schwob_logo

marcel
actie
Gabriele Tergit - De Effingers

2020 | Van Maaskant Haun | € 29,99 | gebonden, 733 blz. | vertaald door Meta Gemert

Gabriele Tergit

De Effingers (Van Maaskant Haun)

Boek

De Effingers vertelt het verhaal van vier generaties van drie met elkaar verweven Berlijnse families. Het boek speelt zich af tussen 1878 en 1948 en begint met een brief die de 17-jarige Paul Effinger schrijft aan zijn ouders en eindigt ook met een brief van dezelfde Paul: Het is de afscheidsbrief die hij op 80-jarige leeftijd schrijft voordat hij naar het vernietigingskamp wordt getransporteerd.

Tussen die twee momenten in de tijd worden vele intrigerende personages opgevoerd - ouders, kinderen, geliefden, vrienden en vijanden. Het is veelzeggend voor zowel het verloop van de Duitse geschiedenis als van Tergits meesterlijke vertelling, dat het woord 'joods' de eerste 200 pagina's van het boek nauwelijks voorkomt, terwijl vrijwel alle belangrijke personages in De Effingers joods zijn. Tergit negeert de antisemitische stereotyperingen van de 19e eeuw niet, maar laat op treffende wijze zien dat het joods zijn vóór het begin van de jaren dertig van de vorige eeuw in Duitsland geen overheersende rol heeft gespeeld. Pas als de nazi's voor de deur van de macht staan, verandert alles dramatisch. Tergit spaart de lezer niet wat er daarna gebeurt, maar het is niet de ingrijpende beschrijving van het Hitler-regime die de lezer tot nadenken stemt; het is eerder de hernieuwde bewustwording van de pure waanzin die erachter schuilgaat. Toch vertelde de auteur over De Effingers dat ze niet 'een roman over het Joodse lot had geschreven, maar een roman over Berlijn die veel mensen afbeeldde die toevallig Joods waren.'

Biografie

Gabriele Tergit (1894-1982) begon het boek te schrijven in 1932 op het hoogtepunt van haar carrière als journalist en auteur. Als baanbrekende (eerste vrouwelijke) rechtbankverslaggever had ze groot inzicht gekregen in de verhalen van mensen uit alle windstreken van het leven. Ze had net haar eerste roman, Käsebier erobert den Kurfurstendamm met groot succes gepubliceerd, een geweldig ingenieus en grappig Berlijns boek over het creëren van een hype en alles wat daar omheen gebeurt. Vrij snel daarna, op 5 maart 1933, in de nacht van haar 39ste verjaardag, stormden SA-ers haar appartement binnen om haar te arresteren. Tergit kon vluchten, eerst naar Tsjecho-Slowakije en daarna naar Palestina. Uiteindelijk vestigde ze zich in Londen, waar ze tot haar dood, in 1982, woonde. Ze schreef De Effingers in de loop van 18 jaar, in hotelkamers in Praag, Jeruzalem, Tel Aviv en in de Britse hoofdstad in een poging om de verloren wereld van haar jeugd te heroveren. In 1948 keerde ze voor het eerst terug naar Berlijn - een bezoek waar in de sombere epiloog van de roman op wordt gezinspeeld.

Vertaler

Meta Gemert werkte bij verschillende bedrijven en instellingen in binnen- en buitenland. Naast haar werk deed ze een 1e graads lerarenopleiding geschiedenis. Toen ze die had afgerond, ging ze niet voor de klas staan, maar vertrok naar Londen. Daar werkte ze voor verschillende internationale bedrijven waar ze o.a. teksten/instructies vertaalde uit het Nederlands in het Engels en andersom. Terug in Nederland was ze nog een aantal jaar werknemer bij een Europese culturele organisatie, maar besloot in 1999 zelfstandig ondernemer te worden. In die hoedanigheid vertaalde Meta non-fictieboeken uit het Engels, was een tijdje galeriehouder in Diever en schreef twee boeken. Na de oprichting van haar uitgeverij Van Maaskant Haun in 2017 is zij zich gaan toeleggen op het vertalen van Engelse (en soms Duitse) literatuur.

Fragment

Hoofdstuk 46

Theodor trouwt

‘Dag Miermann. Aardig dat je me komt helpen. Als je het goedvindt, blijf ik op mijn feestdag zitten. Een beetje gek, alles bij elkaar. Ik ben eerlijk gezegd heel bang.’

