schwob_logo

marcel
actie
Angela Carter - Circusnachten

2020 | Orlando | € 23,50 | gebonden, 352 blz. | vertaald door Leonoor Broeder

Angela Carter

Circusnachten (Orlando)

Boek

Aan het einde van de negentiende eeuw, een bewogen tijdperk van vervlogen dromen en nieuwe hoop, vertelt trapeze-artieste Fere haar levensverhaal aan journalist Jack Walser. Hoe zij gevonden werd door de hoer Lizzie en opgroeide in een bordeel, hoe haar vleugels groeiden en zij leerde vliegen. Hoe zij de lieveling werd van het publiek in heel Europa, en hoe prinsen en grote kunstenaars haar het hof maakten. Jack raakt zo gefascineerd door Fere en haar bizarre wereld dat hij met het circus meetrekt van Londen naar het legendarische St. Petersburg, Tokio en Amerika en ondertussen de meest fantastische avonturen beleeft.

Biografie

Angela Carter (1940-1992) was een Britse schrijfster en journaliste, die bekend is geworden met haar post-feministische magisch-realistische fictie. Ze schreef negen romans, waarvan Circusnachten de bekendste is. Daarnaast schreef ze korte verhalen, non-fictie, hoorspelen en het scenario voor de verfilming van haar roman The Bloody Chamber, waaruit de film The company of wolves van Neil Jordan ontstond. Haar werk werd meerdere malen bekroond.

Vertaler

Leonoor Broeder vertaalde werk van onder anderen Angela Carter en Virginia Woolf voor ze als redacteur non-fictie werkzaam werd bij verschillende uitgeverijen. Momenteel werkt zij als redacteur non-fictie bij uitgeverij Atlas Contact.

Fragment

‘Goeie genade, meneer!’ riep Fere met een stem die galmde als de dichtslaande deksel van een vuilnisemmer. ‘Wat mijn geboorteplaats aangaat, wel, hierzo in het rokerige, oude Londen zag ik het eerste daglicht, nietwaar! Sta niet voor niets op het programma als de “Venus van Londen”, meneer, hoewel ze me evengoed “Helena van het Hoge Koord” hadden kunnen noemen, gezien de ongebruikelijke omstandigheden waaronder ik aan wal kwam – want ik ben niet binnengelopen via wat je de normale kanalen zou kunnen noemen, meneer, lieve hemel, nee; maar ik werd net als Helena van Troje uitgebróéd. Uitgebroed uit een geweldig ei terwijl de klokken van de Bowkerk luidden als nooit tevoren!’

De blondine barstte in woest gelach uit, sloeg zich op de marmerachtige dij die vanonder haar openvallende kamerjas tevoorschijn was gekomen en wierp de jonge verslaggever, zijn blocnote open en zijn potlood in de aanslag, met een paar enorme, blauwe, brutale ogen een blik toe als wilde ze hem uitdagen: ‘Je kunt het geloven of niet!’ Daarop draaide ze rond haar as op haar wervelende kleedkamerkruk – het was een pluche pianokruk zonder rugsteun die gestolen was uit een repetitiekamer – en grijnsde naar zichzelf in de spiegel terwijl ze met een krachtig gebaar vijftien centimeter valse wimpers van haar linkerooglid rukte waarbij een kort, hard, rasperig geluid weerklonk.

Fere, de beroemdste aerialiste van die tijd. Haar leus: ‘Is ze werkelijkheid of verzinsel?’ En ze zorgde ervoor dat je die geen ogenblik vergat; de vraag, in het Frans gesteld, met letters van een halve meter hoog, werd je toegeschreeuwd van een aanplakbiljet zo groot als een muur, een aandenken aan haar Parijse triomfen dat haar Londense kleedkamer overheerste. Er was iets hectisch, iets passend onstuimigs en zwierigs aan dat aanplakbiljet, de dwaze voorstelling van een jonge vrouw die omhoog schiet als een vuurpijl, zoef, in een vlaag van opgejaagd zaagsel naar een onzichtbare trapeze ergens hoog in de houten hemelen van het Cirque d’Hiver. De kunstenaar had besloten haar start van achteren af te beelden – met de billen omhoog, zou je kunnen zeggen; daar gaat ze omhoog in een steatopygisch perspectief, terwijl ze aan weerszijden die reusachtige rood met paarse vleugels uitslaat, vleugels die groot en prachtig genoeg zijn om zo’n forse meid als zij omhoog te voeren. En ze was een forse meid. Rond de schouders aardde deze Helena onmiskenbaar naar haar vermeende vader, de zwaan.
Maar deze beruchte en veelbesproken vleugels, de bron van haar roem, waren voor de nacht weggeborgen onder de vlekkerige, gewatteerde stof van haar lichtblauw satijnen kamerjas waar ze twee zwellingen veroorzaakten die er onbehaaglijk uitzagen en zo nu en dan het strakgespannen oppervlak van de stof deden sidderen alsof ze erdoorheen wilden breken. (Hoe doet ze dat? peinsde de verslaggever.)

