schwob_logo

marcel
actie
Émile Zola - Het meesterwerk

2020 | Oevers | € 24,95 | paperback, 472 blz. | Vertaald door Lidewij van den Berg en Marijke Scholts, nawoord Marjolein van Tooren

Émile Zola

Het meesterwerk (Oevers)

Boek

Het meesterwerk vertelt in romanvorm over een groep kunstenaars wiens werk uitgroeide tot de meest invloedrijke stroming in de kunstgeschiedenis: het impressionisme.

Hoofdpersonage is Claude Lantier, een getalenteerde kunstenaar uit de Provence die naar Parijs komt om de kunstwereld te veroveren. Terwijl zijn jeugdvriend Pierre Sandoz uitgroeit tot een succesvol romanschrijver, wordt de originaliteit van Claude bespot op de Salon. Hij verliest zich meer en meer in zijn streven om een meesterwerk te schilderen, dat op de Salon kan worden tentoongesteld. Het leven - in de vorm van zijn model en vrouw Christine en hun zoontje Jacques - wordt opgeofferd voor de kunst.

Zola projecteerde op de personage van Claude Lantier kenmerken van Manet, Monet, maar vooral van zijn jeugdvriend Cézanne.

Biografie

Emile Zola

Émile Zola (1840-1902) was de meest prominente Franse romanschrijver aan het eind van de 19e eeuw. Zijn literaire werk werd beïnvloed door het oeuvre van Honoré de Balzac en Gustave Flaubert. Het meest bekend is hij om Les Rougon-Macquart, een serie van twintig romans waarin Zola alle lagen van de Franse samenleving onder het Tweede Keizerrijk aan bod laat komen.

Het meesterwerk (1886) is de veertiende roman uit deze serie. Als criticus viel hij scherp uit naar de Salonjury, toen zij De fluitspeler van Manet weigerden op te nemen in de tentoonstelling. Hij werd een fervent verdediger van het impressionisme.

Vertaler

Lidewij van den Berg vertaalde na haar doctoraal Vertaalwetenschap aan de UvA o.a. werk van Romain Puértolas, Julia Deck en Thomas Piketty.

Marijke Scholts vertaalde na haar studie Literatuurwetenschap en Franse Taal- en Letterkunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam o.a. werk van Georges Simenon en Jean-Claude Izzo.

Fragment

Hij zweeg, stapte achteruit om het resultaat te beoordelen, ging een moment op in de aanblik van zijn werk en vervolgde: ‘Nu hebben we iets anders nodig... Wat? Dat weet ik niet precies! Als ik het wist en als ik het kon dan zou ik heel groot zijn. Ja, dan zou er niemand anders zijn dan ik... Maar ik voel dat de grote romantische decoratieve kunst van Delacroix kraakt en ineenstort, en dat er om de donkere schilderijen van Courbet al de muffe geur hangt van het beschimmelde atelier waar de zon nooit schijnt... Begrijp je wat ik bedoel? Misschien hebben we de zon nodig, de openlucht, een frisse, jonge manier van schilderen, de mensen, de dieren en de dingen zoals ze zich gedragen in echt licht, ik kan het niet goed uitleggen, een schilderkunst die van ons is, die we met onze ogen van nu moeten maken en zien.’

Zijn stem stierf opnieuw weg, hij stotterde, niet in staat onder woorden te brengen hoe de toekomst heimelijk in hem ontlook. Er volgde een lange stilte, waarin hij trillend verder werkte aan het fluwelen jasje.

