schwob_logo

marcel
actie
Ann Petry - De straat

2020 | Atlas Contact | € 24,99 | paperback, 416 blz. | vertaald door Lisette Graswinckel

Ann Petry

De straat (Atlas Contact)

Boek

De door pers en publiek lovend ontvangen roman De straat van Ann Petry verscheen in 1946. De straat was niet alleen Petry’s debuut, maar ook de eerste roman van een Afro-Amerikaanse vrouw waarvan meer dan een miljoen exemplaren werden verkocht. Tot op de dag van vandaag is het een van de weinige romans met een zwarte vrouw uit de arbeidersklasse als hoofdpersoon. Deze vrouw, Lutie Johnson, een sinds kort alleenstaande jonge zwarte moeder, probeert uit alle macht haar zoontje Bub een betere kans in het leven te bieden. Ze betrekt een uitgewoond flatje in 116th Street, een zijstraat in Harlem, dat ze zich als werkende vrouw net kan veroorloven. Lutie is toevallig ook beeldschoon, een gegeven dat haar situatie alleen maar ingewikkelder maakt, omdat alle mannen, wit of zwart, uiteindelijk maar één ding van haar willen. Als haar ongure huismeester door haar geobsedeerd raakt, laat Lutie niet met zich sollen.

Biografie

Ann Petry

Ann Petry (1908-1997) volgde een opleiding tot apotheker en werkte als journalist in Harlem voordat ze fictie ging schrijven. Haar debutDe straat was een literair fenomeen in Amerika in 1946.

Vertaler

Lisette Graswinckel studeerde Cultuur- en Wetenschapsstudies in Maastricht en Hull, volgde een opleiding tot vertaler in Utrecht, liep stage in Cambridge en ging na voltooiing van de Vertalersvakschool in Amsterdam aan de slag als literair vertaler. Ze vertaalde zowel vergeten klassiekers van Jean Rhys, Leonora Carrington, Joseph Conrad en Edith Wharton als hedendaagse romans van Lisa Halliday, Katharine Dion en Naoise Dolan. Daarnaast is ze verbonden als docent aan de Vertalersvakschool (Amsterdam & Antwerpen) en als redacteur aan PLUK, tijdschrift voor vertaalde literatuur.

Fragment

Er woei een koude novemberwind door 116th Street. Hij rammelde aan de deksels van de vuilnisbakken, zoog de rolgordijnen door de geopende ramen naar buiten en kwakte ze terug tegen de kozijnen. Ook joeg hij bijna alle mensen tussen 7th en 8th Avenue van de straat op enkele gehaaste voetgangers na, die zich diep vooroverbogen in een poging zo min mogelijk oppervlak aan de teisterende wind bloot te stellen.

Geen snipper papier op straat ontsnapte hem: strooibiljetten voor het theater, aankondigingen voor dansavonden en bijeenkomsten van de vrijmetselarij, de stevige broodwikkels van waspapier, het dunnere waspapier waarin sandwiches werden verpakt, oude enveloppen, kranten. Grijpgraag werkte de wind de stoeprand af en liet de papierflarden dansen, hoog in de lucht, zodat een muur van papier de mensen op straat in het gezicht dwarrelde. Hij vereerde zelfs portieken en keldergaten met een bezoek om kippenbotjes en varkenskluiven op te sporen en langs de stoeprand te stuwen.

Hij deed zijn uiterste best de voetgangers in deze straat te ontmoedigen. Hij verzamelde alle viezigheid, stof en vuil op de stoep en wervelde die omhoog, zodat de viezigheid in hun neus kwam en ze het benauwd kregen, zodat het stof in hun ogen kwam en hen verblindde, zodat het gruis in hun huid prikte. Hij wikkelde hun voeten in krantenpapier en verstrikte hen, totdat de mensen grommend vloekten, op de grond stampten en het papier van zich af schopten. De wind blies het terug, keer op keer, totdat ze wel moesten bukken om het papier met de hand los te trekken. Op dat moment greep de wind hun hoed, pelde de das van hun nek, stak zijn vingers in hun jaskraag, blies hun jas weg van hun lijf.