‘Ja, zo’n mooie vrouw, dat is een hele opgave.’

‘Begin jij ook al? Daarbij houd ik echt van haar, heel ouderwets en zon­der reserve. En niet alleen omdat ze zo mooi is, maar ik hoop door haar weer natuurlijker te worden.’

‘Wat is er aan de hand? Terugkeer naar de natuur door juffrouw Von Lazar? Dat geloof je toch zelf niet?’

‘Jawel. Ze is pas achttien. Zo’n jeugd heeft zich nog niet van de natuur verwijderd. Waarom zijn oom Ludwig, oom Waldemar en papa zoveel meer dan ik? Je hoeft geen antwoord te geven. Omdat ze veel meer contact met de werkelijkheid hebben. Papa heeft in zijn jonge jaren nog aan alle pleziertjes van het volk meegedaan, maar de twee anderen ook. Ze gingen ’s zondags de natuur in. Ze namen belegde boterhammen mee. Ze gaan naar een gewoon restaurant en kunnen met alle mensen praten. Ik geneer me ’s zondags op een stoomboot op de Spree, in een zomers eethuisje en zeker in een kroeg. Maar ook het deel van de aardse wereld dat zich manifesteert als zogenaamd landschap en natuur wordt genoemd, spreek ik met “u” aan. Over haar zeg ik: de natuur, een vroegere kennis van me. Wat ze over mij zegt, weet ik niet, maar het is vast niks goeds. Ik schrok, toen ik Sofie op mijn receptie terugzag.’

‘Zeg niks over Sofie.’

‘Jij hebt een zwak voor haar. Maar die is toch van top tot teen onecht? Haar schoonheid is kunstmatig, haar taal kunstmatig en haar kunst artistie­kerig. Mijn houding tegenover haar is precies het omgekeerde van Goethe tegenover Friederike von Sesenheim. Voor hem was het afgelopen toen ze met haar boerse manier van doen in de rococokringen terechtkwam. Sofie heeft voor mij afgedaan als ik me een voorstelling van haar maak bij een volksfeest.’

‘Zoiets zal ze wel uit de weg gaan, net als jij.’

‘Maar Annette is anders, die gaat nu elke middag in een pofbroek fietsen met James. En Klärchen is stiller, maar ook anders. En ik wil me die natuur opnieuw eigen maken.’

Miermann wilde een grap vertellen over het verkeerde experiment op het verkeerde object. Maar hij deed het niet.

‘En wat moet er van ons worden, Theo?’

‘Nou, jij hebt het toch gemaakt? Je bent feuilletonredacteur geworden en kunt onze goden loven, God, Miermann, wie had dat tien jaar geleden gedacht? Schnitzler en Zola en Gerhart Hauptmann en Monet en Lieber­mann. Wat vind je van Die versunkene Glocke van Hauptmann: Jij zoemer­tje van goud?’

Miermann, klein en dik met veel dik haar om zijn te brede hoofd en met een sigaret in zijn mondhoek, liep wat mistroostig op en neer. ‘Ik voel arg­waan jegens die Gerhart Hauptmann. De democratische tijd brengt geen leidende intellectuelen voort. Ook Hauptmann is altijd met de massa mee­gegaan, maar heeft nooit vooropgelopen.’

‘Is meneer Spiegel er? Ik kom direct naar de slaapkamer. Kom mee, Miermann.’

Meneer Spiegel had al een bekken schuim voor zich en wette het mes aan zijn riem. ‘Ik heb net meneer Oppner senior geschoren en heb nu de eer u te bedienen op uw grote dag. Wilt u uw hoofd iets verder achterover houden?’

‘Hij belichaamt steeds het verlangen van het moment. Vroeger het natu­ralisme en nu de romantiek. Je zou hem kunnen vergelijken met een goed­geslepen briljant, die geen eigen licht uitstraalt maar de stralen die hij opvangt concentreert en fonkelend reflecteert.’

‘Ach, Miermann, wat mooi om van jou altijd commentaar te krijgen op de culturele gebeurtenissen waar ik zelf geen raad mee weet! Geef het boek eens dat daar ligt. Mooi gebonden, hè? Perkament en echt Japans papier. Ik moet je een paar verzen voorlezen:

Velen moeten daar beneden sterven, waar de zware riemen der schepen glijden. Andren wonen bij het roer daarboven, kennen vogelvlucht en sterrenlanden.

