schwob_logo

marcel
actie
Uwe Johnson - Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl

2020 | Van Oorschot | € 69,99 | gebonden met stofomslag en leeslint, 1600 blz. | vertaald door Marc Hoogma

Uwe Johnson

Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl (Van Oorschot)

Boek

Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl weet op overweldigende wijze een veelheid aan verhalen te vervlechten. Het is het dagdagelijkse relaas van Gesine en haar 10-jarige dochter Marie die naar New York zijn uitgeweken. Gesine vertelt haar dochter over haar eigen jeugd in een klein Oost-Duits stadje in Mecklenburg, van de dertiger tot de zestiger jaren. Ze beschrijft haar leven en dat van haar ouders, het reilen en zeilen in het dorp, hoe de nazi’s er gaandeweg de macht overnamen en hoe dat een hele generatie beïnvloedde: een mate van onderdrukking ook aanwezig in de DDR, die Gesine en haar dochter ontvluchtten.

Behalve dagelijkse beslommeringen legt Gesine het wereldnieuws van 1967–1968 vast door minutieus berichten uit The New York Times bij te houden. De actualiteit (protesten in de VS en Duitsland, de Vietnamoorlog en de Praagse Lente) wordt niet alleen gepaard aan de portretten van Gesines kennissen en collega’s, maar ook aan haar verhalen uit Mecklenburg.

Biografie

Uwe Johnson

Uwe Johnson (1934–1984) begon met het schrijven van zijn magnum opus Jahrestage toen hij al verscheidene boeken op zijn naam had staan. Voor zijn debuut Mutmassungen über Jakob ontving hij de Prix International, en hij was werkzaam als vertaler en redacteur. Van 1966 tot en met 1968 woonde hij in New York, aan de Riverside Drive, net als zijn personage Gesine in de ambitieuze roman waaraan hij daar begon te werken. Jahrestage verscheen in vier delen, waarvan het eerste in 1971 verscheen en het laatste vanwege gezondheidsklachten en een writer’s block pas in 1983 werd gepubliceerd. Johnson woonde sinds 1974 op het eiland Sheppey in zuidoost Engeland. Günter Grass noemde hem de belangrijkste schrijver van Oost-Duitsland.

Vertaler

Marc Hoogma (1952) las Jahrestage ruim twintig jaar geleden voor het eerst, begon het te herlezen en raakte zo geobsedeerd door het werk dat hij vervolgens met de vertaling ervan begon.

Fragment

Lange golven rollen schuin het strand op, welven fors gespierde ruggen, heffen trillende kammen, die omvallen als ze op hun groenst zijn. In die krachtige, al wit gestriemde kanteling wordt een ronde luchtholte omsloten die de heldere massa vervolgens verplettert alsof er iets geheims wordt gecreëerd en weer vernietigd. De uiteenspattende golf gooit kinderen omver, laat ze rondtollen, sleept ze over de korrelige bodem. Achter de branding trekken de golven een zwemster aan haar uitgestrekte handen over hun ruggen. De wind is lusteloos; wanneer de wind zo krachteloos is, worden de golven van de Oostzee piepklein. Die korte, Baltische golfslag noemden ze ‘kabbelen’.

Het dorp ligt op een smalle landtong voor de kust van New Jersey, ten zuiden van New York, twee uur met de trein. De gemeente heeft het brede zandstrand afgezet, mensen van elders betalen een toegangsprijs van veertig dollar per seizoen. Bij de ingangen lummelen gepensioneerde mannen in uniform rond die controleren of de badgasten wel een toegangsbewijs op hun kleding bevestigd hebben. De toegang tot de Atlantische Oceaan is vrij voor de bewoners van de strandvilla’s, die er loom bij staan onder hun veelvlakkige schuine daken, met hun veranda’s, hun galerijen die twee verdiepingen beslaan en met hun bonte markiezen, op de granieten dam boven de orkaangrens. Het gekleurde personeel in deze plaats vult een eigen kerk, maar negers mogen hier geen huizen kopen of woningen huren of in het witte, grofkorrelige zand liggen. Ook Joden zijn hier niet gewenst. Ze is er niet zeker van of Joden voor 1933 nog mochten huren in het vissersdorp bij Jerichow; ze kan zich geen verbodsbord zoals uit de jaren erna herinneren. Ze heeft van vrienden voor tien dagen een bungalow aan de kant van de baai mogen lenen. De mensen uit het huis ernaast nemen haar post in ontvangst en lezen de ansichtkaarten die het kind uit het vakantiekamp schrijft aan ‘dear Miss C.’, maar zij blijven haar aanspreken als ‘Mrs Cresspahl’ en zouden haar ook voor een katholieke vrouw van Ierse afkomst kunnen houden.

