schwob_logo

marcel
actie
Zora Neale Hurston - Barracoon

2020 | De Geus | € 18,50 | paperback, 192 blz. | vertaald door Robert Dorsman

Zora Neale Hurston

Barracoon (De Geus)

Boek

In 1860 wordt de negentienjarige Oluale Kossola vanuit West-Afrika naar de Verenigde Staten verscheept, op het laatste – dan al illegale – Amerikaanse slavenschip de Clotilda. Wanneer hij al ver in de tachtig is, wordt hij als de laatst bekende overlevende van de slavernij geïnterviewd door de beroemde schrijfster en antropologe Zora Neale Hurston. Gedurende een periode van maanden komen de schrijfster en de oude man elkaar nader, en vertrouwt hij haar steeds meer toe: zijn jeugdherinneringen, verhalen over zijn gevangenneming, de horror van de overtocht en het verdere verloop van zijn leven nadat de Amerikaanse burgeroorlog hem zijn vrijheid teruggaf. Hurston tekende zijn verhaal in 1931 op met het gevoelige oor en de empathie die haar tot een van de belangrijkste Amerikaanse schrijvers van de twintigste eeuw maakten, maar vond geen uitgever voor dit werk. Toen het in 2017 alsnog verscheen, werd het herkend als een uniek historisch document.

Biografie

Zora Neale Hurston

Zora Neale Hurston (1891 – 1960) was een Amerikaans schrijfster, antropologe en ethnografe, en staat vandaag de dag bekend als een van de belangrijkste Amerikaanse schrijvers van de twintigste eeuw. Hurston liet zich in boeken als het bekende Their Eyes Were Watching God (1937) kritisch uit over de Amerikaanse rassenpolitiek, en ook plaatste ze vraagtekens bij de eerdere verworvenheden van de Harlem Renaissance, een artistieke beweging van Afro-Amerikaanse kunstenaars waartoe ze zelf ook behoorde.     Ondanks Hurstons talent raakte zij in de jaren vijftig in de vergetelheid. Er bleek weinig interesse in haar antropologische werken. Hurston stierf in eenzaamheid en armoede. Pas na haar dood verscheen Barracoon (1931), een uniek historisch document waarin Hurston de herinneringen van een overlevende van het slavenschip Clotilda heeft opgetekend.

Vertaler

Robert Dorsman (Utrecht, 1955) is een vertaler van Amerikaanse, Britse, (Zuid-)Afrikaanse en Caribische literatuur. Hij vertaalde onder andere het werk van Breyten Breytenbach, Antjie Krog en John Updike. Dorsman stelde samen met Adriaan van Dis de bloemlezing O wye en droewe land samen, een bundel met gedichten in het Afrikaans. Daarnaast publiceerde hij vertalingen voor de literaire tijdschriften Tirade, Revisor en Revolver.

