schwob_logo

marcel
actie
Janet Lewis - De vrouw van Martin Guerre

2020 | Cossee | € 20,99 | gebonden, 176 blz. | vertaald door Paul van der Lecq

Janet Lewis

De vrouw van Martin Guerre (Cossee)

Boek

Zuid-Frankrijk, 1539. Bertrande de Rols is elf als ze wordt uitgehuwelijkt aan Martin Guerre. Het is een tegemoetkoming in de langlopende vete tussen twee Franse plattelandsfamilies. Bertrande kent hem pas twee dagen, maar ze weet dat ze voor de rest van haar leven ‘de vrouw van Martin Guerre’ zal zijn. Op een dag deelt Martin plots mee dat ‘hij een tijdje weg moet’.

Acht jaren gaan voorbij totdat hij eindelijk terugkeert. Hoe, vraagt zich Bertrande af, kan ik zeker zijn dat deze man wel dezelfde is als degene die mij acht jaar geleden verliet? Hij is sympathiek, rustiger dan vroeger, goed voor zijn familie en werknemers. En als die man Martin niet is, doet dat dan af aan het geluk dat Bertrande bij hem heeft gevonden?

De vrouw van Martin Guerre vertelt een waargebeurd verhaal over een opzienbarend proces en onderzoekt tegelijkertijd of geluk gebaseerd op een leugen achteraf geen geluk meer is of mag zijn.

Biografie

Janet Lewis

Janet Lewis (1899-1998) was een Amerikaanse schrijver en dichter. Gedurende meer dan zestig jaar werkte ze in Californië aan een indrukwekkend oeuvre, bestaande uit poëzie en verhalenbundels, romans, libretti en kinderboeken. Een serie van drie novelles over waargebeurde, beruchte rechtszaken wordt gezien als haar meesterwerk. Tegen de achtergrond van deze rechtszaken stelt Lewis morele vragen over verantwoordelijkheid, liefde en geloof.

Vertaler

Paul van der Lecq heeft Nederlandse taal- en letterkunde gestudeerd aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Sinds begin jaren negentig is hij actief als freelance redacteur en vertaler. Hij vertaalde literair werk van onder andere Julia Blackburn, Teju Cole, Geoff Dyer, Min Jin Lee, William Maxwell, Edith Pearlman, Zadie Smith, Graham Swift en Donna Tartt. Ook is hij bestuurslid van de sectie Literair vertalers van de Auteursbond.

Fragment

Oom Pierre moest nogmaals uit de doeken doen hoe hij de vader van Sanxi had ontmoet. ‘Het was in de buurt van de kerk, ver weg van het pad naar de boerderij. Ik herkende hem meteen, alleen al aan zijn achterhoofd. Ik riep: “Hola, Martin, neef van me, waar ga je heen, zo ver uit de richting van je eigen huis? Je bent terug!” En ik zei: “Ik hoop toch niet dat je weer vertrekt voordat je je eigen huis hebt teruggezien.” En hoe luidde het antwoord van deze voortreffelijke man? “Ik wil naar de kerk om God te danken dat ik veilig en wel ben teruggekeerd, en om te bidden voor de ziel van mijn vader, over wiens dood ik pas gisteren te horen heb gekregen.”’

De pastoor gaf ter instemming een ernstig knikje; de oom pinkte zelfs een traantje weg.

‘Dus ik riep: “Martin, lieve jongen, omhels me, sluit je oude oom Pierre in de armen,” en toen gingen we samen naar de kerk om te bidden. Ik ben blij dat ik deze dag nog heb mogen meemaken.’

Vervolgens moest Sanxi’s vader van de pastoor en oom Pierre het hele verhaal horen van Sanxi’s grootvader die van zijn paard viel en op slag dood was, en van zijn grootmoeder die zachtjes was ingeslapen, thuis in bed, omringd door de hele familie en de bediendes, die allemaal in tranen waren – iedereen, behalve haar zoon Martin, en te midden van al die verhalen verbaasde Sanxi zich erover dat hij zijn moeder beurtelings zag huilen en lachen. Zijn vader huilde niet. Hij reageerde heel ernstig, ernstig en kordaat, en Sanxi, die naast hem zat, bestudeerde alle riemen en gespen van zijn wapenrusting, zag dat het metaal van zijn halsstuk langs het leer van zijn wambuis had geschuurd, en begon een stille bewondering voor hem te koesteren.

