schwob_logo

marcel
actie
Fernando Pessoa - De ontraadselaar

2020 | Koppernik | € 21,50 | paperback, 224 blz. | vertaald door Harrie Lemmens

Fernando Pessoa

De ontraadselaar (Koppernik)

Boek

Fernando Pessoa was niet alleen de grootste dichter van Portugal, hij schreef ook korte verhalen, essays, toneelstukken en pamfletten, richtte kranten en tijdschriften op en ‘verdeed’ zijn tijd met het maken van plannen in cafés. Dat hij ook goed om zich heen keek in ‘zijn’ stad Lissabon, blijkt niet alleen uit het magistrale Boek der rusteloosheid, maar ook uit de detectiveverhalen die hij schreef. Zoals Agatha Christie de Belg Hercule Poirot had, en Arthur Conan Doyle moorden liet oplossen door Sherlock Holmes, zo liet Pessoa zijn ‘gevallen’ ontraadselen door de arts in ruste Abílio Quaresma, ‘gespecialiseerd in de algemeenheid’, zoals iemand hem karakteriseert in een van de verhalen. In De ontraadselaar worden voor het eerst vier van de detectiveverhalen over Abílio Quaresma in het Nederlands vertaald.

Biografie

Fernando Pessoa

Fernando Pessoa, op 13 juni 1888 geboren in Lissabon, is Portugals beroemdste dichter. Hij publiceerde onder talrijke namen, ‘heteroniemen’, zoals Alberto Caeiro, Ricardo Reis en Álvaro de Campos. Zijn bekendste prozawerk, het Boek der rusteloosheid, bestaat geheel uit fragmenten die na zijn dood werden opgediept uit de kist met nagelaten werk. Hij stierf op 30 november 1935.

Meer informatie

Vertaler

Harrie Lemmens (Weert 1953) studeerde Nederlands in Nijmegen. Hij woonde en werkte achtereenvolgens in Oost-Berlijn, Lissabon, Nijmegen, Brussel en Almere en vertaalde proza en poëzie uit het Duits, Engels, Spaans en vooral Portugees, o.a. van Pessoa, Eça de Queiroz, Saramago, Agualusa, Rentes de Carvalho, Mia Couto, Dulce Maria Cardoso, Cormac McCarthy,Christoph Hein, João Ubaldo Ribeiro, Machado de Assis, António Lobo Antunes en Gonçalo M. Tavares. In 2006 kreeg hij de vertaalprijs van het Nederlandse Fonds voor de Letteren. Daarnaast schreef hij recensies, essays en andere stukken.

Fragment

In de vroege ochtend van de twaalfde februari 1907, niet vroeg op zichzelf maar wel voor de leefgewoonten van Lissabon, doemde op de Estrada de Benfica een duidelijk bezorgd ogende jonge vent op, hoewel ook weer niet erg jong, met een doorsnee postuur, een gebruind gezicht en aan de magere kant, die in het aldaar gelegen politiebureau vroeg naar het adres van marineofficier Pavia Mendes. Aan de balie konden ze hem niet verder helpen, maar een van de agenten had vaag het idee dat er een commandant met die naam, of iets wat erop leek, een eindje verderop in de Estrada de Benfica woonde, aan de rechterkant.

De vragensteller bedankte gehaast en liep met haastige stappen door. Verderop herhaalde hij zijn vraag aan een kruidenier die zijn winkel aan het openen was – het was kort na halfacht. De kruidenier kende hem niet. Een melkboer die voorbijkwam en aan wie de grutter de vraag doorspeelde, bleef staan en knikte. Het huisnummer wist hij niet, maar luitenant-kapitein Pavia Mendes woonde iets verderop aan de rechterkant, in een wit huis met maar één verdieping, tegenover een klein plantsoen, met een ijzeren poort in het hek rond de tuin. Het kon niet missen. Er was geen ander huis in die kleur, althans niet tot aan dat ene, aan de rechterkant, met maar één verdieping en opzij een poort enzovoort.