De wind tilde Lutie Johnsons haar op van haar nek en ze voelde zich plotseling bloot en kaal, want haar haar had zacht en warm aangevoeld. Ze huiverde toen de koude vingers van de wind haar nek beroerden en haar slapen aftastten. Hij blies zelfs haar wimpers achterover, zodat haar oogballen een kille vlaag te verduren kregen en ze moest knipperen om de woorden te kunnen lezen op het boven haar hoofd schommelende bordje.

Telkens als ze het bordje scherp in beeld dacht te hebben, duwde de wind het van haar af, zodat ze niet zeker wist of er één kamer of twee kamers stond. Waren het er twee, nou, dan zou ze binnenstappen en vragen of ze het flatje mocht bezichtigen, maar stond er één, wel, dan had dat weinig zin. Al kantelde de wind het bordje steeds van haar af, ze kon wel zien dat het er al geruime tijd hing, want de oorspronkelijke laag witte verf vertoonde strepen roest daar waar jarenlange regen en sneeuw de verf ten slotte tot op het metaal hadden weggevreten en het metaal langzaam was gaan roesten, met als gevolg een donkere vlek zo rood als bloed.

Er stond twee kamers. De wind hield het bordje een ogenblik stil voor haar neus, zwiepte het toen naar achteren tot het een onmogelijke hoek maakte met de stang waarmee het aan het gebouw vastzat. Ze las het vliegensvlug: TWEE KAMERS, STOOMVERWARMING, PARKETVLOEREN, NETTE HUURDERS. SCHAPPELIJK.

Ze bekeek de buitenkant van het gebouw. ‘Parketvloeren’ betekende hier dat het hout zo oud en verkleurd was dat zelfs de dikste laag vernis of schellak geen soelaas bood voor de beschadigingen en de oude krassen, het jarenlange gesleep met meubels over de vloer, de mokerslagen van de tijd, kinderen, dronkaards en vuile, slonzige vrouwen. ‘Stoomverwarming’ betekende ’s ochtends vroeg een ratelend, galmend kabaal in de radiatoren, en dan de rest van de dag een sissend geluid.

‘Nette huurders’ omvatte, in deze gebouwen waar het zwarte mensen was toegestaan te wonen, iedereen die in staat was de huur te betalen, dus ook mensen die te veel dronken, luidruchtig waren en ruzie zochten; die geneigd waren tot sombere buien waarin ze tomeloos vloekten en tierden, maar ook geneigd tot buien van net zo tomeloze euforie. En omdat de muren flinterdun waren, vervolgde ze, zouden de goede mensen, de slechte mensen, de kinderen, de honden en de walgelijke luchtjes allemaal samen één groot pakket vormen: het pakket dat ‘nette huurders’ heette.

De wind peuterde aan het rode platte hoedje op haar hoofd, en alsof hij ontstemd was dat hij het niet van zijn stevige verankering met haarspelden kon losrukken, blies de wind een grote wolk van stof, as en snippers in haar gezicht, haar ogen, haar neus. Hij sloeg haar om de oren alsof hij haar een laatste, nijdige mep wilde geven als teken van zijn ongenoegen dat hij haar niet kon opjagen.

Lutie zette zich schrap tegen de felle windvlagen en was vastbesloten haar gedachtegang over het flatje te voltooien voordat ze het zou bezichtigen. ‘Schappelijk’, tja dat kon zo’n beetje alles betekenen. Aan 8th Avenue betekende het goedkope huurwoningen, afschuwelijke onderkomens die mensonwaardig waren. Aan St. Nicholas Avenue betekende het hoge huren voor kleine flatjes en aan 7th Avenue betekende het grote, ruime appartementen die alleen betaalbaar waren als je kamers onderverhuurde. Maar aan deze straat kon het zo’n beetje alles betekenen.