Sandoz had hem aangehoord zonder van houding te veranderen. En met zijn rug naar hem toegekeerd, als sprak hij in een droom tegen de muur, zei hij op zijn beurt: ‘Nee, we weten het niet, nee, we zouden het moeten weten... Iedere keer als een leraar me een waarheid wilde opdringen, ging ik steigeren en dacht ik: “Hij houdt zichzelf voor de gek of hij houdt mij voor de gek.” Hun ideeën maken me radeloos, ik denk dat we de waarheid veel ruimer moeten zien... O, wat zou het mooi zijn als je je hele leven aan één werk zou kunnen wijden en zou proberen daarin alles op te nemen, de dingen, de dieren en de mensen, de hele immense ark! Maar niet zoals de filosofische handboeken ze indelen, volgens de idiote hiërarchie waarin onze hoogmoed zich koestert, maar in de volle stroom van het allesomvattende leven, een wereld waarin wij alleen maar een toevalligheid zijn, waarin de hond die voorbijloopt en zelfs straatstenen ons aanvullen en verklaren. Kortom, het grote geheel, zonder hoog of laag, vuil of schoon, zoals het functioneert... En ja, de schrijvers en de dichters moeten zich tot de wetenschap wenden, want zij is tegenwoordig de enig mogelijke bron. Maar wát moeten we eraan ontlenen, hoe moeten we er verder mee komen? En dan voel ik meteen dat ik in het duister tast... O, wist ik het maar, wist ik het maar, wat een boeken zou ik het volk dan naar het hoofd slingeren!’

Ook hij zweeg nu. De afgelopen winter had hij zijn eerste boek gepubliceerd, een reeks aardige opstellen die hij uit Plassans had meegebracht, waarin alleen een paar ruwere noten wezen op de rebel, de hartstochtelijk liefhebber van waarheid en kracht. En sindsdien tastte hij onzeker rond, ging bij zichzelf te rade in de nog verwarde, kwellende denkbeelden die door zijn hoofd maalden. In het begin, bezeten van de gedachte aan grote werken, had hij het plan opgevat om in drie fasen het ontstaan van het universum te beschrijven: de schepping, verteld aan de hand van de wetenschappelijke inzichten; de geschiedenis van de mensheid, op zijn tijd gekomen om in de keten van levende wezens zijn rol te spelen; en de toekomst, met de elkaar altijd opvolgende wezens die de schepping van de wereld voltooien, in de eindeloze arbeid van het leven. Maar zijn enthousiasme was bekoeld bij de al te gewaagde hypothesen van de derde fase; hij zocht nu een beperkter, menselijker kader, waarin hij niettemin wilde vasthouden aan zijn ambitieuze plan.

‘O, alles zien en alles schilderen!’ riep Claude uit na een lange tussenpoos. ‘Kilometers muur om te decoreren, stations, markthallen, gemeentekantoren, alles wat er gebouwd wordt als de architecten niet meer zo stompzinnig zijn! Het enige wat je nodig hebt, zijn goeie spieren en een goeie kop, want onderwerpen zijn er genoeg... Het leven dat zich op straat afspeelt, het leven van de armen en de rijken, op de markten, de renbanen, de boulevards, in de dichtbevolkte steegjes; en alle gangbare ambachten, alle hartstochten afgebeeld in het volle licht; en de boeren, de dieren, het land... Wacht maar, we zullen zien of ik een barbaar ben! Mijn handen jeuken. Ja, heel het moderne leven! Fresco’s zo hoog als het Pantheon! Een serie doeken, zo fantastisch dat het Louvre ervan ontploft!’

Zodra ze samen waren, raakten de schilder en de schrijver gewoonlijk zo geëxalteerd. Ze zweepten elkaar op, maakten elkaar gek met hun dromen over eer en roem, werden bevangen door zo’n jeugdige bezieling, zo’n passie voor het werk, dat ze achteraf zelf moesten glimlachen om die grote, hoogmoedige dromen, verkwikt, alsof ze weer nieuwe souplesse en kracht hadden gekregen.

Reacties

‘Dit tragische liefdesverhaal vormt een meedogenloze schets van het toenmalige kunstenaarsmilieu.’ – Bart Van Loo

‘De beroemdste roman over kunst Julian Barnes