Fragment

I

Toen ik een afspraak had met Cudjo was het zomer en daarom stond de deur wijd open. Maar nog voor ik de tuin betrad wist ik dat hij ergens in of rond het huis moest zijn, want het hekje zat niet op slot. Als Cudjo het veld achter zijn huis op gaat of van huis weg is, dan sluit hij zijn hek af met een ingenieuze houten pin naar Afrikaans vernuft.
Ik riep hem bij zijn Afrikaanse naam toe ik het trapje naar zijn veranda beklom en hij keek verrast op toen hij me in de deuropening zag staan. Hij was aan zijn ontbijt bezig, at met zijn vingers uit een emaillen pan, zoals ze dat in zijn vaderland gewoon zijn te doen.
Doordat hij zo verrast was me te zien, bleef zijn hand ergens tussen de pan en zijn gezicht hangen. Toen welden de vreugdetranen bij hem op.
‘O, Heer,’ ik wist dat jij het was toen mijn naam klonk. Niemand noemt me bij de naam die ik aan de overkant van het water heb gekregen dan jij. Jij noemt mij altijd Kossula, net als op Afrikaanse bodem gebeurde!’
Er at nog een andere man mee en ik vroeg me af waarom. Dus ik zei: ‘Ik zie dat u gezelschap hebt, Kossula.’
‘Ja, ik moet iemand bij me in de buurt hebben. Ik lig al vijf maanden ziek in bed. Ik heb iemand nodig die me een slokje water aangeeft. Dus ik heb deze man in huis genomen om voor Cudjo te zorgen. Maar het gaat al stukken beter, hoor.’
Ondanks zijn ziekte en ondanks het feit dat het hem de laatste tijd minder goed was gegaan, trof ik Cudjo Lewis in blakende welstand aan. Er stond jonge aanplant in zijn tuin. Zijn Indiase sering wierp een diepe schaduw en alles was in orde.
Hij vroeg een paar dingen over New York en toen ik hem antwoord had gegeven, genoot hij zwijgend van zijn pijpje. Ten slotte vertelde ik hem dat ik gekomen was om met hem te praten. Hij haalde de pijp uit zijn mond en lachte.
‘Vind ik niet erg,’ zei hij, ‘ik hou ervan als er mensen bij me over de vloer komen.’ De glimlach maakte plaats voor een verwrongen masker als van iemand die huilt. ‘Ik ben zo alleen. Mijn vrouw is al sinds 1908 bij me weg, Cudjo is helemaal op zichzelf.’
Na korte tijd vermande hij zich en zei schuldbewust: ‘Neem me niet kwalijk. Jij hebt mij niets misdaan. Cudjo voelt zich zo alleen; hij moet er soms zo van huilen. Wat wil je van me?’
‘Eerst wil ik u vragen hoe u zich vandaag voelt.’
Weer een omfloerste stilte. Toen zei hij: ‘Ik dank God dat ik kan bidden, en dat in een land met de Bijbel.’
‘Maar hadden jullie in Afrika dan geen god?’ vroeg ik hem.
Hij begroef zijn hoofd in zijn handen en daar kwamen de tranen weer. De pijn op zijn gezicht ziende speet het me dat ik was gekomen om deze gevangene in een vreemd land lastig te vallen. Hij las mijn gedachten en zei: ‘Vergeef me mijn tranen. Ik moet huilen als ik de naam hoor. O, Heer. Afrikaanse grond zie ik niet meer!’
Opnieuw een lange stilte. Toen: ‘Waarom vraag je me of we in Afrika geen God hadden?’
‘Omdat u zei dat u kon bidden en in een land met de Bijbel was.’
‘Ja, in Afrika wisten we altijd dat er een God was; hij heette Alahoea, maar arme Afrikanen kunnen de Bijbel niet lezen, dus we wisten niet dat God een Zoon had. Niet omdat we dom zijn – we wisten het gewoon niet. Niemand had ons verteld over Adam die van de appel had gegeten, we wisten niet dat de zeven zegelen voor ons gesloten waren. Onze ouders hadden ons dat niet verteld. Ze vertelden ons niet over de eerste dagen. Nee, het klopt. We wisten het gewoon niet. Dus dat kom je me vragen?’
Ik dacht even na. ‘Inderdaad ja. Dat wilde ik vragen, maar ik wil u nog veel meer vragen. Ik wil weten wie u bent en waarom u tot slaaf werd gemaakt, uit welk deel van Afrika u komt, en hoe het u verging als slaaf gemaakte, en hoe u het als vrij man hebt gered.’