Ze keerde zich naar de wind om de straat te beoordelen. De gebouwen waren oud en hadden smalle kleine ramen, wat inhield dat de kamers klein en donker waren. Gezien de ligging van de straat zou de zon nooit bij de flatjes naar binnen schijnen. Nooit. In de zomer was het er snikheet, in de winter koud. Rond de achtentwintig dollar zou ‘schappelijk’ zijn, hier in deze donkere, dichtbevolkte straat, mits het een woning op de bovenste etage was.

De gangen zouden hier nauw en donker zijn, maar daar haalde ze haar schouders over op, want een flatje vinden waar Bub en zij op zichzelf woonden was belangrijker dan donkere gangen. Het enige wat telde was ontsnappen aan pa en zijn dellen, want alles was beter dan dat. Donkere gangen, vieze trappen, zelfs kakkerlakken op de muren. Alles. Alles. Alles.

Alles? Nou ja, bijna alles. Dus wendde ze zich naar de ingang van het gebouw, maar terwijl ze zich omdraaide hoorde ze iemand zijn of haar keel schrapen. Het geluid was onmiskenbaar – tweetonig, eerst een hoge noot en daarna een grommende uitademing op een lagere noot – zodat ze het duidelijk kon horen ondanks het rumoer van de wind die aan de vuilnisbakken rammelde en naar de gordijnen uithaalde. Het klonk alsof iemand ‘hallo’ had gezegd, en ze keek op naar het raam boven haar hoofd.

In de kamer waar ze naar binnen keek brandde ergens een zwak lampje en tegen dat licht tekende zich het silhouet van een immense vrouw af. Ze tuurde met half dichtgeknepen ogen om haar beter te kunnen zien. De vrouw had een zeer donkere huid, om haar hoofd zat een strak geknoopte bandana en Lutie zag tot haar verbazing dat het raam openstond. Ze vroeg zich af waarom de vrouw op een koude, stormachtige avond als deze bij een open raam zat. Ze droeg niet eens een jas, alleen een soort wijde katoenen jurk. Ze dacht tenminste dat hij van katoen was, omdat hij zo slordig zat, zo volumineus en gekreukeld.

‘Een mooi huisje, liefje. Bel maar aan bij de huismeester. Kun je ’n kijkje nemen.’

Haar stem klonk sonoor. Warm. Toch merkte Lutie dat hoe langer ze haar bekeek, hoe minder ze haar mocht. Niet omdat de vrouw haar al die tijd had zitten bestuderen, haar gedachten had gelezen, in haar hoofd was gekropen, want dat was enkel ergerniswekkend. Maar begrijpelijk. Ze had waarschijnlijk niets beters te doen. Misschien was ze ziek en was haar enige pleziertje in het leven kijken naar alles wat zich onder haar raam op straat afspeelde. Dus dat was het niet. Het waren haar ogen. Die waren roerloos en kwaadaardig als die van een slang. Ze kon ze duidelijk zien, de uitdrukkingsloze ogen die over haar lichaam gleden en haar van top tot teen monsterden en taxeerden.

‘Bel maar aan bij de huismeester, liefje,’ herhaalde de vrouw.

Lutie keerde zich om naar de ingang van het gebouw, zonder de vrouw antwoord te geven maar met haar gedachten bij haar ogen. Ze duwde de deur open, stapte naar binnen en keek somber knikkend om zich heen. Het was donker in de hal. Het krachteloze peertje aan het plafond wierp net genoeg licht om niet te struikelen over, laten we zeggen, een piano die iemand zomaar onder aan de trap had laten staan, of om de contouren te kunnen zien van, noem eens wat, een olifant die door een ondernemende huurder van de straat was geplukt.

Wilde je echter een gevallen muntje terugvinden, dacht ze, dan moest je kruipend op handen en knieën de gebarsten tegelvloer afspeuren. En die olifant of piano zou je trouwens ook niet kunnen zien, want het halletje was voor de een noch de ander ruim genoeg. De trap liep steil omhoog, met donkere, hoge, krappe treden. Ze tuurde gefascineerd omhoog. Als je een dergelijke trap op ging, verwachtte je helemaal bovenaan, helemaal aan de top, een nieuwere, extra ingewikkelde hel: een gecompliceerde, vervolmaakte hel.