Hoor je, Miermann, hoe dat klinkt: kennen vogelvlucht en sterrenlanden? En nog een vers:

Maar een schaduw valt er van dat leven op de andere levens neer, en de lichten zijn aan de zwaren gebonden als de lucht aan de aarde.

Zie je, Miermann, vandaag ga ik over weidevelden naar een feestmaal. Op de gaanderij zitten de musici en ik neem een mooie vrouw mee naar huis, maar er valt een schaduw van dat ene op die andere levens. Papa en oom Ludwig en mijn schoonvader en ik gaan vandaag een handtekening zetten voor grote bedragen. Misschien ook een schenking doen aan het “Ludwig-Eugeniehuis”. Maar kun je je vrijkopen? Ik zou vaak door de grauwe, boomloze straten willen lopen, tussen hoge huizen en al die mensen, waar het echte leven is.’

‘Ook jouw leven is echt.’

‘Misschien wordt het dat na vandaag. Tot nu toe was het alleen maar de kleurige weerschijn. Klaar. Dank u, meneer Spiegel. Ik hoop dat u me nog heel lang kunt scheren.’

Miermann zat behaaglijk op een groenzijden stoeltje en keek bewonde­rend hoe handig Theodor briljanten in zijn overhemd deed. Theodor stond voor een mahoniehouten spiegel met lampen aan de lijst. Het was een ding uit de 18e eeuw, het eerste antieke meubelstuk dat in de familie gekocht was.

‘En nu ben ik er wel klaar voor,’ zei hij. ‘Ach, Miermann, een jong meis­je. Ik ben bang. Hier, waar alles donker en gedempt is, kun je zoiets zeg­gen.’

‘Theodor, voor mij hoef je je niet te generen.’

‘Nou ja, je weet niet wat er gebeurt. Achttien jaar is ze! En nu mijn witte handschoenen. En mijn jas. En mijn hoge hoed.’ Theodor zette zijn hoge hoed een beetje scheef en deed een stap achteruit voor de spiegel. ‘Nee, het is geen palais de danse.’ En zette hem weer recht. ‘Dus, Miermann, eerst hoop ik op een heel grote toost van jou.’

Theodor stond voor het raam van het grote hotel Unter den Linden, met zijn hand aan de raamklink en keek naar het spiegelende asfalt, waar de equipages en huurrijtuigen af en aan reden. Het hoefgetrappel rees naar hem op. Rond de booglampen hing witte nevel. Het huis van oom Wal­demar aan de overkant was donker. Hij was nog op de bruiloft. Over een paar minuten zou hij het geliefde meisje in zijn armen hebben. Een grote tederheid beving hem, de wens om zich van nu af aan tot in eeuwigheid zo te voelen en zo lief te hebben. Niet toevallig dacht hij aan de gebedsformule

Van nu tot in alle eeuwigheid moge God je behoeden, zo goed, zo lief en zo zuiver.

Had hij in zijn leven ooit iemand zo liefgehad? Zo devoot, zo met de wens dat het mocht duren tot hij oud was en zijn vrouw ook? Widerklee?

Dat was een heerlijk begin geweest en de deur naar het leven, ondanks alle pijn. Meer niet. En Wanda? Zijn strijd om haar was eerder voortgekomen uit de wens om de valse sociale moraal een klap in het gezicht te geven dan een liefde zoals hij die nu voor het eerst voelde. Wist hij niet wie juffrouw Von Lazar was, toen hij haar leerde kennen? Zeker, zeker speelde ook de wens mee om de familie nieuwe glans te geven en de vooruitgang van de firma te dienen. Maar was hem niet het grote geluk ten deel gevallen en dat dit samenviel met zijn grote liefde die werd beantwoord?

Ernaast ging het licht uit. Theodor in zijn kamerjas voelde zijn hart bon­zen, toen hij geluidloos over het zachte tapijt naar de kamer naast de zijne ging.

‘Liefste, mag ik komen?’ vroeg hij in het donker.

‘Ja.’

Theodor pakte haar hand en streelde die. Langzaam streelde hij haar arm en durfde ten slotte haar mond te kussen, haar haren en haar hals.

Toen vroeg ze zacht: ‘Heb ik een mooie hals?’

‘Ja, mijn mooie liefste, ja.’

Hij pakte haar voet.

‘Weet je dat ik heel uitzonderlijk mooie voeten heb, met een heel hoge wreef en heel klein en slank?’

Theodor ging achteroverliggen. Hij was ontnuchterd. Kon hij zeggen: ‘Hou even je mond’?