Opnieuw boog hij een tijdje het hoofd. Toen hij zijn betraande gezicht weer ophief, mompelde hij: ‘Dank u, Jezus! Iemand is naar Cudjo komen vragen! Ik wil diegene vertellen wie ik ben en misschien gaat die ooit wel naar Afrikaanse bodem en noemt daar mijn naam en iemand daar zegt: “Ja, ik ken Kossula.” Ik wil dat je overal waar je komt vertelt wat Cudjo zegt, en hoe ik sinds 1859 op Amerikaanse bodem ben beland en mijn eigen mensen niet meer zie. Ik kan er niet ingewikkeld over praten, begrijp je, maar ik zal het je woord voor woord vertellen dan komt het niet verdraaid over.
Mijn naam is niet Cudjo Lewis. Die is Kossula. Toen ik op Amerikaanse bodem kwam, probeerde meneer Jim Meaher mijn naam uit te spreken, maar die was te lang, begrijp je, dus ik zei: “Ben ik nou uw eigendom?” Hij zei: “Ja.” Toen zei ik: “Noem me dan maar Cudjo. Dat is genoeg.” Maar op Afrikaanse bodem gaf mijn mama me de naam Kossula.
Mijn mensen, begrijp je, die hadden geen ivoor bij de deur staan. Als er ivoor van de olifant voor de deur stond, dan was dat bij een koning, een heerser, begrijp je. Mijn vader en zijn vader heersten niet over iemand anders. De oude mensen die tweehonderd jaar leefden voor ik werd geboren vertelden mij niet dat de vader (verre voorvader) over iemand heerste.
‘Mijn mensen in Afrika, begrijp je, die waren niet rijk. Dat is de waarheid, echt. Ik ga je niet vertellen dat mijn mensen rijk waren en van hoge komaf waren. Als jij naar Afrikaanse bodem gaat en het de mensen vraagt dan zeggen ze: “Waarom vertelt Kossula daar in Amerika aan de mensen dat hij rijk is?” Ik vertel je hoe het is. Nou, dan klopt het, nietwaar?
Mijn vaders vader, begrijp je, hij was een beambte van de koning. Hij woonde niet in de kraal bij ons. Waar de koning ging, daar ging hij, begrijp je. De koning gaf hem heel veel land en geiten en schapen. Nou, da’s goed. Misschien wordt hij na een tijdje wel een kleine dorpsoudste, ik weet het niet. Maar hij ging dood toen ik een kleine jongen was. Wat hij later geworden is, dat heeft mij niet bereikt.
Mijn opa, hij was een groot man. Ik zal je vertellen wat er met hem gebeurde.’
Ik was bang dat Cudjo plotseling van onderwerp veranderde, dus ik viel hem in de rede: ‘Maar Kossula, ik wil over u horen, hoe u in Afrika leefde.’
Hij keek me aan met een blik waaruit minachting en medelijden sprak en vroeg: ‘Waar staat het huis waar de muis de leider is? Op Afrikaanse bodem kan ik je niet vertellen over de zoon voor ik verteld heb over de vader; en daarom, begrijp je, kan ik niet vertellen over de man die de vader is (et te) tot ik je verteld heb over de man die zijn vader is (et te te, grootvader), nou, dat klopt nietwaar?
Mijn gootvader, begrijp je, die had een hele grote kraal. Hij had volop vrouwen en kinderen. Zijn huis, dat stond in het midden van de kraal. Op Afrikaanse bodem staat het huis van de man altijd te midden en de huizen van de vrouwen die staan in een cirkel rondom het huis waar hun echtgenoot woont.
Hij had niet gedacht met zoveel vrouwen te zullen trouwen. Nee. Op Afrikaanse bodem is het de vrouw die voor hem op zoek gaat naar nog een vrouw.
Stel dat ik op Afrikaanse bodem ben. Cudjo is zeven jaar getrouwd, bijvoorbeeld. Zijn vrouw zegt: “Cudjo, ik word oud. Ik ben moe. Ik zal je een andere vrouw brengen.”
Voor ze dat gezegd heeft, heeft ze het meisje dat hij niet kent al in gedachten. Het is een meisje dat ze erg aardig vindt. Misschien heeft haar man haar nog nooit gezien. Nou, ze gaat naar de markt, misschien op het grote plein. Ze ziet dat meisje en vraagt haar: “Ken je Cudjo?” Het meisje zegt tegen haar: “Ik heb over hem gehoord.” De vrouw zegt: “Cudjo is goed. Hij is aardig. Ik zou het fijn vinden als jij zijn vrouw werd.” Het meisje zegt: “Kom mee naar mijn papa en mama.”
Ze gaan, begrijp je, samen naar het huis van de ouders van het meisje. Ze stellen de echtgenote vragen en zij beantwoordt ze voor haar man. Zij stelt hen ook vragen en als beide kanten tevreden zijn met elkaar dan zeggen de ouders van het meisje: “Wij geven onze dochter in uw zorg. Ze is niet meer van ons. Wees goed voor haar.”
