schwob_logo

marcel
actie
David Markson - Wittgensteins minnares

2020 | Van Oorschot | € 22,50 | paperback, 282 blz. | vertaald door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes

David Markson

Wittgensteins minnares (Van Oorschot)

Boek

Kate beweert dat zij de laatste mens op aarde is. Ze woont in de verlaten musea die ze op haar tochten aandoet en klampt zich vast aan haar passie voor beeldende kunst, haar laatste strohalm. Zo probeert ze de tergende eenzaamheid die ze ervaart te lijf te gaan. Over haar verleden is wel iets bekend maar niet veel, en wat ze erover prijsgeeft blijkt niet altijd even betrouwbaar. Kate wantrouwt de taal en ziet er de grote beperkingen van in, een gegeven dat David Markson weet uit te drukken in hypnotiserend prachtig proza. Wittgensteins minnares bereikte in de jaren tachtig de status van cultboek en kan bogen op lovende kritieken van zowel literatuurminnaars als filosofen. Deze roman is een eindtijdsfantasie, een experimenteel literair werk en een huiveringwekkend vervreemdend boek in één.

Biografie

David Merrill Markson (1927–2010) was een Amerikaans schrijver van een onconventioneel en experimenteel oeuvre. Behalve Wittgenstein’s Mistress schreef hij romans als Reader’s Block, Vanishing Point en The Last Novel. Markson begon met schrijven toen hij journalist was en publiceerde zijn eerste boek in de jaren vijftig. Pas dertig jaar later brak hij door met Wittgenstein’s Mistress, een boek waarvan het manuscript meer dan 54 keer was afgewezen, maar dat enthousiast werd ontvangen toen het eenmaal gepubliceerd werd. Bij Marksons overlijden werd zijn gehele persoonlijke bibliotheek gedoneerd aan de Strand Bookstore in New York.

Vertaler

Virtuoos vertaalduo Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes (1962) verzorgden vertalingen van onder meer James Joyce, William Shakespeare, en de liederen van The Beatles en Bob Dylan. Samen publiceren ze ook regelmatig in o.a. Hollands Maandblad, Filosofie Magazine, VPRO-Gids, Het Parool, Trouw en NRC Handelsblad. Eerder vertaalden ze o.a. Finnegans Wake van James Joyce en Des duivels woordenboek van Ambrose Bierce.