Op dat moment zei ze: ‘Theo, heb je wel eens gezien dat mijn schouders wel gebeeldhouwd lijken?’

Theodor sprong op en wilde naar zijn kamer gaan. Hij wist niet wat hij moest doen. Dit een leven lang, geen mens van vlees en bloed, maar een schoonheid? Hij was met een schoonheid getrouwd! Misschien was het alleen maar de onhandigheid van de jeugd, waardoor ze zo praatte. Ze lag heel stil. Theodor kwam terug. Maar ze hield niet op. Ze wilde mooi ge­vonden worden en verder niks.

Theodor kon niet slapen. De ochtend schemerde. Hij had een knop ver­wacht die voor hem open zou gaan. Hij had een dom wezentje gevonden, dat niet van hem hield. Scheiden? Waarom? Waarvoor? Is het leven zo be­langrijk? Loont het zoveel moeite, zoveel pijn? Wij komen hier, vermoeide kinderen van een vergane eeuw. We doen ons best om goede zonen van onze sterke vaders te zijn en hun fabrieken en banken en staatszaken over te nemen. Ik ben maar een onderdaan, maar ook die hoogste daar, de keizer van dit tijdperk, draait zijn snor op, heft zijn maarschalksstaf, buldert en dreigt de wereld en luistert in de stilte naar elegante, decadente graven die

lieflijke gezangen componeren. Is daar in Engeland de burgerlijke Queen ook niet opgevolgd door een bohemien? Ik wou weer gezond worden, cre­atief en goed en sterk. Maar wat blijkt? Dat het al onze moeite niet loont en dat we verkeerd handelen. Ik zal een masker dragen en misschien wel vele maskers dragen. We spelen allen; wie het weet, is wijs zei Schnitzler. Ik zal goed zijn voor het domme en kille kind Beatrice en verder representatief zijn, schilderijen kopen en een goed onderdaan van Wilhelm II zijn. En plotseling was hij zijn zenuwen niet meer de baas. Hij ging naar zijn kamer en snikte in zijn kussen als een klein kind.

Er werd op de deur geklopt. Het meisje zei dat het bad voor mevrouw klaar was.

‘Kom, liefje, opstaan. We moeten vandaag verder.’ En met oneindige teder­heid streelde hij de niet-geliefde vrouw.

Toen Susanne Widerklee de trappen naar haar Berlijnse huis opging, hoor­de ze pianospel. Haar dienstmeisje kwam haar tegemoet: ‘Mevrouw, er is een jongen gekomen die ik per se binnen moest laten.’

James stond op, maakte een diepe buiging en zei: ‘Ik dacht: u hebt er misschien niks tegen, als ik kom. Maar u moet het zeggen, als u het onge­manierd vindt.’

‘Nee, nee, blijf maar rustig spelen. Ik zal thee laten zetten.’

Later zong ze na lange tijd zelfs weer Schubertliederen.

‘Dat wou ik nou zo graag: u begeleiden en thee met u drinken. U bent de mooiste vrouw die ik ken.’

‘James toch, jongen!’

‘Ja echt, u mag me niet uitlachen. Ik dacht kortgeleden nog: als u tien jaar jonger was en ik tien jaar ouder, dan zou u misschien zelfs met me trouwen.’

‘Maar jongen, waarom praat je over trouwen? Je moet studeren en wer­ken om iets te worden.’

‘Waarom moet ik dat?’

Susanne Widerklee zat voor haar spiegel. Nee, het was niet pijnlijk geweest, alleen maar heerlijk en alleen maar vrolijk, toen die mooie jongen haar ten slotte een half kinderlijke en half hartstochtelijke kus gegeven had. Hij leed niet, zoals Theodor, en dacht niet na, zoals Waldemar. Ze keek in de spiegel als in haar voorbije leven. Ze had veel geleden en gestreden en liefgehad, maar mooi en gelukkigmakend was het maar zelden geweest. Ze was nu veertien jaar de goede en bijna vijfentwintig jaar oudere graaf trouw geble­

ven en ze wilde hem, als God het beliefde, tot het eind verzorgen. Vandaag was haar een groot geluk ten deel gevallen, het geluk dat betekende steeds weer opnieuw liefde te wekken, een geluk zonder kwellingen en zonder pijn.

Het was een heldere dag in de vroege lente en de struiken in Tiergarten droegen hun eerste knoppen. Ze liep langzaam de stad in en kocht, dwaas en verzaligd als in haar vroege jeugd, een nieuwe lentehoed vol bloemen en veren.

