schwob_logo

marcel
actie
Henri Roorda - Het vrolijk pessimisme

2021 | Boom | € 20,00 | Paperback, 64 blz. | Vertaald door Rokus Hofstede

Henri Roorda

Het vrolijk pessimisme (Boom)

Boek

De zwartgallige humorist Henri Roorda (1870-1925), Frans-Zwitsers schrijver van Nederlandse origine, schreef onder het pseudoniem Balthasar in de eerste decennia van de twintigste eeuw een onafzienbare reeks cursiefjes voor dagbladen als La Tribune de Genève en La Gazette de Lausanne. Zijn sprankelendste columns, geschreven tussen 1917 en 1925, zijn in deze bundel verzameld.

Het ook bij Boom te verschijnen Mijn zelfmoord opende met de woorden: ‘Al geruime tijd ben ik van plan een boekje te schrijven onder de titel Het vrolijke pessimisme. Die titel bevalt me. Ik vind dat hij een mooie klank uit, en hij drukt aardig uit wat ik zou willen zeggen.’ Roorda’s plan werd niet bewaarheid, maar deze bundel columns komt bijna een eeuw na dato aan zijn verlangen tegemoet.

Biografie

Henri Roorda

Henri Roorda (1870-1925) is een Frans-Zwitsers auteur van Nederlandse origine. Tijdens en na WO I schreef Roorda, van huis uit anarchist en pacifist, voor Zwitserse kranten honderden kronieken waarin hij de vrije loop gaf aan zijn humoristische verve en antimilitaristische spot. Enkele maanden na zijn zelfverkozen dood verscheen wat zijn bekendste werk zou worden: Mon suicide. In 2021 verschijnen bij Uitgeverij Boom een bundeling van Roorda's sprankelendste kronieken, getiteld Het vrolijke pessimisme, en tevens, als afzonderlijke uitgave, en voorzien van een nawoord door Jeroen Brouwers, Mijn zelfmoord.

Meer informatie

Vertaler

Rokus Hofstede (1959) bracht een deel van zijn leven in Zwitserland en België door, en woont in Ronse. Hij studeerde sociale geografie, culturele antropologie en filosofie in Groningen en Utrecht en legde zich vanaf eind jaren 80 toe op het vertalen van Franse literatuur, vooral essayistisch proza (Barthes, Bourdieu, Ernaux, Latour, Michon, Perec, Ramuz). Hofstede vertaalde samen met Martin de Haan Prousts Swanns kant op (Athenaeum – Polak & Van Gennep) en Huysmans Aan de vrouw (Lebowski). Hij ontvangt in 2021 de Martinus Nijhoffprijs.

Fragment

Mevrouw Dinges moet beseffen dat een winkelmeisje soms goede redenen kan hebben om niet goedgehumeurd te zijn. Voor een verkoopster die urenlang heeft gestaan en zich niet-aflatend heeft uitgeput in welbespraakte overredingskracht met als enig doel haar bazen te verrijken, is het geen eer en ook geen troost om tegen de avond mevrouw Dinges te mogen bedienen, die zoals bekend nooit haast heeft. Laat mevrouw Dinges eerst zélf glimlachen. Zij is niet moe. En laat ze, ze heeft immers alle tijd van de wereld, elke ochtend oefenen voor de spiegel om iets te doen aan haar tronie van achtenswaardige, zelfvoldane, poenige dame.
‘De vermoeiende glimlach’
La Tribune de Lausanne,14 oktober 1917

De oorlog moest dus voor onze morele hernieuwing zorgen. Ja hoor! Het was me wat fraais! Omdat we nergens meer zeker van waren, begonnen we dagelijks aan onze maag te denken. Daar werd ons denken niet echt verhevener van. Slimme producenten en handelaars begrepen dat het moment gekomen was om hun koopwaar zo duur mogelijk aan hun dierbare landgenoten te verkopen. (Want er was meer dan één oorzaak voor het duurder worden van het leven.) Sommige tussenpersonen incasseerden buitensporige ‘commissies’, dat valt te begrijpen. En ten slotte sneuvelden in deze oorlog de beste vertegenwoordigers van het mensdom. Wat we overhouden zijn wanhopigen, verminkten, verweesden, praatjesmakers, diplomaten, bejaarden, bedachtzamen en neutralen. En aangezien men ons morele plichten heeft voorgehouden, zou ik nog kunnen zeggen dat de deugd iets van haar glans verliest voor mensen die zich afvragen of ze volgende week nog in leven zijn.
‘Wereldwijde ontwapening’
La Tribune de Lausanne, 27 oktober 1918