Ze boog zich voorover om de namen op de postbussen te lezen. Henry Lincoln Johnson woonde hier ook al, net als in alle andere huizen waar ze was gaan kijken. Hij of zijn bloedverwant. De Johnsons en de Jacksons waren reuze kroostrijk. Toen grinnikte ze, want wie was zij om er iets van te zeggen? Ze behoorde zelf tot die grote stam, die reuzegrote stam van de Johnsons. Aan de bellen te zien hadden de Johnsons onderhuurders: Smith, Roach, Anderson en, jeminee, zelfs een Rosenberg! De meeste namen waren met pen op de postbussen gekrabbeld. Op sommige waren de letters groot en dik. Andere namen stonden er met potlood, sommige in slordige, scheve blokletters als er namen waren doorgestreept en andere namen toegevoegd.

Op de benedenverdieping bevonden zich maar twee appartementen. Als de huismeester niet in het souterrain woonde, zou hij op de benedenverdieping wonen. Ja, daar stond het in blokletters boven 1a. 1a moest wel het donkerste flatje zijn, het kleinste en moeilijkst te verhuren flatje, maar de huisbaas zou zich op de borst kloppen dat hij de huismeester een parterrewoning had gegeven.

Ze bedacht dat het toch echt doodzonde was dat ze niet ook de halletjes wisten te verhuren. Met eenpersoonsbedden. Nee. Gewoon oude veldbedden. Dat bracht veel meer geld in het laatje. Als zij huisbaas was, zou ze zelfs de gangen nog verhuren. Het zou meer vertier opleveren voor de officiële huurders. Meneer Jones en echtgenote konden veldbed één en twee krijgen, Jackson en vriendin samen veldbed drie. En Rinaldi, die ’s nachts op de taxi reed, kon dat van Jackson en vriendin onderhuren.

Ze zou alle veldbedden vullen, rij na rij. En als de huurders van de flatjes ’s avonds laat thuiskwamen, konden ze als extraatje het wel en wee van de gangbewoners volgen. Jackson is nog niet thuis, maar z’n vriendin ligt in haar eentje opgekruld op het bed. Nadere inspectie, aangezien het karige licht geen details prijsgaf, zou onthullen dat... Grote goedheid, wat doet Rinaldi ’s nachts thuis? Wat drommel, hij ligt daar gezellig in Jacksons bed met Jacksons vriendin. Geen wonder dat ze zo tevreden oogde. De huurders van de flatjes zouden een plekje zoeken op de trap, alsof de gang een theater was en de voorstelling elk moment kon beginnen. Daar zouden ze blijven zitten om te zien wat Jackson bij thuiskomst zou doen als hij Rinaldi bij zijn vriendin in bed aantrof. Rinaldi zou misschien aanvoeren dat hij het bed toch zeker huurde om in te slapen, en dat hij indien er een deken op lag toch zeker onder die deken sliep, en dat hij indien er een vriendin op lag toch best met die vriendin mocht slapen?

In plaats van te lachen moest ze zuchten. Toen bedacht ze dat als er maar twee parterrewoningen waren waarvan de huismeester er eentje had, de bewoner van het andere flatje de dame met de slangenogen moest zijn. Ze bestudeerde de namen op de postbussen. Ja. Ene mevrouw Hedges woonde in 1b. De naam stond op het kaartje gedrukt, een zeer professioneel ogend kaartje. Ze was duidelijk een buitengewone vrouw, met die bandana om haar hoofd en die honingzoete stem. Misschien was ze een slangenbezweerster en zat ze aan het raam om haar bezweringen uit te strooien over de slangen, wolven, vossen en beren die door de wildernis van 116th Street slopen, struinden of kropen.