Theodor zat met Beatrice in Rome. Hij droeg een lorgnet met een gouden montuur en had een menu in zijn hand. ‘En wat wil je nu? Je kunt gebraden kip nemen. Wat vind je daarvan? Maar daar hebben we consul Weißbach met zijn vrouw. Die moeten we gedag zeggen.’

En daarna zaten meneer en mevrouw Weißbach bij hen aan tafel.

‘En hoe gaat het met de jonggetrouwden? Inspannend hè, beste Oppner? Maar mooi, hè?’ Hij bulderde van het lachen. Theodor moest ook lachen.

Mevrouw Weißbach zei: ‘Jij zegt altijd van die dingen!’

Theodor keek naar de Sint-Pieter en verder een onbekende verte in en hij verlangde naar het leven.

Hoofdstuk 47

Schoolzorgen

Het meisje kwam binnen om Annette een brief te geven: Uw zoon Herbert gaat niet over, omdat hij het eindniveau van zijn klas niet gehaald heeft.

Wat? dacht Annette. James was een goede leerling. Erwin was uitstekend. Wat was er dan met Herbert aan de hand?

Toen Karl aan tafel kwam, gaf Annette hem de brief: ‘En, wat vind je ervan?’

‘Je moet morgen naar school gaan.’

‘Maar dan moet ik passen.’

‘Lieve Annettchen, je moet informeren wat er aan de hand is. Het is toch belachelijk dat Herbert een slechte leerling is? Herbert is helemaal niet dom. Ik ken mijn zoon toch? Die ouwe schoolfrikken! Dus ik kan je vertellen dat ik hem gewoon naar een andere school stuur.’

De directeur zei: ‘Herbert Effinger heeft het eindniveau van de klas niet gehaald en ik zou u ook niet aanraden om de jongen hier door te laten gaan. Hij komt niet verder.’

‘Hij is niet lui. Integendeel: hij werkt veel harder dan de twee anderen.’

‘Maar hij heeft te weinig aanleg voor een gymnasium.’

‘James en Erwin kunnen zo goed meekomen. Herbert heeft volgens ons niet minder aanleg.’

‘De jongen kan het niveau bij de oude talen niet aan. Hij moet toch za­kenman worden?’

Annette bespeurde de lichte minachting en zei: ‘Dat is niet zeker. Kunt u niet nog een keer kijken of Herbert over kan?’

‘Ons instituut is geen drilschool. We willen vrienden van het humanis­me onderwijzen. Jongens als Herbert kunt u beter naar een school zonder klassieke talen sturen.’

‘Maar voor wis- en natuurkunde interesseert hij zich helemaal niet.’

‘Dat is dan jammer.’

Wat wij allemaal mee moeten maken, dacht ze, toen ze het gebouw uit kwam. Een zoon gaat niet over. Een zoon kan niet meekomen op school. Karl denkt dat het aan de leraren ligt. Waarschijnlijk heeft hij gelijk. Maar wat moet er dan van hem worden? Opeens bleef ze midden op straat staan. Ik ga papa om raad vragen.

In het oude bankgebouw slofte de oude Liebmann rond met een krom­me rug en een potlood achter zijn oor. Annette werd helemaal week. ‘Ik wil mijn vader spreken,’ zei ze.

‘Papa!’ riep ze en omhelsde hem huilend, ‘God, papa, wat verschrikke­lijk!’

‘Wat is er dan gebeurd, mijn kind?’

‘Ach, papa, ik had nooit gedacht dat we zulke zorgen zouden hebben om onze kinderen. Ik moest naar je toe.’

Meteen vroeg de oude Emmanuel: ‘Heeft James iets met een vrouw?’

‘Nee, Herbert...’

Emmanuel dacht aan Herbert, dat zachtmoedige, goedaardige kind: ‘Wat is er dan met Herbert?’

‘Hij gaat niet over,’ snikte Annette. ‘Wat moeten we doen? Alsjeblieft, we kunnen hem toch geen ambachtsman of arbeider laten worden? O, wat een ramp!’

‘Annettchen, het ergste vind ik dat jij je zo opwindt. Ik zal Herbert in elk geval in de zaak nemen. Hij moet natuurlijk een schooldiploma hebben. Probeer het nog een jaar op het gymnasium met een huisleraar en als het dan nog niet lukt, is een drilschool het beste.’