Niet alle vertegenwoordigers van het mensdom zijn gelijkwaardige eenheden. De lieden die de telling van de wereldbevolking hebben gedaan, hebben alle hoofden geteld, ongeacht wat erin zit. Ze hebben onvolgroeide ukjes die nog niet eens ‘baa-bee-bie-boo-buu’ kunnen zeggen voor vol aangezien. Ik kan ‘baa-bee-bie-boo-buu’ zeggen, helemaal foutloos, van voor naar achter en van achter naar voor. Wie ook in het grote totaal worden meegerekend: geparfumeerde bavianen, zwartjes, ingedutte papperige pasja’s, pindachinezen, beenloze paupers op wieltjes, lottospelers, dwangarbeiders, geesteszieken, overbodige overjarige opgetutte hertoginnen, voortvluchtige keizers, de vrouw met de baard, betweters, mijn onuitstaanbare kamerdienaar en het soort afschuwelijke industriëlen die notenolie maken van meikevers. En dan zwijg ik nog over anderen die ik beleefdheidshalve onvermeld laat. In dit jammerlijke allegaartje hebben ze mij ondergedompeld. Maar ík heb diploma’s, ik schrijf voor kranten en mijn toespraken worden gedrukt in een oplage van zesendertigduizend. Ik behoor kortom tot de selecte kring die het licht verbreidt in het moderne bewustzijn. Is het dan billijk dat aan mij even weinig belang wordt toegeschreven als aan een van voornoemde tweevoeters?’
‘Ik, het miljardste deel’
La Tribune de Lausanne, 27 april 1919

Pas toen de mensheid zich ontwikkelde tot een georganiseerd, hiërarchisch geheel, bracht ze grootse dingen tot stand. We hoeven niet te benadrukken welke resultaten we aan de arbeidsdeling hebben ontleend. Laten we slechts opmerken dat de farao’s niet zonder hulp van buitenaf de hoge piramides hadden kunnen oprichten die door Thomas Cooks Reisbureau eerbiedig voor de vergetelheid worden behoed. Ze hadden duizenden toegewijde slaven, van wie de geestdrift werd aangewakkerd door dagelijkse uitdelingen van zweepslagen. (Omdat vingers fragiel zijn, moeten we wel aannemen dat de stichtelijke schop onder de kont pas later is uitgevonden, door mensen die schoeisel met een stevige zool droegen. Omdat hij hartelijker is dan de zweepslag, betekent de schop onder de kont trouwens al een stap in broederlijke richting.)
‘Hoe staan we ervoor?’
Gazette de Lausanne, 28 december 1919

Ik ga er prat op dat ik tot de rechtvaardigen behoor. Ik ken mijn zwakheden en gun ook anderen hun tekortkomingen. (Ze kunnen trouwens heel goed zonder mijn goedkeuring.) Van de armen zou ik dus geen totale zelfopoffering eisen. Ik stel voor dat de overheid hun in elk land gul bedeelt met fictieve rijkdommen, zoals diploma’s en onderscheidingen. Gestreelde ijdelheid doet niet onder voor een gestreelde tong, en moeten we zelfs hoger inschatten, als we de gezondheidsdeskundigen mogen geloven. Na tien jaar blijmoedige volharding krijgt de bewuste arme een bewijs van goed burgerschap, dat hij aan de voordeur van zijn woning mag bevestigen. Weer tien jaar later, als hij ‘standvastig’ is gebleken, wordt hem aan een rood lintje een eerste eervolle vermelding uitgereikt. Het Erelint van Nationale Onthouding verdient hij pas na veertig jaar burgerzin en verbeten arbeid. Wat de wellustelingen betreft die aan tongfilets, bioscoopvoorstellingen, thés dansants en dasspelden de voorkeur geven boven de achting van hun medeburgers, die krijgen nooit een onderscheiding. En zo hoort het ook.
‘Ze willen niet meer arm zijn’
Gazette de Lausanne, 16 december 1920

De paraplu heeft dit gemeen met de heer Mussolini dat je er eindeloze bespiegelingen aan kunt wijden. Ik neem het mezelf kwalijk dat ik het onderwerp zo lang heb veronachtzaamd.
Regen is antediluviaal.[1] Dat kan niet worden gezegd van de paraplu, die naar verluidt is uitgevonden door de Franse Burgerkoning Louis Philippe.[2] Gewoonlijk vinden koningen niets uit. Dat mag niet van het protocol. Maar eenmaal is geenmaal. Er zijn dus duizenden jaren voorbijgegaan waarin het hemelwater een onvoorstelbare hoeveelheid schedels besproeide zonder dat in ook maar één van die schedels het verlossende idee ontkiemde. Eeuwen verstreken, wandelaars lieten zich natregenen en niemand vond de paraplu uit. Ik vind dat tamelijk verbluffend. Want onze voorouders waren niet achterlijk. Ze hebben uitvindingen gedaan die heel wat meer genialiteit vergden dan die van Louis Philippe. En bovendien is het idee van de paraplu ons bijna aangeboren. Zouden we niet instinctief een beschuttend scherm boven ons hoofd moeten houden als we van bovenaf door nattigheid worden bedreigd?
‘De paraplu’
Gazette de Lausanne, 30 september 1921