Fragment

In het begin liet ik soms boodschappen achter op straat.
Er woont iemand in het Louvre, stond er soms. Of in de National Gallery.
Dat stond er natuurlijk alleen maar als ik in Parijs of in Londen was. Er woont iemand in het Metropolitan Museum zou er staan als ik nog in New York was.
Natuurlijk kwam er niemand. Op het laatst hield ik op met boodschappen achterlaten.
Eerlijk gezegd heb ik alles bij elkaar misschien maar drie of vier boodschappen achtergelaten.
Ik heb geen idee hoelang geleden ik dat deed. Als ik moest gokken, zou ik zeggen tien jaar, denk ik.
Maar misschien was het nog wel een paar jaar langer geleden.
En natuurlijk was ik destijds gedurende een bepaalde tijd mijn verstand kwijt.
Ik weet niet hoelang precies, maar het was gedurende een bepaalde tijd.
Onheuglijke tijd. Wat een uitdrukking is die ik misschien nooit goed begrepen heb, nu ik hem toevallig bezig.
Betekent onheuglijke tijd zonder heugenis, dus niet goed bij je hoofd, gek dus, of gewoon vergeten?
In elk geval is er weinig twijfel over die gekte. Zoals die keer bijvoorbeeld dat ik naar een uithoek van Turkije reed om de plek van het oude Troje te bezoeken.
En om een of andere reden daar met name de rivier wilde zien waarover ik ook had gelezen, die langs de citadel naar de zee stroomt.
De naam van de rivier, die eigenlijk maar een modderstroompje was, ben ik vergeten.
En hoe dan ook bedoel ik niet naar de zee, maar naar de Dardanellen, die toen de Hellespont werd genoemd.
De naam van Troje was natuurlijk ook veranderd. Hisarlik heet het nu.
In veel opzichten viel mijn bezoek tegen, omdat de plek verbijsterend klein van afmetingen was. Niet veel meer dan een doorsnee stratenblok en praktisch maar een paar verdiepingen hoog.
Toch kon je vanaf de ruïnes de berg Ida zien, helemaal in de verte.
Zelfs aan het eind van het voorjaar lag er nog sneeuw op de berg.
In een van de antieke verhalen ging er, geloof ik, iemand naartoe om te sterven. Misschien Paris.
Ik bedoel natuurlijk de Paris die de minnaar van Helena was geweest. En die toen die oorlog bijna afgelopen was gewond raakte.
Het was trouwens hoofdzakelijk Helena aan wie ik dacht toen ik in Troje was.
Ik stond op het punt daaraan toe te voegen dat ik zelfs een tijdlang droomde dat de Griekse schepen er nog steeds op het strand lagen.
Nou ja, dat zou een weinig opzienbarende droom zijn geweest.
Het water ligt misschien op ongeveer een uur lopen van Hisarlik. Ik was daarna van plan om met een gewone roeiboot over te steken en dan via Joegoslavië verder Europa in te rijden.
Misschien bedoel ik Joegoslavië. In elk geval liggen er aan die kant van de zee-engte monumenten voor de soldaten die daar in de Eerste Wereldoorlog zijn gesneuveld.
Aan de kant van Troje kun je een monument aantreffen waar Achilles begraven is, heel veel langer geleden.
Nou ja, waar ze zeggen dat Achilles begraven ligt.
Toch vind ik het heel bijzonder dat jonge mensen daar in een oorlog zo lang geleden doodgingen, en vervolgens drieduizend jaar later op dezelfde plek opnieuw.
Maar hoe dan ook, ik veranderde van gedachten over het oversteken van de Hellespont. Waarmee ik de Dardanellen bedoel. In plaats daarvan nam ik een motorsloep en ging ik via de Griekse eilanden en via Athene.
Zelfs met een enkele bladzijde, gescheurd uit een atlas, zonder zeekaarten, deed ik er maar twee rustige dagen over om het Griekse vasteland te bereiken. Ongetwijfeld was een heleboel
over die antieke oorlog sterk overdreven.
Toch raken sommige dingen een snaar.
Zoals bijvoorbeeld een dag of twee later, toen ik het Parthenon zag liggen in het middagzonnetje.
Diezelfde winter woonde ik volgens mij in het Louvre. En verbrandde in een slecht geventileerde ruimte kunstvoorwerpen en lijsten, voor de warmte.
Maar toen de eerste dooi intrad ging ik door Centraal-Rusland weer op weg naar huis, met steeds een nieuw voertuig wanneer de benzine van het oude opraakte.
Dit is allemaal onaanvechtbaar waar, al is het, zoals gezegd, lang geleden. En al was ik, zoals ook gezegd, waarschijnlijk gek.
Aan de andere kant betwijfel ik of ik gek was op het moment dat ik, daarvoor nog, naar Mexico ben gereden.
Mogelijk daarvoor nog. Om het graf te bezoeken van een kind dat ik was verloren, nog langer geleden dan dit allemaal gebeurde, genaamd Adam.
Waarom schrijf ik dat zijn naam Adam was?
Simon heette mijn kleine jongetje.
Onheuglijke tijd. Wil dat zeggen dat je zelfs de naam van je enige kind tijdelijk kan vergeten, die nu dertig zou zijn geweest?
Dertig vraag ik me af. Eerder zesentwintig of zevenentwintig.
Ben ik dan vijftig?
Er is maar één spiegel, hier in dit huis aan dit strand. Misschien zegt de spiegel vijftig.
Mijn handen zeggen dat. Het is zichtbaar geworden op de
rug van mijn handen.
Daarentegen menstrueer ik nog steeds. Onregelmatig, zodat het vaak weken achter elkaar doorgaat, maar dan niet meer voorkomt tot ik het bijna ben vergeten.
Misschien ben ik niet ouder dan zevenenveertig of achtenveertig. Ik weet nog zeker dat ik het op een gegeven moment min of meer probeerde bij te houden, mogelijk de maanden maar in elk geval de seizoenen. Maar ik weet niet eens meer wanneer ik door kreeg dat ik al lang de tel was kwijtgeraakt. Toch geloof ik dat het iets voor mijn veertigste was dat dit allemaal begon.

 

Reacties

‘Ik kan me de eerste keer dat ik Wittgensteins minnares opensloeg nog goed herinneren. “In het begin liet ik soms boodschappen achter op straat.” Dat is gedurfd, dacht ik, te beginnen op de wijze van het boek Genesis.’ - Lieke Marsman

‘De roman die ik het leukst vond dit jaar. De ene duizelingwekkende, heerlijke, grappige passage na de andere (...) het bewijs dat het experiment pure verbeeldingskracht in romanvorm kan voortbrengen.’ - The Washington Times

‘Stelt formidabele filosofische vragen met enorme humor (...) Een roman die taalkundig ontleed kan worden als een zin, zó goed geschreven.’ - The New York Times Book Review

‘Zo precies en schitterend als Joyce (...) Origineel, mooi en een absoluut meesterwerk.’ - Ann Beattie

‘Markson heeft een erudiete, adembenemend cerebrale roman geschreven, waarvan het proza zo helder is en klinkt als kristal, en waarvan de conclusie het je moeilijk maakt er niet om te huilen (…) een krachtige kritische overpeinzing over de relatie tussen eenzaamheid en de taal zelf.’ - David Foster Wallace