Lutie drukte op de bel van de huismeester. Hij maakte een snerpend geluid dat door het flatje galmde en weergalmde, voordat het in de hal terugkwam. Onmiddellijk klonk er woest geblaf, dat steeds dichterbij kwam omdat de hond naar de huisdeur rende. Zijn volle gewicht dreunde tegen de deur en ze deinsde terug toen hij tegen de deur tekeer bleef gaan. Hij wist van geen ophouden en de deur zuchtte onder zijn gewicht. Daarna hoorde ze hem snuffelen naar haar geur, een bloedstollend geluid. Vervolgens wierp hij zich weer tegen de deur. Ze week terug naar de straatdeur en bleef daar staan met haar hand op de knop. Op dat moment hoorde ze zware voetstappen en een man die de hond uitschold, en ze liep weer terug naar het flatje.

Aan zijn verschoten blauwe overall zag ze meteen dat de man die de deur opendeed de huismeester was. De warme, weeë geur van het flatje verspreidde zich door de hal. In de verte hoorde ze de stoom in de radiatoren sissen. De hond probeerde zich langs de man te wringen, maar de man schopte hem terug naar binnen. Hij schopte hem in zijn zij tot de hond met de staart tussen de poten van hem weg kroop. Ze hoorde hem janken, diep in zijn keel, en toen een mompelende vrouwenstem: iemand fluisterde de hond iets toe.

‘Ik kom voor het flatje. Het tweekamerflatje dat vrij is,’ zei ze.

‘Het is op de bovenste etage. Wilt u ’t bekijken?’

De hal was karig verlicht. Karig zoals het lampje in het flatje van mevrouw Hedges. Ze trok haar jas wat strakker om zich heen. Het komt door dit slechte licht, dacht ze. Om de een of andere reden waren de ogen van de man erger dan die van de vrouw bij het raam. Ach, ze was gewoon heel moe, zei ze tegen zichzelf, daarom beeldde ze zich van alles in en zag ze spoken in andermans ogen.

De lange, schrale man vulde de deuropening en keek op haar neer. Het is niet het slechte licht, dacht ze. Het is niet mijn verbeelding. Want nadat hij haar met een steelse blik had opgenomen, hadden zijn ogen zo hongerig gekeken dat ze prompt bang van hem werd, en bang om haar angst te tonen.

Maar het flatje, wilde ze het flatje? Niet in dit gebouw met deze huismeester; niet in dit gebouw waar mevrouw Hedges woonde. Nee. Ze wilde het flatje niet bezichtigen, de twee donkere, vieze kamers die voor een flatje moesten doorgaan. Toen dacht ze aan de plek waar ze nu woonde. De zes kamers waarin pa woonde met Lil, zijn vriendin. Een huis vol onderhuurders. Een huis waarin Lil overal aanwezig was.

Lil scheen elk hoekje ervan te vullen. Altijd zat ze koffie te slurpen in de keuken of slenterde door de zes kamers in een peignoir die niet helemaal rond haar volle, vlezige boezem sloot, of dronk bier uit hoge glazen die ze in de gootsteen liet staan tot het schuim rondom de rand een droge korst werd met daarop als een accentteken haar donkerrode lippenstift, of lag te luieren in het grote bed dat ze deelde met pa en God weet wie nog meer, of zat tot diep in de nacht met de onderhuurders aan de gin.

Maar het allerergste was dat ze Bub stiekem een borrel gaf of hem haar sigaretten liet aansteken. Het schrikbeeld van Bub, acht jaar oud, bij wie rook uit de mond kringelde...

Gisteravond nog had Lutie hem een harde oorvijg gegeven en was Lil ontzet teruggedeinsd, waarbij de peignoir nog verder afzakte van haar dikke borsten. ‘Jezus!’ zei ze. ‘Moet ie doof, of zo? Wat mankeert je?’

Reacties

‘Dit is mijn favoriete soort roman; literair en met een verbluffende plot. [...] Petry is de schrijver op wie we hebben gewacht, omdat haar verhalen niet alleen meeslepend zijn, maar bovenal genuanceerde perspectieven bieden op hedendaagse vraagstukken.’ – The New York Times

‘Een ijzersterk, ondubbelzinnig staaltje maatschappijkritiek.’ – Coretta Scott King

‘Dendert op zijn gedoemde apotheose af als een trein op een weggespoelde brug.’ – Newsday