Teleurstellende feesten zijn feesten waarnaar je te lang hebt uitgezien. De mensen die je liefhebt moet je plezieren juist als ze het niet verwachten. Van tijd tot tijd, op momenten die in wezen willekeurigzijn, komt mijn vriend Philippe thuis met een handvol pakjes. ‘Omdat het vandaag een feestdag is,’ zegt hij tegen zijn vrouw, ‘heb ik zijden kousen, een gebraden kapoen en een fles Clos-Vougeot voor je meegebracht.’ ‘Hoezo, is het vandaag een feestdag?’ vraagt zijn echtgenote blij verrast. ‘Ja, we herdenken de slag bij Azincourt.’ [3]
Philippe is niet erg thuis in historische data, maar hij is slim genoeg om zelf een feestje te organiseren wanneer een stem vanbinnen hem zegt dat de tijd rijp is.
‘Moeten we Nieuwjaar vieren?’
Gazette de Lausanne, 30 december 1921

Ik zou dus willen dat er altijd conflicten blijven bestaan tussen bepaalde particuliere egoïsmes en het collectieve egoïsme. Omdat de mensheid die ons wordt aangezegd zich van alle rijkdommen van de planeet meester heeft gemaakt, zullen vrije individuen moeten leven als parasieten op het maatschappelijk lichaam. Maar het zullen nuttige parasieten zijn. Wie vlooien heeft, is niet alleen, en wanneer hij zich verveelt, schiet hem algauw een tijdverdrijf te binnen.
‘Op naar eenheid!’
Gazette de Lausanne, 30 maart 1922

Onderwijzer B. geeft al dertig jaar toegewijd en plichtsgetrouw les. We kennen allemaal een paar van zijn kwaliteiten. Maar we hebben geen flauw benul van de grote deugden die hij misschien aan de dag zou leggen als zijn levensomstandigheden een aangrijpende wending namen. We hebben hem nooit oog in oog zien staan met een twee meter vijftig grote, levenslustige ijsbeer. De lichte verslapping die bij hem merkbaar is wanneer de thermometer 35 graden in de schaduw aangeeft, zegt ons niet hoe hij zich zou verharden onder invloed van de kou die ’s winters heerst in de contreien waar de Klondike stroomt. Hij is niet getrouwd met zo’n Koerdische vrouw die schrikwekkend en romantisch van aard is en erop staat dat haar man een fraaie moord begaat. En wanneer hij ten slotte terugkeert in zijn hut en aan zijn trouwe echtgenote vraagt: ‘Zal er vlees zijn, vanavond?’, zegt hij daar meteen achteraan: ‘Of eten we gewoon een omelet met ham en kaas?’ En deze laatste woorden ontnemen aan zijn vraag alle dramatiek.
‘Zal er vlees zijn?’
Gazette de Lausanne, 25 augustus 1925

In de achttiende eeuw waren de militairen begaafd met esprit; ze wisten dat de massa niets anders vraagt dan optochten en fanfares en ze vonden het dus overbodig zich overhoop te gaan laten schieten door onbekenden. Voor hen was het krijgsbedrijf een spel dat ze met fantasie en goed humeur konden spelen. Heel af en toe, om bij vrouwen een gevoelige snaar te raken, deden ze alsof ze vertrokken naar de landsgrens, en wanneer ze op een veilige plek waren aangekomen, kampeerden ze daar. Er werd gedanst met de marketentsters op het jonge groen van de beemden, en na een paar weken ging iedereen met roem overladen weer naar huis. De vijand deed hetzelfde, en zo was er genoeg roem voor iedereen.
‘Treurige regressie’
Gazette de Lausanne, 10 september 1925


[1] De lezer vergeve mij deze zondvloed van vóór de zondvloed. (Noot auteur)

[2] Louis Philippe (1773-1850), ook wel Lodewijk Filips I genoemd, was de laatste Franse koning (1830-1848).

[3] Op 25 oktober 1415 versloeg het leger van Hendrik V van Engeland de troepen van Karel VI van Frankrijk bij het Noord-Franse dorpje Azincourt.