De vreemdeling bedankte hem uitbundig en liep vlug door. Een kleine honderd meter verderop vond hij het huis dat hem was aangewezen. Hij keek door de ijzeren spijlen van de tuinpoort – niemand te zien. Daarop begaf hij zich naar de voordeur, die aan de straat lag. Hij bleef staan, aarzelde, haalde zijn horloge tevoorschijn en zag dat het kwart voor acht was. Hij aarzelde nog even, ongetwijfeld vanwege het vroege tijdstip, maar vermande zich toen en klopte aan.

De deur werd geopend door een al wat oudere dienstmeid die de nieuwkomer met enige bevreemding opnam. Wat ze zag was een nog jonge vent tegen het magere aan, met een doorsnee postuur en een gebruind gezicht; en ze zag ook dat hij in een staat van bezorgdheid leek te verkeren.

‘Woont commandant Pavia Mendes hier?’ vroeg de man op haastige toon.

‘Ja, meneer, die woont hier.’

‘Zou... zou ik hem even kunnen spreken... Neemt u me niet kwalijk... Ik weet dat dit geen fatsoenlijk tijdstip is om bij iemand aan te kloppen, en al helemaal niet bij iemand die je niet kent, maar het is dringend, ik moet hem dringend spreken... Hij zal al wel op zijn neem ik aan...’

En omdat de vrouw aarzelend mompelde: ‘Op is-ie toevallig wel, ja, want hij heeft de hele nacht doorgewerkt in zijn studeerkamer..., maar...’, voegde hij eraan toe: ‘Mag ik u iets vragen? Heeft een gemeenschappelijke vriend van ons, Carlos Vargas, gisteravond hier gegeten?’

De vrouw antwoordde, luider nu en nog altijd met een verbaasd gezicht: ‘Ja meneer, dat klopt, zeker... Een grote sterke man...’

‘Precies, ja, precies, dat is ‘m. En, als u mij toestaat, is hij niet hier gebleven, heeft hij hier de nacht niet doorgebracht?’

‘De hele nacht?!’ riep de vrouw uit. ‘Nee, het was wel laat toen hij ging (ik lag al in bed en meneer heeft hem zelf uitgelaten); ik herinner me dat ik de deur open hoorde gaan. Na enen moet dat zijn geweest.’

‘Lieve hemel!’ riep op zijn beurt de vreemdeling uit. ‘Wat zou er dan gebeurd zijn?’

En de meid zei verschrikt: ‘Ik zal meneer roepen.’

Op dat moment drong een stem de gang binnen, gevolgd door de drager van die stem, die ietwat nors vroeg: ‘Wat is er aan de hand, Teresa?’

Reacties

'Pessoa en detectives? Toch niet zo'n gekke combinatie. Quaresma is gewoon het volgende personage waaraan de dichter zijn ideeën over de menselijke existentie kan ophangen.' - De Volkskrant

'De drie overige verhalen in de bundel zijn een stuk korter, telkens 20 à 30 bladzijden, en volgen grosso modo hetzelfde stramien: ze gaan niet echt over een misdaad, maar draaien rond de boven tijd en ruimte verheven monologen van dokter Quaresma, die je met een beetje fantasie naast Ricardo Reis, Alberto Caeiro en zovele anderen misschien ook als een van Pessoa’s heteroniemen zou kunnen beschouwen: allemaal afspiegelingen die verschillende facetten van één zeer veelzijdige, geniale geest in zich dragen. Niet te missen dus.'- Tzum

'
 Je zou niet snel van een dichter als Pessoa verwachten dat hij zich in dit frivole en bovendien aan tamelijk onverbiddelijke regels gebonden genre beweegt als een vis in het water. Aan de andere kant sluit de speurdersroman in de hier bedreven vorm goed aan bij Pessoa’s ontembare redeneer- en classificatiedrift.' - De Leesclub van Alles