werd gespeeld, ja, hier was het nog Europa, maar ook weer niet helemaal.
Ri kon niet lang in Warschau blijven, Robert zal haar in Moskou van het station ophalen, hij moet eerst ergens een auto zien te regelen en dat zal hem misschien maar met moeite lukken, in Moskou, zegt men, rijden haast geen taxi’s, en als je er toch een ziet, kun je die niet te pakken krijgen, en om nu zo’n vuil huurkoetsje met izvoztsjik te nemen, zoals ze de koetsier hier noemen, dat wilde Ri niet.
De Tsjechoslowaakse grens was ze zonder problemen gepasseerd, de Poolse douanier was heel beleefd geweest, hij had de hele tijd maar ‘proszę pani’ (alstublieft, mevrouw) tegen haar gezegd en haar daarbij vol deernis aangekeken, waarschijnlijk omdat ze op weg naar Rusland was. In de tweede klas zaten alleen maar Poolse officieren, Ri sprak niet met hen, hoewel zij haar wel aldoor iets probeerden duidelijk te maken.

Ze spraken Duits met een weke Poolse tongval en misschien leken hun stemmen daardoor wel onoprecht, als een valstrik waar ze in gelokt werd, Ri kan natuurlijk moeilijk zeggen dat ze op weg naar Rusland is om daar haar man te ontmoeten, die officieren zullen nog denken dat hij in dienst van de bolsjewieken is en zij een spionne, en zullen haar bij de grens laten opsluiten. Hier begint Azië al en kan je van alles overkomen.

In Warschau moest Ri zich door een mensenmassa heen wringen, ze waren daar slechter gekleed dan elders en hun gezichten zagen er tobberig uit, ze moest over houten planken naar de andere kant van het station lopen, daarna weer naar beneden, ergens de diepte in, waarvandaan de trein richting de grens zou vertrekken, naar Stolpce.

Ze keek aldoor achterom naar de kruiers; in Warschau wordt gestolen, had Robert haar geschreven, ze moest dus goed opletten, maar in de trein hadden de officieren haar gezegd dat er ook kruiers waren met een nummer op hun pet en dat die niet stalen. Ri kan natuurlijk niet weten of dat klopt, daarom moet ze haar koffers goed in de gaten houden.

Er zit een heel koffieservies in – wat zal Robert dat fijn vinden wanneer ze ’s ochtends samen koffiedrinken uit rode porseleinen kopjes, wanneer er toastjes op hun bord liggen, wanneer het koffiemachientje dampt op het onderzettertje van gevlochten riet dat Ri uit Palestina heeft meegenomen. Ja, Ri is vastberaden, laat het dan maar Azië om haar heen zijn, laat men er daar maar vuil, ongekamd, ongewassen en in voddige kleren bij lopen, laat men daar maar die vreemde soepjes van hen eten, borsjtsj en sjtsji, zoals ze in romans heeft gelezen, zij zal het echter voor Europa opnemen, haar geliefde, verloren Europa, ja, een bont kleedje op tafel, een uitsmijtertje op je bord, bloemen in een vaas, de stoelen dicht tegen de tafel aan geschoven.

Ze zullen dan tegenover elkaar zitten en elkaar met de knieën aanraken. En ook al zal Rusland tienduizend maal om hen heen aanwezig zijn, Ri en Robert zullen ’s ochtends koffiedrinken en Robert zal over de fabriek vertellen en over zijn werk, ja, Ri kan goed luisteren, ook al snapt ze er geen snars van, ze heeft geen verstand van Roberts beroep. Maar dat geeft niet, ze zullen samen zijn, wat er ook gebeurt. Bij Ri thuis zal het gewoon Europa zijn.

Voorzichtig bekeek Ri zich in de spiegel in de gang van de blauwe, luxe Poolse treinwagon, die op weg was naar de Sovjetgrens. De reis had geen effect gehad op haar huid, ze poederde haar wangen lichtjes, ze had een hele voorraad poeder mee moeten nemen, want ginds zullen ze vast geen Houbigant hebben, de douaniers zullen die poeder toch niet van haar afpakken? De kruiers hadden haar koffers in de trein gezet en de trein was naar de Russische grens vertrokken. Nu opeens voelde Ri zich al moederziel alleen.

Ze kon wel huilen en beefde helemaal, ze naderde Sovjet-Rusland, misschien zal ook Robert haar niet kunnen helpen, misschien is hij wel veranderd, misschien is hij wel verliefd geworden op zo’n Komsomol-meisje, in Rusland zouden de zeden erg losjes zijn, had ze in de krant gelezen. Misschien zal hij op een dag tegen haar zeggen dat hij van haar af wil en zet hij haar de deur uit, in Moskou kent ze niemand en Russisch spreekt ze niet, het is voor haar een echt vreemd land en alles is er mogelijk.

Nee, zoiets doet Robert vast niet, die interesseert zich niet voor dat soort dingen, die is alleen maar met zijn ingenieursvak bezig en heeft Ri elke dag geschreven dat hij niet zonder haar kan. Misschien ook zal ze daar ziek worden, er zijn vast geen goede artsen en medicijnen al helemaal niet, misschien zal het huisapotheekje dat ze mee heeft genomen ontoereikend zijn, en hoe zal het dan met Ri aflopen?