Ge-sine Cress-pål

ick peer di dine Hackn dål 1

De hemel is lang licht gebleven, blauw met witte wolken, de horizon is nevelig. Het licht weegt zwaar op de oogleden. Tussen de dure ligstoelen en de badlakens is er flink wat open ruimte op het strand, uit gesprekken van je buren dringen woorden door tot in je slaap, net als vroeger. Het zand is nog zwaar van de regen van gisteren, je kunt er stevige kussens van boetseren. Dwars over de hemel slepen vliegtuigjes spandoeken voort die dranken en winkels en restaurants aanprijzen. Verderop, boven de dichte zwerm sportvissersbootjes, zijn twee straaljagers aan het oefenen. Het breken van de branding valt samen met de knal van een zwaar schot en gaat op in de knetterende geluiden die ’s avonds te horen zijn als in de dorpsbioscoop een oorlogsfilm wordt vertoond. Ze wordt wakker van een paar regendruppels, en in het invallende duister is het blauwige oppervlak van een schuin pannendak ineens een borstelig strodak in een Mecklenburgs landschap, aan een andere kust.

Aan het gemeentebestuur van Rande bij Jerichow. Als voormalig burger van Jerichow en als voormalige regelmatige bezoekster van Rande verzoek ik u zeer beleefd informatie over het aantal zomergasten van het Joodse geloof dat in het jaar 1933 in Rande werd geteld. Alvast bedankt voor de moeite.

’s Avonds is het strand hard van het vocht, vol poriegaatjes, en drukt het de schelpensplinters scherper in je voetzolen. De terugtrekkende golven slaan zo hard tegen haar enkels dat ze zich telkens verstapt. Als ze stilstaat, haalt het water in twee bewegingen de grond onder haar voeten vandaan, spoelt ze dan weer onder. Na zo’n regenbui had de Oostzee een zachte, bijna effen zoom van de kust schoongeveegd. Als je op het strand van de Oostzee rende had je een spel waarbij kinderen bij een kind dat voor ze liep de voet die juist naar voren wilde zwaaien met een snelle, zijwaartse schop achter het standbeen haakten – bij het kind dat zij was, en de eerste keer dat je viel snapte je er niets van. Ze loopt richting vuurtoren, waarvan de weerkerende flits steeds langer wordende punten uit de blauwe schaduw hakt. Om de paar stappen probeert ze zichzelf door de golven omver te laten gooien, maar ze kan niet meer terughalen hoe het voelde tussen struikelen en neervallen in.

Can you teach me the trick, Miss C.? It might not be known in this country.

Aan het Israëlisch-Jordaanse front is weer geschoten. In New Haven slaan naar verluidt burgers van Afrikaanse afkomst etalages in en gooien brandbommen.

De volgende ochtend is de eerste kusttrein naar New York het open terrein langs de baai in gereden, gebrekkig materieel met onder de firmanaam geplakte pandbrieven. Jakob zou zulke verwaarloosde wagons niet van het rangeerspoor hebben laten vertrekken. De door regen gestreepte ramen omkaderen beelden: witgeverfde houten huizen in grijs licht, privéhavens in lagunes, half ontwaakte ontbijtterrassen onder de zware schaduw van loofbomen, riviermondingen, laatste doorkijkjes naar de zee achter havenpieren, beelden van vroegere vakanties. Waren het vakanties? In de zomer van 1942 zette Cresspahl haar in Gneez op de trein naar Ribnitz en legde haar uit hoe ze daar van het station naar de haven moest lopen. Gescheiden worden van haar vader bracht haar zo van haar stuk dat het niet in haar opkwam bang te zijn voor de reis. Ze vond de Fischland-boot in de haven van Ribnitz op een dikke, zwarte eend lijken. Terwijl ze de Saaler Bodden uitvoeren had ze de toren van Ribnitz in het oog gehouden, die van Körkwitz erbij geteld, ze had zich vervolgens de duinen van Neuhaus ingeprent, en tijdens de hele vaartocht naar Althagen stond ze naar achteren te kijken, om later de weg terug naar de trein, naar Jerichow, niet kwijt te raken.