Gedurende de rest van de dag was hij niet meer bij zijn vader weg te slaan, als een hondje dat het niet uitmaakt of hij wordt opgemerkt of niet, als hij er maar bij is. Hij hoorde zijn vader in het kort over zijn omzwervingen vertellen. Hij luisterde naar de bediendes die zijn vader overvoerden met verhalen over alles wat er was gebeurd sinds hij acht jaar geleden was vertrokken. Hij luisterde zelfs onopgemerkt mee toen oom Pierre zijn vader vertelde hoe de zaken van het huis ervoor stonden. En in de avond klonk er viool‑ en fluitmuziek, werd er vlees geroosterd als op een fête, en kwamen buren van vele kilometers uit de omtrek zijn vader welkom heten. Sanxi had nooit geweten dat het er bij hem thuis zo vrolijk aan toe kon gaan. Zelfs de muren van de keuken leken tot leven te komen en te beven in de roodachtige gloed vanonder de schoorsteen. De koperen ketels twinkelden en schoten vuur. Ook het geglazuurde aardewerk op de ladekast weerspiegelde het trillende licht en als zijn vader zich kletterend in zijn stoel liet vallen of opstond om een nieuwkomer te begroeten leek zijn wapenrusting voor even de kleur aan te nemen van een herfstachtige zonsondergang. Maar geen boer kan ontkomen aan de tirannie van de seizoenen. De volgende ochtend werden de fluiten en violen opgeborgen en nog voor de zon opkwam waren de mannen van de boerderij weer als vanouds aan het werk. De heer des huizes ging het land op en zijn vrouw moest koeien melken: tot aan het avonduur verliep de dag zoals gebruikelijk en vervolgens, tussen de maaltijd en het gebed, werden er aan het haardvuur verhalen verteld over vreemde landen, over belegeringen en marsroutes, over het doden van ketters, waarna het uiteindelijk niet zijn moeder was die zei: ‘Laat ons bidden,’ maar het hoofd van het huishouden die net als Sanxi’s grootvader verkondigde: ‘Het is tijd voor het gebed, kinderen.’

Na die terugkeer maakte het boerenbedrijf een verbazingwekkende bloeiperiode door. De vitaliteit van de man werkte aanstekelijk en hij had oog voor het werk van zijn ondergeschikten, was zo attent bij gelegenheid een woord van waardering daarvoor uit te spreken, wat de oude heer nooit gedaan had. Voor zowel Bertrande als Sanxi was het een nieuw leven, een nieuwe wereld bijna. Ze legde de verantwoordelijkheid voor het boerenbedrijf graag bij haar man en gaf zich ook aan zijn liefde over. Acht jaar lang was ze weduwe geweest, en nu was ze ineens weer vrouw. De eenzaamheid was uit huis verdwenen. Zelfs als er geen oude vrienden van ver kwamen om Martin Guerre te bezoeken, zelfs als de pastoor niet aan het haardvuur kwam zitten om te luisteren naar de verhalen over de wereld voorbij de bergen, dan nog werden er mooie gesprekken gevoerd in huis en klonk er ook weleens muziek, en Sanxi bloeide helemaal op en werd steeds mannelijker, nu hij een vader had gevonden die hij aanzag voor niets minder dan een held.

Een paar maanden later ontdekte Bertrande dat ze zwanger was. Ze verheugde zich daarin en tegelijk vervulde het haar van angst en beven, want soms werd ze beslopen door een vreemde ongerustheid, een angst zo gruwelijk en ongewoon dat ze die zelfs in het diepst van haar hart niet voor zichzelf durfde te erkennen. Stel nu eens dat Martin, die vreemdeling met zijn ruwe baard, niet de echte Martin was, de man die ze vaarwel had gekust op die dag rond het middaguur, aan de rand van het zojuist aangeplante veld? In zo’n geval zou ze een inktzwarte zonde hebben begaan, want haar intuïtie had haar daar toch zeker tegen gewaarschuwd? Op de avond van zijn terugkeer, overstelpt door verlangen en verbijstering, had ze staan trillen in zijn armen en had ze keer op keer gepreveld: ‘Martin, dit is zo vreemd, ik kan niet geloven dat het waar is.’

Reacties

‘Een loepzuivere tragedie, geschreven in tijdloos proza.’ – Dirk-Jan Arensman, VPRO Gids

'Een prachtig geschreven, kleine roman.' - Nicole Lucas, Trouw

'
Vaardig tekent Lewis de orde van het universum van oeroude en welgestelde boerengeslachten op. Een zintuiglijke plattelandslyriek is leidend.' - Hannah van Wieringen, NRC

'Het plotje was slechts een vehikel, zoals in alle goede boeken, om een paar dilemma's op te werpen waarmee mannen en vrouwen sinds mensenheugenis worstelen.' - Graa Boomsma, De Groene Amsterdammer

‘Janet Lewis zet een levensechte vrouw neer die worstelt met dilemma’s die nog altijd actueel zijn.’ – The New York Review of Books

De vrouw van Martin Guerre houdt je volledig in de greep.’ – Wall Street Journal