schwob_logo

marcel
actie
Valery Larbaud - Kinderscènes

2021 | De Arbeiderspers | € 22,50 | Gebonden met stofomslag, 224 blz. | Vertaald door Katrien Vandenberghe

Valery Larbaud

Kinderscènes (Arbeiderspers)

Boek

In Kinderscènes roept Valery Larbaud fijnzinnig de fantasie- en gevoelswereld van kinderen en jonge adolescenten op, onnadrukkelijk in het teken van de verglijdende tijd of tegenover de nuchtere stijl van volwassenen gesteld. Een tijdloos boek dat met soepele, beknopte suggestie, elegant, ongekunsteld en geestig de vluchtige kinderziel in taal weet te vangen.

Biografie

Valery Larbaud

Valery Larbaud (1881-1957) is een van de subtielste stilisten in de twintigste-eeuwse Franse literatuur. Sinds E. du Perron hem in de jaren dertig met zijn vertalingen (van o.a. Fermina Marquez) introduceerde geldt hij in de Lage Landen als een geheimtip.

Vertaler

Vertaalster Katrien Vandenberghe, geboren in de Vlaamse Westhoek, studeerde klassieke talen en vertaalt sinds ruim tien jaar Franse literatuur. Ze vertaalde onder meer romans van Tanguy Viel, Mathias Enard, Lutz Bassmann en Julia Deck. Met Rokus Hofstede vertaalde ze twee werken van Bruno Latour.

Fragment

‘Met onze haren strak gehouden door een lange ronde haarkam en onze vlechten opgerold en opgeborgen in een zwart netje hebt u geen idee hoe hard onze gezichten eruitzagen. En hard waren we voor elkaar, en ongelukkig. Ik was in ieder geval ongelukkig op dat pensionaat in de provincie. Ik geloof dat ik toen altijd koude voeten en vingertoppen had – ik was een stil en triest meisje. Wat ik aan vrolijks heb, kwam pas door mijn eerste liefde als vrouw. Op mijn kostschool in de Jura noemden de juffen me een “stiekemerd”.

Ik had van Rosa Kessler gehoord nog voor ik haar zag. Het was de avond van mijn aankomst. Ze was vast populair: meisjes van de middelste groep hadden het met opgewonden stemmen over haar: “Röschen... Röschen...”

Ik vroeg me af hoe je dat schreef. Toen zag ik de naam met krijt op een schoolbord staan. Ik dacht dat het haar achternaam was – we werden daar nooit met onze voornaam aangesproken. Een paar grote meisjes hadden me gevraagd: “Hoe heet je?” en hadden gelachen omdat ik antwoordde: “Rose.”

Het was voor mij wennen om te reageren op “Lourdin”. Eenmaal binnen die schoolmuren leken we onze roepnaam thuis te hebben gelaten. Röschen was de enige uitzondering, waarschijnlijk omdat “Röschen” zo goed bij haar paste...

Ik vond het fijn om te worden berispt. Ik geloof dat ik vaak expres iets deed wat niet mocht om te worden berispt. Niet dat het me geen pijn deed, hoor, integendeel. De eerste keer bestierf ik het bijna. Het was tijdens het avondeten. De juf gaf me een standje omdat ik me niet netjes gedroeg. Ik had mijn trots en dacht dat haar reprimande me minder zou raken als ik deed alsof ik er niet zwaar aan tilde. Ik glimlachte, als om te zeggen: “Ja, juf, het heeft niets te betekenen en u wilt me vast geen pijn doen, daar bent u te aardig voor!”

De vrouw was bijziend. Misschien zag ze daardoor niet wat er achter mijn glimlach zat. Met ontsteld gelaat vloog ze plotseling op me af, schold me uit voor brutaal nest en riep dat ze die manieren van mij niet zou dulden. Ik was twaalf en voelde dat ze net zo boos op me was als ze op een vrouw van haar leeftijd had kunnen zijn. De hele eetzaal was er stil van. Ze zette me voor straf in de hoek, en daar bleef ik over mijn hele lijf staan trillen tot iedereen klaar was met eten. De hele nacht heb ik gehuild en met vertrokken onderlip mijn tranen opgedronken. Als ik ermee ophield, bedacht ik hoe onrechtvaardig de juf was geweest – met alle macht perste ik die herinnering uit en weer kwamen er tranen van. Ten slotte huilde ik expres, terwijl ik dacht: morgen heeft ze medelijden met mijn zielige ogen en krijgt ze spijt. Dan zal ik haar alles vergeven en veel van haar houden. Ik meende dat ik al van haar hield. We zouden samen over de speelplaats wandelen. Ze zou mijn grote vriendin zijn... Maar ze kreeg geen spijt en ik dreef daarna vrolijk en openlijk de spot met haar.