In de zomer van 1942 wilde Cresspahl het kind liever niet thuishouden. In 1951 had hij haar ook weggestuurd, naar het zuidoosten van Mecklenburg, vijf uur van Jerichow. Het station van Wendisch Burg lag hoger dan de stad, vanaf het eind van het grijsblauwe, zandige perron kon je de oostkant van de Untersee zien, mat in de namiddag. Ze merkte pas bij het uitgangspoortje dat al die tijd dat ze daar besluiteloos stond Klaus Niebuhr naar haar had gekeken, zonder iets te zeggen, ontspannen tegen het ijzeren hek geleund, negen jaar ouder dan het kind dat zij zich herinnerde. Hij had een meisje meegebracht dat Babendererde heette. Zij was zo’n meisje dat spontaan glimlachte, en Gesine knikte voorzichtig toen Klaus haar naam noemde. Ze was bovendien bang dat hij wist waarom Cresspahl haar voorlopig niet in Jerichow wilde hebben. Vakantie kon je het nauwelijks noemen.

De trein doet op zijn gemak de kleine stationnetjes aan, forenzen in kantoorkleding stappen uit het schemerdonker van onder de daken tevoorschijn, elk alleen met zijn aktetas, in de trein klappen ze de stoelen omlaag en gaan slapen. Nu likt de zon aan de dakvorsten, werpt handenvol licht over de velden in de diepte. Het spoortje van Gneez naar Jerichow liep op grote afstand langs de dorpen; de stations waren rode blokkendozen met asfaltdaken en puntgevels, waarvoor een paar mensen met boodschappentassen stonden te wachten. De reisscholieren gingen zo op de perrons staan dat ze in de trein naar Gneez met z’n allen in de derde of vierde coupé achter de bagagewagen terechtkwamen. Op dit traject leerde Jakob het spoor kennen. In zijn zwarte kiel keek Jakob vanuit zijn remmershokje onbewogen neer op het groepje scholieren, alsof hij Cresspahls dochter niet wilde herkennen. Op zijn negentiende onderscheidde hij de mensen misschien nog naar hun stand. Vanuit de roestbruine moerassen van New Jersey zwenkt de trein over bruggen op stelten de Palisades in en buigt af naar de tunnel onder de Hudson richting New York. Ze staat dan allang in het middenpad in de rij mensen die een dag of een weekend op stap zijn geweest en af en toe een stapje naar voren doen, klaar om naar de wagondeur te rennen, naar de roltrap en de hoekige bouwbekistingen van het Pennsylvania Station, de westlijn van de metro in, de lijn naar Flushing, via de roltrap uit het blauwe gewelf op de hoek van 42nd Street bij het station Grand Central. Meer dan een uur te laat mag ze niet op haar werkplek komen, en een uur te laat alleen vandaag, na haar vakantie.

noot 1. Ik trap je tegen je hakken zodat je valt.

Reacties

‘A Masterpiece That Requires Your Full Attention — and a Lot of Time’ – New York Times

‘Johnsons Sprache erzeugt eine ungewöhnliche Intensität.’ – Frankfurter Allgemeine Zeitung

‘It feels thrillingly spontaneous, almost out of control.’ – The Guardian

'Een boek over een jaar en waarschijnlijk ook het boek van het jaar (...) Dit is een roman met een enorme reikwijdte, overweldigend door de veelheid aan thema’s en historische gebeurtenissen, verslavend door de fijnmazigheid van de details en talige spitsvondigheden' - De Tijd

'Het origineel telt bijna tweeduizend allerminst eenvoudige pagina’s, de zojuist uitgekomen Nederlandse editie (ik heb het bij de uitgever nagevraagd) 668.727 woorden. Maar wie zich daardoor niet laat afschrikken, is voor weken onder de pannen. Hij zal ontdekken dat het boek hem in de rol van onderzoeker dwingt, tot verscherpte aandacht, traagheid en precisie. De lezer, zegt Johnson ergens, zou zijn werk net zo langzaam moeten lezen als hij het geschreven heeft. Maar ook voor wie dat met een korreltje zout neemt heeft het boek een ongekende leeservaring in petto.' - Cyrille Offermans in De Groene Amsterdammer

'Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl is een uiteenspattende golf die ons omver gooit, laat rondtollen, over de korrelige bodem sleept, en ons happend naar adem weer achterlaat.' - De Standaard der Letteren