schwob_logo

marcel
actie
Joseph Roth - Radetzkymars

2020 | Van Oorschot | € 32,50 | paperback, 448 blz. | vertaling Els Snick, illustraties Jan Vanriet, voorwoord Geert Mak

Joseph Roth

Radetzkymars (Van Oorschot)

Boek

In Radetzkymars (1932) vertelt Roth de laatste jaren van de Habsburgse monarchie aan de hand van het verhaal van de familie Trotta. Het hoofdpersonage is Carl Joseph Trotta, de kleinzoon van een luitenant die tijdens de slag bij Solferino het leven van de keizer heeft gered en daar met geld en een adellijke titel voor is beloond. Het beeld van de dode grootvader, de held van Solferino, hangt als een schaduw over zijn bestaan als officier in de Donaumonarchie. Met een subliem gevoel voor ironie ontmaskert Roth de schijnwereld van het garnizoensleven en legt hij de barsten en scheuren van de veelvolkerenstaat van Keizer Franz Joseph bloot.

In Duitsland behoort deze prachtige roman tot de literaire canon. Herkenbaar voor vele lezers is het melancholische verlangen naar een ‘wereld van gisteren’, die overzichtelijk is en houvast biedt.

Biografie

Joseph Roth

Joseph Roth (1894–1939), geboren in Brody vlak bij de Russische grens, werd in 1918, na de val van Oostenrijk- Hongarije, stateloos. De dubbelmonarchie was voor Joseph Roth het laatste overblijfsel van wat een ‘modern’ Europa had kunnen worden. Radetzkymars is het klassieke meesterwerk van de grote Joods-Oostenrijkse schrijver die Franz Joseph bleef liefhebben omdat hij Hitler verachtte.

Vertaler

Els Snick promoveerde in 2013 op het werk van Roth. Ze is de oprichter en voorzitter van het Joseph Roth Genootschap en vertaalde van hem verschillende bundels journalistiek werk en zijn briefwisseling met Stefan Zweig.

Fragment

De Trotta’s waren een jong geslacht. Hun stamvader was na de Slag bij Solferino in de adelstand verheven. Hij was Sloveen. Sipolje – de naam van het dorp waar hij vandaan kwam – werd zijn adellijke titel. Het lot had hem voorbestemd tot een heel bijzondere daad. Maar door eigen toedoen raakte hij in latere tijden in de vergetelheid.

Tijdens de Slag bij Solferino voerde hij als luitenant van de infanterie een divisie aan. De gevechten waren al een halfuur aan de gang. Drie stappen voor zich zag hij de witte ruggen van zijn soldaten. Het eerste gelid van zijn divisie knielde, het tweede stond rechtop. Iedereen was opgewekt en zeker van de overwinning.

Ze hadden uitgebreid gegeten en brandewijn gedronken, op kosten en ter ere van de keizer, die sinds gisteren aan het front was. Hier en daar viel een soldaat uit het gelid. Trotta sprong dan snel in zo’n bres en schoot met de geweren die door de doden en gewonden waren achtergelaten. Nu eens sloot hij de uitgedunde gelederen, dan weer verlengde hij ze, in vele richtingen turend met eindeloos scherp gesteld oog en in vele richtingen luisterend met gespannen oor. Door het geratel van de geweren heen pikte zijn scherpe gehoor de schaarse, heldere bevelen van zijn compagniescommandant op. Zijn scherpe blik doorboorde de blauwgrijze mist voor de vijandelijke linies. Hij loste geen schot zonder heel precies te richten en elk van zijn schoten was raak. De manschappen voelden zijn hand en zijn blik, hoorden zijn bevelen en voelden zich veilig.

De vijand laste een pauze in. Door de onafzienbare frontlinie ging het bevel: ‘Staakt het vuren!’ Hier en daar rammelde nog een laadstok, hier en daar knalde nog een schot, ver- traagd en eenzaam. De blauwgrijze mist tussen de fronten trok op. Plotseling stonden de manschappen in de hitte van de zilverig omfloerste, onweersachtige middagzon. Daar verscheen tussen de luitenant en de ruggen van de soldaten de keizer, samen met twee officieren van de generale staf. Hij stond op het punt een veldkijker naar zijn ogen te brengen die hem door een van zijn begeleiders was aangereikt. Trotta wist wat dit betekende: ook al ging je ervan uit dat de vijand zich terugtrok, de achterhoede stond ongetwijfeld nog naar de Oostenrijkers gekeerd, en wie een veldkijker voor zijn ogen hield maakte zich kenbaar als doelwit dat de moeite waard was om getroffen te worden.

En dat doelwit was de jonge keizer. Trotta voelde zijn hart bonzen in zijn keel. De angst voor de onvoorstelbare, onmetelijke ramp die hem, zijn regiment, het leger, de staat, de hele wereld kon vernietigen, joeg een gloeiende huivering door zijn lijf. Zijn knieën knikten. En de eeuwige rancune van de lagere frontofficier tegenover de hoge heren van de generale staf, die geen benul hadden van de bittere praktijk, bracht de luitenant tot de daad waardoor zijn naam onuitwisbaar in de geschiedenis van zijn regiment zou worden geschreven. Hij greep met beide handen naar de schouders van de monarch om hem omlaag te duwen.

Waarschijnlijk deed hij dat wat al te heftig. De keizer viel om. Zijn begeleiders lieten zich meteen bovenop hem vallen.

Op hetzelfde moment doorboorde een schot de linkerschouder van de luitenant, het schot dat het hart van de keizer had moeten treffen. Terwijl de monarch weer overeind kwam, zakte de luitenant in elkaar. Langs het hele front kwam het wanordelijke en opgewonden geknetter van uit hun sluimer gewekte geweren tot leven. De keizer, door zijn begeleiders ongeduldig gemaand de gevaarlijke plek te verlaten, boog zich over de luitenant en vroeg, zijn keizerlijke plicht indachtig, aan de bewusteloze, die niets meer kon horen, hoe hij heette. Een regimentsarts, een geneeskundig onderofficier en twee soldaten met een draagbaar kwamen aangerend, voorovergebogen en met het hoofd tussen de schouders. De officieren van de generale staf trokken eerst de keizer omlaag en wierpen daarna zichzelf op de grond. ‘Hier, deze luitenant!’ riep de keizer omhoog naar de hijgende regimentsarts.

Intussen was het vuren weer gestaakt. En terwijl de vaandrig voor het peloton ging staan en met heldere stem uitriep: ‘Ik neem het bevel over!’ stonden Franz Joseph en zijn begeleiders op en bonden de hospitaalsoldaten de luitenant voorzichtig vast op de draagbaar, en ze trokken zich allemaal terug in de richting van het regimentscommando, waar zich in een sneeuwwitte tent de dichtstbijzijnde verbandplaats bevond.

Trotta’s linkersleutelbeen was verbrijzeld. De kogel, die vlak onder zijn linkerschouderblad was blijven steken, werd in aanwezigheid van de keizer en onder onmenselijk gebrul van de gewonde, die door de pijn weer tot bewustzijn was gekomen, verwijderd.

Trotta was vier weken later weer hersteld. Toen hij terugkeerde naar zijn garnizoen in het zuiden van Hongarije, bezat hij de rang van kapitein, de hoogste van alle onderscheidingen: van de Maria-Theresiaorde en een adellijke titel. Hij heette voortaan kapitein Joseph Trotta von Sipolje.