‘Jij vindt het dus niet zo verschrikkelijk?’ zei ze. ‘Ja, eigenlijk heb je wel gelijk, papa.’

Karl zag de dingen anders. Hij nam Herbert onder handen.

‘Herbert, je moet bedenken wat je wilt worden. Straks word je nog straatveger, dan maak je ons allemaal te schande.’

‘Ik wil niet meer naar school,’ zei Herbert heel zacht.

‘En wat wil je dan?’

‘Weet ik niet.’

‘Wat een onzin! Je hebt gewoon geen eerzucht. Hoe wil je je brood ver­dienen? Wil je soms meubelmaker worden en in een overall werken? Wil je soms putjesschepper worden of achter een draaibank staan, en dat je broers je niet groeten? O, wat een ramp! We zullen nu een huisleraar voor je zoeken, maar ik hoop dat je ons niet zult beschamen.’

‘Zeg alsjeblieft niks tegen Paul,’ zei Annette, toen ze alleen met Karl koffie zat te drinken. ‘Al doet hij dan geen eindexamen, hij moet een di­ploma hebben. Dan sturen we hem naar een drilschool.’

‘Zeg,’ zei Karl opeens, ‘misschien kunnen we hem beter meteen naar een drilschool sturen. Hoe meer ik erover nadenk, hoe beter me dat lijkt. Waar­om die oude talen? Ik heb ook geen oude talen geleerd. De beste selfmade mensen zijn degenen die van de lagere school komen. Lichaam en geest

verpieteren op het gymnasium. Een drilschool heb ik liever: daar worden frisse, blijmoedige jongens gevormd en geen bebrilde boekenwurmen.’

Annette pakte haar koffiekopje en hief het. Het scheelde niet veel of ze had met Karl geklonken op Herberts vertrek van het gymnasium.

‘Herbertchen,’ zei Annette, ‘we zullen je niet langer plagen: je mag van school en we sturen je ergens heen waar je alleen nog een lager diploma hoeft te halen. Is dat niet beter?’

‘Ja, mama.’

‘Waarom altijd alleen maar: “Ja, mama”? Zeg toch eens wat je er zelf van vindt!’

‘Als jullie het zeggen, zal het wel goed zijn.’

Annette gaf hem een kus.

Hoofdstuk 48

Een uitstapje met de auto

Die morgen stond Klärchen met het meisje in de keuken om koude kip en boterhammen in te pakken. Met een eindeloze voile rond hun gezicht gewikkeld en met autobrillen op, verkleed als vogelverschrikkers, klom­men Klärchen en Lotte in de open kar op hoge wielen. Auto’s waren tot ongenoegen van Paul een sensatie voor de hele straat. Lotte, Marianne en Erwin waren het liefste weggekropen. Daarentegen genoten Karl en Annette ervan om hoog in een auto te zitten. Maar James glimlachte naar de meisjes. ‘O, wat ben je mooi,’ zei hij tegen een jong ding dat vlak bij de wagen stond. Ze lachte terug.

‘Rijden we nou eindelijk? Wat moet er nog gebeuren? Slaat de motor niet aan?’ zei Paul.

Daar reden ze weg met stank en lawaai.

‘Ik weet niet,’ zei Lotte tegen Marianne, ‘wat hier zo leuk aan is. Je gezicht wordt smerig, je moet jezelf schoonboenen en de wind is niet te harden, en zien kun je ook niks, omdat je steeds bang bent dat je hoofd eraf gaat.’

Ze stopten in het zand onder dennen bij een meer. Karl straalde en vertelde over de race. De auto’s van Effinger waren derde geworden. De keizer had gezegd dat hij een Effinger aan zou schaffen. Hij had bovendien de titel van verdienstelijk koopman kunnen krijgen als hij een bijdrage aan de Vlootvereniging zou betalen. Maar die kostte minstens 100.000 mark.

‘En ik denk dat ze je aangeboden hebben om honorair rechter bij de handelsrechtbank te worden?’

‘Ja, maar daar ben ik niet op ingegaan,’ zei Paul.

‘Ik begrijp jou niet, Paul. Zoiets weiger je toch niet, dat is toch belang­rijk voor de firma en voor de familie?’

‘Het is belangrijk om goede auto’s te bouwen. Ik kan me zoiets niet per­mitteren. Ik heb genoeg te doen in de fabriek. Mag ik nog een boterham, Klärchen?’