Een andere keer had ik een dictee toevallig zo goed gemaakt dat de juf Frans me beschuldigde van spieken en me maar niet wilde geloven toen ik dat ontkende. Ik genoot lang van mijn verdriet. Ik hield het dicht tegen me aan. Het bleef twee dagen bij me en toen het ineens was verdwenen, voelde ik me triest omdat ik er zo snel overheen was. Het was toch een onrecht dat je niet vergeten kon. Over twintig jaar zou ik die vrouw ergens tegenkomen en zeggen: “Weet u nog van dat dictee? Nou, ik had niet gespiekt!” Maar de twintig jaar die mijn onwraakbare getuigen zouden zijn, voelde ik als een enorme bergketen voor me oprijzen, pikzwart en schrikwekkend, in een vreemd land.

Terwijl ik eronder leed, bedacht ik voortdurend dat het niet erg was, dat het zou overgaan zoals ander verdriet was overgegaan, dat het ook weer niet zó pijnlijk was, dat er op datzelfde moment veel ongelukkiger mensen waren dan ik en dat ik hoe dan ook ooit dood zou gaan. Maar ik hield van de smaak van bedwongen tranen, van die tranen die van je oog in je hart lijken te vallen, achter het masker van je gezicht. Ik potte ze op als een schat – ze waren een bron die ik midden op mijn reis door de dag tegenkwam. Daarom vond ik het fijn om te worden berispt.

Maar als ik er meteen overheen wilde komen, hoefde ik maar aan Röschen te denken. In het jaar waarover ik u vertel was ze dertien – een jaar ouder dan ik – en zat ze een klas hoger. Ze kwam uit Duitstalig Zwitserland en dankte daaraan de bijnaam Pruisin. Ik had nog nooit met haar gesproken, maar keek naar haar zo vaak ik kon en elke avond voor het inslapen lag ik innig aan haar te denken.

Reacties

'Prachtig gecomponeerde, charmante en licht melancholische verhalen.' - Wineke de Boer, De Volkskrant

'
De verhalen doen canoniek aan. Je weet steeds al bij de beginzinnen dat je een heel erg goed verhaal aan het lezen bent. Min of meer hetzelfde wat je ervaart als je aan een verhaal van Tsjechov begint. Maar Larbaud heeft niet de statuur van Tsjechov. En dat maakt deze verhalen verrassend. (...) De verhalen in Kinderscènes zijn gevoelig, universeel, diepzinnig en luchtig tegelijk. Ze hebben een overduidelijke hoge kwaliteit.' - Merijn de Boer, De Groene Amsterdammer

''Hij beschreef de verbeeldingswereld van het jonge volkje van binnenuit, met een verbluffend inlevingsvermogen en een peilloze psychologische diepgang.' - Marijke Arijs, De Standaard der Letteren

'Valery Larbaud gold als 'a writer's writer voor de happy few'. In zijn nu vertaalde Enfantines (1918) wist de Franse schrijver op bedrieglijk eenvoudige wijze de fantasie- en gevoelswereld van kinderen en jongeren tot leven te wekken, maar ook hun hardvochtigheid. Prachtuitgave met gravures uit 1926.' - Dirk Leyman, De Morgen

'Kinderscènes biedt troost door ons in de waan te laten dat we onze kindertijd pas echt kunnen beleven eenmaal we volwassen zijn. Tegelijk confronteren deze enfantines ons met de onmetelijke tristesse dat onze kindertijd eindig is en — helaas — onomkeerbaar verloren, eenmaal de volwassenheid zijn bruuske intrede doet.' - Laurent De Maertelaer, Mappalibri