Ze zal in den vreemde sterven, ze zal Parijs nooit meer zien met zijn Jardin du Luxembourg en de spuwers aan de gevel van de Notre-Dame, ja, die spuwers komen haar opeens voor de geest, ze ziet hun angstaanjagende muilen nu de trein de grens nadert, ze wordt door hen omringd en ze lachen haar smalend uit, net als Pavel toen ze tegen hem zei dat ze eindelijk naar Robert in Rusland zou gaan. Pavel had toen zuur gekeken, hij vond het maar niets dat Ri naar de Sovjet-Unie ging, hij hield van haar en was jaloers op Robert, maar toch was hij haar op het station rozen komen brengen.

Die had ze allang weggegooid, ja, dat had ze in Polen gedaan, ergens vlak voor Warschau, ze waren verwelkt. In Wenen had ze het heerlijk gehad, Pavel reed in een Opeltje, ze waren er samen mee naar Gänsekirche gegaan om daar te zwemmen, precies bij de plek waar ze Robert had leren kennen. Ri had de grammofoonplaat met ‘Hunderttausendmal’ erop meegenomen, als aandenken aan Pavel en Wenen – en wat was ze toen een zielig hoopje geweest, wat moest ze zonder Pavel aanvangen!

En Pavel was op zijn beurt naar Praag gekomen, kosten noch moeite werden gespaard, hij kwam afscheid nemen, ongetwijfeld dacht hij dat hij Ri nooit meer terug zou zien. Ze moet evenwel wat gaan eten, wie weet of ze in Rusland wel te eten kan krijgen.

In de restauratiewagen vertelde een rijke zakenman aan iemand die er als een advocaat uitzag over een moord die in Palestina was gepleegd.

Er was iemand gedood, een joodse democraat of iemand van de oppositie. De zakenman gebaarde wild en schreeuwde in het Jiddisch door de hele restauratie. Ri verstond hem een beetje, ze had in Palestina wat Jiddisch opgestoken en ook van joodse dichters, vrienden van Robert.

Maar het hele debat kon ze niet volgen, ze waren al bijna bij de grens, haar hart bonsde in haar keel, ze moest opeens terugdenken aan de laatste ogenblikken voor haar operatie, toen had ze net zo’n angst gevoeld, maar waar is nu de chloroform die haar toen vergetelheid had geboden, en waar is Pavel die toen in de operatiezaal was? Ze heeft barstende hoofdpijn, waarschijnlijk omdat ze te weinig heeft gegeten en te veel gerookt, Pavel had haar op het station een pakje sigaretten gegeven, Egyptische, meegenomen uit Oostenrijk, haar favoriete merk. Pavel dacht altijd overal aan.

Toen Ri vanuit de restauratie weer terugkwam in haar wagon, was daar niemand meer. De trein was op weg naar de grens steeds leger geworden.

Ze zat alleen in de wagon en was bang. Daarna stopte de trein bij het laatste stationnetje, aan de Poolse grens, Stolpce, een Poolse marechaussee bracht haar haar pas afgestempeld terug, een douanier doorzocht vluchtig haar bagage, de trein bleef maar even stilstaan op het stationnetje dat op alle andere kleine stationnetjes in Polen leek, hoewel dit iets nieuwer en verzorgder oogde en de reclameborden er schreeuwender waren. Langs de trein holden kelners met dienbladen vol sinaasappels, mandarijnen en bananen, alsof ze wilden laten zien dat Europa tot hier reikte en niet verder: koop nog even een paar sinaasappels, daarginds in het ijzige, Aziatische Moskou zul je die nooit meer eten.

Ri keek verdrietig naar de sinaasappels en naar Europa, naar de reclames voor zijden kousen en reisbureaus, de trein zette zich langzaam in beweging en reed het stationnetje uit, hij reed tergend langzaam, net of hij geen zin had Europa te verlaten, hoewel er door de raampjes niets dan moeras‑ en weidegronden te zien was. De Sovjetgrens naderde, maar er waren nog geen tekenen van verandering. Ri nam voorzichtig een kijkje in de gang, de Poolse conducteurs waren al weg, die waren ongetwijfeld onderweg van de trein gesprongen, er was niemand.

En opeens stond er een rijzige Sovjetdouanier vlak voor Ri’s neus, hij droeg een pet met rode bies en vroeg haar om haar pas. Ri keek uit het raampje. De trein passeerde een houten triomfpoort met een of ander opschrift, er stonden soldaten met rode sterren op hun mutsen bij. Ze was al op Sovjetgrondgebied.

De trein reed langzaam het stationnetje van Negoreloje binnen.

Reacties

Als u geïnteresseerd bent in de afgronden van de Europese geschiedenis van de twintigste eeuw, wil ik u deze ongelofelijke roman van harte aanbevelen. - Michail Boelgakov, auteur van De Meester en Margarita