‘Hij komt nu steeds om half negen thuis en hij gaat om half acht weg; dan heb ik toch helemaal niks meer aan mijn leven? Altijd maar alleen zit-ten in Weißensee,’ zei Klärchen.

Paul zat met James te praten. ‘Je doet toch in oktober eindexamen? Ik hoor dat je niet de fabriek in wilt en je wilt niet bij je opa in de bank. Ja, wat wil je dan eigenlijk?’

‘Ik wil eerst eens een semester kunstgeschiedenis studeren.’

‘Dat heeft toch helemaal geen zin? Wat kun je daarmee worden?’

‘O, van alles.’

‘Je wilt dus gewoon niet werken, de hele dag lanterfanten en een nietsnut worden.’

Paul schudde treurig zijn hoofd. Hij begreep James niet, maar ook zijn broer Karl niet die zoiets maar goedvond. ‘Ja, morgen zetten we dus de raffineerinstallatie stil. Ik heb geprobeerd de machines kwijt te raken, maar we kunnen ze alleen maar als schroot verkopen. Stel je voor dat we niks anders geproduceerd hadden. Hadden we dan kunnen voorkomen dat we nu failliet gegaan waren, omdat Amerika elektrolytisch koper net zo goed­koop levert als geraffineerd koper? Absoluut niet, maar we waren wel ge­minacht.’

‘Maar we zijn toch niet failliet gegaan?’ zei Klärchen.

‘Dat is eigenlijk alleen maar toeval,’ zei Paul.

Ze hadden koper gesmolten en als bijproduct zilver gewonnen. Het ko­per was duurder verkocht dan het ongesmolten koper en het zilver hadden ze erbij gekregen. Maar het zilver was niet meer het zilver van Kragsheim. Daar was zilver zo kostbaar geweest dat de sjabbatkandelaars met gips ge­vuld waren. Nu maakten ze het zilver massief, want het was niets meer waard, en elektrolytisch koper was net zo goedkoop als het andere. Het was nu pure onzin om er een elektrolytische raffineerinstallatie op na te hou­den. Ze hadden twintig jaar lang schroeven geproduceerd. Goede, regel­matige en goedkope schroeven. Nu hief Denemarken tol op schroeven. Was dat hun schuld? Hadden ze het zichzelf te gemakkelijk gemaakt? Wa­ren ze afgeweken van de weg van de vaderen? Waren ze lichtzinnig of lui geworden? Nee, aan de andere kant van de Oostzee had een meerderheid een wet aangenomen om tol op schroeven te heffen en nu zouden ze in Berlijn-Weißensee een fabriek sluiten en arbeiders brodeloos maken, en werknemers zouden wanhopig worden. Ze waren een speelbal. Het ging niet meer om ijver en verstand en zuinigheid. Hun vader in Kragsheim had nog iets aan zijn ijver en verstand en zuinigheid gehad.

‘Wil je nog iets eten?’ vroeg Klärchen.

Herbert lag op het dikke, groene mos. Wat ging hem dat allemaal aan? Als hij een arm kind zou zijn, hoefde hij niet te leren en kon hij bijvoor­

beeld – ja, wat deden mensen die geen Latijn leerden? Die waren bijvoor­beeld trambestuurder. Je stond voorin, lette goed op en gaf een tik tegen de bel als iemand te dicht voor de tram over wilde steken. Of je kon bijvoor­beeld postbode worden. Ik wil die Ostermann niet meer zien, die stomme Latijnse grammatica! dacht hij. Maar als ik dat zeg, vragen ze of ik in plaats daarvan wiskunde wil. En die congruenties zal ik wel nooit begrijpen. Waarom ook?

James stapte naar de dichtstbijzijnde herberg. In de zaal klonk dans­muziek. James boog voor een meisje en vroeg haar op een allerhoffelijkste manier ten dans. Hij vroeg of hij haar een kopje koffie mocht aanbieden.

‘Ja,’ zei ze.

‘Ik houd ervan als vrouwen ogen hebben die heel dicht bij elkaar staan en als ze een beetje knipperen.’

‘Ik ben bijziend.’

‘Ja, daar houd ik juist zo van.’

Boven hen was een sering en de zomerse tuin stond in bloei. Hij pakte haar hand en kuste iedere vinger. Dat was echt een verrukkelijk meisje. Wat was hij verliefd toen hij haar zachtjes mee het bos in nam! Wat scheen de zon op haar haar! Wat was ze tenger! Ze lagen in het gras.