De vrouw komt terug bij Cudjo en regelt alles. Cudjo moet de vader voor het meisje betalen. Als het een rijk meisje is dat al lange tijd in een vet huis woont, begrijp je, dan moet hij twee van alles voor haar betalen. Twee koeien, twee schapen, twee geiten, twee kippen, jams, misschien goud. De rijke man heeft zijn dochter lange tijd in zijn vette huis gehouden. Soms twee jaar. Ze krijgt acht keer per dag eten en ze laten haar niet alleen naar bed gaan en opstaan. Degene met het vette huis die tilt ze naarbinnen en naarbuiten, zodat ze geen vet kwijtraken.
Is de man niet zo rijk, dan kan hij zijn dochter niet lang houden, dus zij is niet zo vet. De arme man stuurt zijn dochter niet.
Daarom, begrijp je, betaalt de man een andere prijs voor een ander meisje. Als ze de dochter is uit een arme familie, of als ze al eerder getrouwd is geweest of zo, dan hoeft hij niet veel voor haar neer te tellen.
Als de nieuwe vrouw voor het eerst naar de kraal van haar man komt, dan gaat ze in het huis van de oude vrouw wonen. Zij leert haar wat ze moet doen en hoe ze voor de man moet zorgen. Als ze dat allemaal heeft geleerd, dan krijgt ze een huis voor zichzelf.
Als ze klaar zijn om het nieuwe huis te bouwen, dan pakt de man zijn machete en hakt de palmboom om om de plek te markeren waar het huis gebouwd gaat worden. Dan slacht hij een koe en koopt heel veel palmwijn. Dan komt iedereen het vlees eten en de wijn drinken en stampen ze de boel glad en dan wordt het huis gebouwd.
Mijn opa heeft heel wat keren een huis voor zijn vrouwen gebouwd.
Sommige mannen in Afrika krijgen geen vrouw omdat ze er geen een kunnen kopen. Ze hebben niks om te geven dus mag een vrouw naar hen komen. Sommigen hebben er te veel. Als je honger hebt is het pijnlijk, maar wanneer je buik vol is, is dat ook pijnlijk.
Alle vrouwen maken eten (udia) voor de echtgenoot. Alle mannen houden van fufu. Hij eet de kalebas tot de rand gevuld met fufu, dan ging mijn grootvader liggen om te slapen.
De jonge vrouwen (voor ze oud genoeg zijn om de taken van getrouwde vrouwen op zich te nemen) helpen om de echtgenoot in slaap te krijgen. De een wuift hem koelte toe met de waaier, een ander streelt over zijn voorhoofd. Misschien maakt er een zijn handen schoon en iemand anders verzorgt zijn teennagels. Dan slaapt hij en snurkt.
Er staat iemand op wacht voor de deur dus niemand maakt lawaai en maakt hem wakker. Soms maakt de zoon van een slaaf in de kraal te veel herrie. De man die op wacht staat pakt hem op en brengt hem naar mijn grootvader. Hij gaat omhoog zitten en kijkt de jongen zo aan. Dan vraagt hij hem: ‘Wie heeft jou verteld dat de muis over het dak van de machtige mag lopen? Waar is die Portugese man? Ik ruil je voor tabak! In vroeger dagen was ik in jouw vel gaan lopen!’ (Dat wil zeggen, ik zou je hebben vermoord en schoeisel hebben gemaakt van je huid). Ik zou water hebben gedronken uit je schedel. (Ik zou je hebben vermoord en je schedel hebben gebruikt als drinkbeker.)
Mijn opa zei dat, maar hij heeft het stamhoofd nooit gevraagd om iemand aan de Portugezen te verkopen. Sommige stamhoofden werden boos als de slaaf zo brutaal was en niet het werk deed wat hem verteld was te doen. Dan werd hij aan de Portugezen verkocht. Het stamhoofd gooide een sinaasappel onder de tafel. Dan riep hij de slavenjongen en zei tegen hem: “Raap de sinaasappel onder de tafel op.” De jongen kruipt onder de tafel. Het stamhoofd had daar een man staan. Misschien twee. Wanneer de jongen onder de tafel kroop om de sinaasappel te pakken, dan zei het stamhoofd: “Pak de Bosjesman!” De mannen grepen de jongen en verkochten hem.

Reacties

‘Een van de grote schrijvers van onze tijd.’ – Toni Morrison

 ‘Biedt op ijzingwekkende wijze toegang tot een van de grootste misstanden van de moderne tijd; een gruweldaad die, beschreven door een slachtoffer ervan, opeens een minder ver weg lijkt.’ – The Guardian ‘Het genie Hurston heeft opnieuw een meesterwerk geproduceerd.’ – Alice Walker