‘In Parijs noemden ze me l’Ange Anglaise, de Engelse Engel, “niet Engels maar een engel”, zoals de oude heilige zei,’ had ze hem gezegd terwijl ze met een ruk van haar hoofd in de richting van het geliefde aanplakbiljet knikte, dat, zoals ze nonchalant vertelde, op steen was geschetst door ‘de een of andere Fransoze dwerg die me gevraagd had eerst op zijn dinges te plassen voordat hij zelfs maar bereid was zijn tekenkrijt te voorschijn te halen, neem me niet kwalijk’. Daarop – ‘een slokje champagne?’ – trok ze met haar tanden de kurk uit een gekoelde magnum champagne. Een sissend fluitglas vol met de bruisende drank stond naast haar ellenboog op de toilettafel, de nog borrelende fles lag achteloos in de lampetkan, omgeven door ijs dat van een visverkoper afkomstig moest zijn, want hier en daar was een enkele glanzende schub gevangen in de ijsklompen. En dit tweemaal gebruikte ijs zorgde ongetwijfeld voor de zeegeur – er zat een luchtje aan de Venus van Londen – die het voornaamste bestanddeel was van de warme, zware combinatie van parfum, zweet, schmink en sterk ruikend gas, waardoor je het gevoel kreeg dat je de lucht in Feres kleedkamer in brokken inademde.

Met één stel wimpers eraf en het andere nog op leunde Fere iets achterover om met onnadrukkelijke voldoening de asymmetrische pracht die zich in haar spiegel weerkaatste nauwkeurig op te nemen.    ‘En nu,’ sprak ze, ‘na mijn veroveringen op het continent,’ (wat ze uitsprak als ‘congtineng’) ‘is de verloren dochter weer thuis in Londen, mijn heerlijke Londen, waar ik zo van hou. Londen, zoals de goeie ouwe Dan Leno het noemt: “Een klein dorp aan de Theems met als voornaamste industrieën het variététheater en de oplichterij.”’
Ze gaf het spiegelbeeld van de jonge verslaggever een vette knipoog en verwijderde rap het andere paar valse wimpers. Haar geboorteplaats had haar zo uitzinnig welkom geheten dat de Illustrated London News het fenomeen bestempelde als ‘Feremanie’. Overal zag je afbeeldingen van haar, de winkels waren volgestouwd met ‘Feres’ jarretelles, kousen, waaiers, sigaren, scheerzeep… Ze had haar naam zelfs aan een bepaald merk bakpoeder verbonden, je voegde een lepel toe en daar ging je cake de lucht in, net als zij. Heldin van de dag, onderwerp van geleerde discussies en profane gissingen, zorgde deze Helena voor duizend woordgrappen, merendeels aan de schuine kant. (‘Heb je die gehoord van Fere die hem voor de handelsreiziger omhóóg kreeg…’) Haar naam lag op ieders lippen, van hertogin tot groenteventer: ‘Heb je Fere gezien?’ En dan: ‘Hoe doet ze het?’ En dan: ‘Denk je dat ze echt is?’

De jonge verslaggever wilde zijn verstand erbij houden, dus zat hij te goochelen met glas, blocnote en potlood, heimelijk op zoek naar een plaats waar hij het glas zo kon neerzetten dat zij het niet steeds kon bijvullen – misschien op die zware ijzeren schoorsteenmantel waarvan de venijnige hoek die uitstak boven zijn hoge zitplaats op de paardenharen sofa bij een onverhoedse beweging zijn hersenpan zou kunnen kraken. Zijn prooi had hem danig in de val. Zijn pogingen om zich van het vervloekte glas te ontdoen resulteerden slechts in een luidruchtige lawine van verborgen billets doux die in hun val een krioelend slangennest van zijden kousen, groen, geel, roze, knalrood, zwart, van de schoorsteenmantel meesleepten, die een krachtige geur van zweetvoeten verspreidden, het laatste ingrediënt van het hoogstpersoonlijke aroma ‘Feres essence’ dat de kamer vulde. Als ze eraan toekwam zou ze die lucht weleens kunnen bottelen en verkopen. Ze liet geen kansen voorbij gaan.

Reacties

Circusnachten is haar meesterwerk. Een exuberante roman vol verhalen. Een breed uitwaaierend, kletslustig boek, een picaresk verhaal van Rabelaisiaanse proporties, met een bijpassend buitenproportionele heldin.’ — Sarah Waters

‘Een pleidooi voor het leven, voor plezier, voor compassie en integriteit.’ — The Guardian

‘Een geweldig schrijver, waarlijk uniek, er is niemand zoals zij.’ — Salman Rushdie

‘Een eigenzinnige, originele en barokke stilist.’ — Margaret Atwood