‘Ach,’ zei ze, ‘het ging zo slecht met me. Mijn vriend heeft me in de steek gelaten. Ik had vijf jaar verkering en toen maakte hij het opeens uit – met een brief – en ik kon hem niet meer spreken. Ik had het liefste zelfmoord gepleegd, maar kan dat? Een revolver verkopen ze je niet en een gasslang is toch te weerzinwekkend, en als ze je halverwege wakker maken, ben je de rest van je leven invalide en kun je gaan bedelen. Maar zo voelde ik me. Alleen nog maar sterven. En toen zei mijn vriendin: “Kom, Julchen, laten we naar buiten gaan, dat zal je goeddoen.” En zo is het gekomen.’

James streelde haar. ‘Hoe kun je treurig zijn, als iemand zo’n rotzak is? Dan kun je er beter niet meer bij stilstaan. Je bent heel knap, er zullen nog veel mensen verliefd op je worden en die zul jíj zelfs in de steek laten.’

Ze stonden op. James ging terug naar zijn familie.

Het meisje ging terug naar haar vriendin. ‘Wat ben je toch mooi,’ zei de vriendin.

‘O, ik heb iets wonderlijks meegemaakt! Daar kun je lang op teren.’

‘Waar zat je nou?’ riep de familie James tegemoet.

‘We konden niet weg, want we stonden al een half uur op jou te wach­ten,’ zei Paul. ‘En waar is Lottchen nou weer?’ Lotte was zoals altijd iets kwijt en was gaan zoeken.

‘Ik zal gaan kijken waar ze is,’ zei Marianne.

‘Zo’n lief kind.’ Paul keek haar na.

De vlakte vloog voorbij. Armzalige dorpen, vijver in het midden, een­den in de poel. Prachtig was de steeds korter wordende weg naar de gewel­dige stad, droomachtige silhouetten van langzaam naderende wagens van allerlei makelij, kerktorens die met hun punten fabelachtig in de hoogte groeiden. Een zomerse zondagavond. De rit naar huis in de grote stad! Het krioelde op straat nog van de mensen. Er waren kermissen met een draai­molen en een schommel. De elektrische tram belde en er reden omnibussen met kleine paardjes en terugkerende janplezieren versierd met bloemen en vol mensen die zongen en trekharmonica speelden.

In de stille straat stapten ze uit. Karl, Annette en haar vier kinderen re-den door naar het westen.

Iedereen kleedde zich uit, waste zich en maakte zich schoon. Paul ging op de sofa liggen en Klärchen ging op een stoel zitten naaien. Lotte maakte van Roodkapje een toneelstuk. Dit blok was de wolf en dit popje Rood­kapje. Dat was het bos. Nu liep Roodkapje door het bos. ‘Dag, Rood­kapje,’ zei de wolf.

‘Ik wou jullie wat voorlezen,’ zei Paul.

Heb ik de markt en de straten ooit zo verlaten gezien? Heel de stad lijkt geveegd en uitgestorven. Geen vijftig, Dacht ik, zijn er achtergebleven van alle bewoners. Wat nieuwsgierigheid doet!

Paul las uit Goethes Hermann en Dorothea over de kamerjas met indiaanse bloemen, over het fijnste katoen, met fijn flanel gevoerd, over vlucht en ellende en:

Zorgzaam kwam nu moeder met klare, heerlijke wijn In een geslepen karaf op het blanke blaadje van tin Met de groenige glazen, de echte bekers voor rijnwijn.

De zon ging onder. Het werd geel en rood en schemerig in de kamer. ‘Zo, laten we nu een boterham eten,’ zei Paul.

Reacties

‘Gabriele Tergits familiesage De Effingers geeft een panoramisch overzicht. Het is een tijdreis door de Duitse geschiedenis.’ - Der Standard

‘Deze prachtige, vrolijke, optimistische en diep trieste joods-Duitse geschiedenis moet zijn vaste plaats in de Duitse canon vinden en behouden. Een feest om te lezen!’ - Volker Weidermann Das literarische Quartet

‘Er is geen andere roman die Berlijn en de wereld van de joodse Berlijners zo tot leven wekt. Het boek is verontrustend waarheidsgetrouw.’ - Jens Bisky, Süddeutsche Zeitung

‘Effingers is een grote familieroman, een Duits epos, een boek over generaties, een Berlijnse roman, levende geschiedschrijving aan de hand van drie fictieve families (...) groots en uniek.’ - Sätze&Schätze